Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5806

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
NL20.6173 en NL20.6174
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondeling uitspraak. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.6173 en NL20.6174


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Bicer).


Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijdin de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 25 juni 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de – ambtshalve te beantwoorden – vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van procesbelang.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser sinds 31 maart 2020 met onbekende bestemming is vertrokken.

4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat zij sinds 1,5 maand geen contact meer heeft gehad met eiser. Gelet op voornoemde rechtspraak van de Afdeling is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het beroep en geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, is een voorlopige voorziening daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2020 door mr. S. Mac Donald, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.