Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5799

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
NL20.6741
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8:57 uitspraak. Dublin Italie, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Noord-Holland

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6741


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen het onderzoek gesloten zonder het houden van een zitting, conform het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser voert aan dat verweerder ten opzichte van Italië niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat eiser in Italië toegang heeft tot opvangvoorzieningen. Eiser verwijst naar het recente rapport van het van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van januari 2020 “Reception conditions in Italy. Updated report on the situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees, in Italy”. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat vanwege het Corona-virus Italië zodanig ontregeld is dat het binnen de gestelde termijn van de overdracht niet in staat is om asielzoekers op te vangen.

3. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) en 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) heeft geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De lijn in deze uitspraken is recent bevestigd door de Afdeling in een drietal uitspraken van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986, 987 en 1032). De rechtbank ziet in wat door eiser is aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraken. Zo heeft de Afdeling het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 al betrokken bij de uitspraak van 8 april 2020 en daarover geoordeeld dat er uit dat rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren komt dan al bekend was ten tijde van de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019. Daarnaast is de enkele stelling dat Italië door het coronavirus niet meer aan zijn internationale verplichtingen kan voldoen, onvoldoende voor het oordeel dat het Italiaanse asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiser bij overdracht een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Ten slotte biedt ook het persoonlijk relaas van eiser geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.