Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5802

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
NL20.6248
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, MOB, geen procesbelang, beroep n-o

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:5800)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.6248

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Biçer).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van 24 maart 2020 heeft vanwege de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus niet plaatsgevonden. Nadat partijen daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.1

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.

Het bestreden besluit

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Italiaanse autoriteiten aan haar een verblijfsvergunning hebben verleend. Deze vergunning is geldig tot 2 augustus 2023. Er is volgens verweerder geen aanleiding om te concluderen dat er niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel of dat eiseres bij terugkeer in een situatie in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou belanden.

1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Van eiseres mag worden verwacht dat zij de rechten die voortvloeien uit haar verblijfsstatus in Italië zelf effectueert en dat zij zich bij voorkomende problemen wendt tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten dan wel daartoe geëigende instanties. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Procesbelang

3.1

De rechtbank dient allereerst ambtshalve te beoordelen of er sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk middels zijn brief van 23 april 2020 te kennen gegeven dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gemeld dat eiseres op 30 maart 2020 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken uit de opvang van het COA. De gemachtigde van eiseres heeft hierover op 11 mei 2020 naar voren gebracht dat hij weliswaar ook al enige tijd geen contact meer heeft met eiseres, maar dat niet op voorhand gesteld kan worden dat eiseres geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Zij is hoogzwanger en daarom spelen er medische aspecten, er is een aantekening gemaakt in het logboek dat er mogelijk sprake is van mensenhandel en het valt niet uit te sluiten dat zij tegen haar wil in is vertrokken. Zij heeft ook geen opdracht gegeven tot intrekking van het beroep.

3.2

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)2 blijkt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

3.3

De rechtbank is, gelet op de omstandigheid dat eiseres op 30 maart 2020 met onbekende bestemming is vertrokken, haar gemachtigde op 11 mei 2020 heeft bericht al enige tijd geen contact met haar te hebben en ook niet te weten waar zij thans verblijft, met het oog op de hiervoor genoemde jurisprudentie, van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat eiseres geen prijs meer stelt op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Dat medische aspecten vanwege haar zwangerschap een rol kunnen hebben gespeeld bij haar vertrek valt niet uit te sluiten. Zij was immers op 15 april 2020 uitgerekend. Het had echter ook in dat geval op de weg van eiseres gelegen contact met haar gemachtigde te onderhouden over haar verblijfplaats en de verdere voortgang van de procedure. Mocht zij daar zelf om medische redenen niet toe in staat zijn geweest, dan had het op haar weg gelegen om hulp in te schakelen. Voorts zit er ook voldoende tijd tussen de MOB melding en het bericht van de gemachtigde, dat mochten medische aspecten, zoals een mogelijke bevalling, een rol hebben gespeeld dit ook niet in de weg hoeft te hebben gestaan aan de mogelijkheid om contact met haar gemachtigde op te nemen. De enkele mededeling dat er een aantekening zou zijn gemaakt dat er mogelijk sprake is van mensenhandel is onvoldoende concreet voor een ander oordeel.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579).

Dat eiseres geen opdracht heeft gegeven tot intrekking van het beroep maakt het voorgaande evenmin anders, gelet op de criteria van belang die gelden volgens de uitspraak voornoemd.

Conclusie

4. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

22 juni 2020

Documentcode: DSR11950399

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.