Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5793

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
C/09/589186 / FA RK 20-1124
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering (België). Niet, althans onvoldoende weersproken is dat er sprake is van kinderontvoering. Tijdens het kindgesprek is niet gebleken van verzet van de minderjarige. Dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar is niet aangetoond. Dat moeder niet mee zal terugkeren met het kind naar België is haar eigen keuze en mag i.c. de teruggeleiding niet in de weg staan. De moeder heeft haar stelling dat er sprake is van mishandeling in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader niet nader onderbouwd. Ook heeft de moeder niet aangetoond dat zij bij een terugkeer gevangen genomen zal worden vanwege de aangifte door de vader. In het kader van de omgangsregeling brengt de moeder de minderjarige reeds tweewekelijks over de grens naar vader. Beroep op art. 20 HKOV, art. 8 EVRM en 9 IVRK gaan niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 20-1124

Zaaknummer: C/09/589186

Datum beschikking: 26 juni 2020

Internationale kinderontvoering

Beschikking in het kader van het op [geboortedatum 1] 2020 ingekomen verzoek van:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats 1] , België,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 10 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het F9-formulier van 12 juni 2020 van de zijde van de vader.

Aan partijen is schriftelijk de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

Bij beschikking van 29 mei 2020 van deze rechtbank is drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , België. De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Wat geeft [voornaam minderjarige 1] zelf aan over een eventueel verblijf in België en een eventueel verblijf in Nederland?

  2. In hoeverre lijkt [voornaam minderjarige 1] zich vrij te kunnen uiten?

  3. In hoeverre lijkt [voornaam minderjarige 1] de gevolgen van het verblijf in België of het verblijf in Nederland te overzien?

  4. Wil [voornaam minderjarige 1] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst [voornaam minderjarige 1] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?

  5. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?

De rechtbank heeft op 11 juni 2020 het rapport van de bijzondere curator van 10 juni 2020 ontvangen.

[voornaam minderjarige 1] heeft op 12 juni 2020 in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt. In verband met de maatregelen die zijn getroffen vanwege de uitbraak van het coronavirus (COVID-19) heeft dit plaatsgevonden via een telefonische verbinding. [voornaam minderjarige 1] is hierbij ondersteund door de bijzonder curator, die ook aan het telefoongesprek heeft deelgenomen.

Op 12 juni 2020 is de zaak (in verband met het coronavirus) ter videozitting van deze rechtbank behandeld. Daarbij zijn de vader, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk] en bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de bijzondere curator mevrouw drs. A. van Teijlingen, alsmede mevrouw [naam medewerkster RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) digitaal verschenen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader luidt thans alleen nog:

- de onmiddellijke terugkeer te bevelen van de minderjarige zoon van partijen: [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , België,

primair naar het woonadres van de vader, subsidiair naar België en daarbij te bepalen dat de onmiddellijke teruggeleiding uiterlijk op 15 maart 2020 dient te geschieden, dan wel op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, waarbij de moeder [voornaam minderjarige 1] terug dient te brengen naar het adres van de vader, althans naar België en indien de moeder nalaat om [voornaam minderjarige 1] binnen de door de rechtbank te stellen termijn terug te laten keren, te bevelen dat de moeder [voornaam minderjarige 1] op voornoemde datum dient te overhandigen aan de vader, waarbij de rechtbank dient te bepalen dat de moeder tevens de geldige reisdocumenten of het geldige reisdocument van [voornaam minderjarige 1] aan de vader dient te verstrekken teneinde de terugkeer naar (de rechtbank leest:) België mogelijk te maken;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader heeft de overige verzoeken ter zitting ingetrokken.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , België;

- Zij hebben het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] .

- Uit de moeder is voorts nog het niet door de vader erkende kind geboren:

- [naam minderjarige 2] , op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] , België.

- De moeder is op 22 of 23 augustus 2020 met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar Nederland vertrokken.

- De moeder en [voornaam minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit, de vader is burger van Rwanda.

- De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [IKO nr.] .

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging, of het niet doen terugkeren, geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat [voornaam minderjarige 1] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats in België had. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu niet, althans onvoldoende is weersproken dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland en dat de overbrenging van de [voornaam minderjarige 1] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Belgisch recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [voornaam minderjarige 1] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [voornaam minderjarige 1] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige 1] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden

De moeder heeft gesteld dat sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b, artikel 13 lid 2 en artikel 20 van het Verdrag alsmede dat bij terugkeer van [voornaam minderjarige 1] naar België sprake is van schending van artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

De rechtbank zal eerst ingaan op de gestelde weigeringsgrond dat [voornaam minderjarige 1] zich verzet tegen terugkeer naar België (artikel 13 lid 2 van het Verdrag).

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De moeder heeft gesteld dat [voornaam minderjarige 1] niet meer terug wil naar België om daar te wonen en dat hij bij de moeder en [voornaam minderjarige 2] wil blijven wonen. Volgens de moeder heeft [voornaam minderjarige 1] een leeftijd (tien jaar) en mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De vader heeft betwist dat er sprake is van verzet.

De rechtbank heeft op 12 juni 2020 met [voornaam minderjarige 1] gesproken. In het gesprek heeft [voornaam minderjarige 1] aangegeven dat hij het zowel in Nederland als in België goed heeft en dat hij het leuk vindt om naar school te gaan, maar dat hij misschien liever in België wil wonen en dat hij in dat geval in het weekend zijn moeder en [voornaam minderjarige 2] kan bezoeken. In het eerste gesprek met de bijzondere curator op 8 juni 2020 heeft [voornaam minderjarige 1] aangegeven dat het hem niet zoveel uitmaakt wat de rechter beslist, als hij maar weet waar hij aan toe is. In het tweede gesprek met de bijzondere curator op 10 juni 2020 heeft [voornaam minderjarige 1] aangegeven dat hij heimwee heeft naar België en dat hij wel terug zou willen gaan naar België.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder in het licht van de betwisting door de vader en gelet op hetgeen [voornaam minderjarige 1] in het gesprek met de rechtbank en het gesprek met de bijzondere curator heeft aangegeven niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 2 van het Verdrag zich hier voordoet.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder heeft gesteld dat zij bij een terugkeer naar België wederom zal worden blootgesteld aan het respectloos gedrag door de vader en dat niet alleen zij, maar ook [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hiervan wederom getuige zullen zijn. Anders dan in Nederland heeft de moeder in België geen woonruimte en geen inkomen. De moeder heeft vernomen dat de vader aangifte zou hebben gedaan bij de politie in België in verband met het meenemen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] door moeder naar Nederland. Terugkeer van de moeder met beide kinderen naar België betekent in dat geval dat de moeder – al dan niet direct – in de gevangenis terecht kan komen en gescheiden zal worden van [voornaam minderjarige 1] , maar ook van [voornaam minderjarige 2] over wie de vader noch iemand anders gezag heeft. Volgens de moeder is niet alleen zij door de vader mishandeld, maar wil de vader ook niet weten van een moderne en eigentijdse opvoeding van de kinderen en corrigeert hij hen met harde hand of door heel boos te worden. [voornaam minderjarige 1] kan niet zonder de moeder en [voornaam minderjarige 2] terug naar België. De vader heeft volgens de moeder de afgelopen jaren immers laten zien niet voor [voornaam minderjarige 1] te kunnen zorgen. Bovendien heeft de vader nauwelijks een financiële bijdrage aan het gezin geleverd omdat hij aangaf dat zijn inkomen ontoereikend was. De vader heeft volgens de moeder geen opvoedvaardigheden en hij spreekt nauwelijks Nederlands en [voornaam minderjarige 1] nauwelijks Frans, zodat ze niet kunnen communiceren. De moeder heeft voorts gesteld dat de vader diabetespatiënt is en hartproblemen heeft waardoor hij snel moe is. [voornaam minderjarige 1] wordt volgens de moeder belemmerd in zijn persoonlijke ontwikkeling, omdat de vader snel boos wordt. Ook weet de moeder dat de vader bovenmatig veel alcohol gebruikt en rookt, waarbij hij nalaat insuline te spuiten. Hierdoor kan hij volgens de moeder in een toestand geraken die niet te combineren valt met de verzorging en opvoeding van een jong kind als [voornaam minderjarige 1] . Bij terugkeer van [voornaam minderjarige 1] zal [voornaam minderjarige 1] gescheiden worden van [voornaam minderjarige 2] , nu [voornaam minderjarige 2] bij de moeder in Nederland zal blijven, hetgeen volgens de moeder niet in het belang is van beide kinderen. De moeder heeft ten slotte gesteld dat [voornaam minderjarige 1] bij terugkeer naar België niet terug kan naar zijn oude school, omdat zijn plaats waarschijnlijk door een nieuwe leerling is ingenomen. Dit impliceert dat [voornaam minderjarige 1] bij een teruggeleiding weer naar een andere school zou moeten.

De vader betwist dat er ooit sprake is geweest van huiselijk geweld. Daar is ook nooit aangifte van gedaan. Voorts heeft de moeder – die in Nederland naar eigen zeggen in een callcenter werkt – volgens de vader niet aangetoond dat er in België geen werk voor haar te vinden is. Voor zover de aangifte van de vader bij de politie in België zou leiden tot het gevangen zetten van de moeder, dan is de vader bereid de aangifte in te trekken, maar de vader heeft aangegeven dat hij geen bewijsstukken heeft gezien die erop duiden dat de moeder gevangen zal worden gezet. De vader stelt verder dat moeder op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat de vader geen goede opvoeder is. De moeder had volgens de vader om toestemming moeten vragen, want dan had er van alles geregeld kunnen worden. Volgens de vader heeft de moeder de situatie zelf gecreëerd. Aan een terugkeer naar België staat niets in de weg.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader niet heeft aangetoond dat er sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b. De moeder heeft haar door de vader betwiste stellingen niet nader onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet, althans onvoldoende heeft aangetoond dat er bij de vader sprake is van een onveilige opvoedsituatie. Het feit dat de Belgische rechter, zoals de moeder zelf heeft gesteld, een voorlopige omgangsregeling heeft vastgesteld die trouw wordt nageleefd en waarbij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] om de twee weken van zaterdag 10.30 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijven, wijst daar ook niet op. Ook het feit dat [voornaam minderjarige 1] naar België wenst terug te keren vormt hiervoor een contra-indicatie. Ook heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende aangetoond dat zij niet met [voornaam minderjarige 1] terug kan naar België. De moeder heeft niet aangetoond dat zij in België geen woning of werk kan krijgen.

Ook heeft de moeder niet aangetoond dat zij bij een terugkeer naar België gevangen wordt gezet. In dit verband wijst de rechtbank op het feit dat de moeder in de afgelopen maanden, ondanks de verscherpte grenscontroles in verband met het coronavirus, probleemloos eens per twee weken naar België heeft kunnen reizen om [voornaam minderjarige 1] aan de vader over te dragen en om [voornaam minderjarige 1] daar weer op te halen ter nakoming van de door de Belgische rechter vastgestelde voorlopige omgangsregeling. Als de moeder (internationaal) gesignaleerd zou hebben gestaan op verdenking van onttrekking van een minderjarige aan het gezag, dan valt te verwachten dat zij aan de grens op problemen zou zijn gestuit. Voor zover de moeder de beslissing neemt om niet met [voornaam minderjarige 1] mee terug te gaan naar België, betreft dit een eigen keuze van de moeder die aan een teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] niet in de weg staat.

Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag en beroep op artikel 8 EVRM

Ingevolge artikel 20 van het Verdrag wordt terugkeer van de minderjarige geweigerd, wanneer deze op grond van de in de aangezochte staat gehuldigde beginselen inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet is toegestaan. Voor een geslaagd beroep op dit artikel moet aangetoond worden dat de desbetreffende beginselen de terugkeer van het kind verbieden.

Kort gezegd heeft de moeder ter onderbouwing van haar beroep op deze weigeringsgrond gesteld dat de teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] naar België zal leiden tot een scheiding van [voornaam minderjarige 1] van zijn moeder en [voornaam minderjarige 2] en dat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op een gezinsleven.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de moeder op artikel 20 van het Verdrag niet kan slagen. De moeder heeft gesteld dat zij, in het geval de rechtbank tot de teruggeleiding zal beslissen, niet met [voornaam minderjarige 1] mee terug gaat naar België nu zij daar geen werk of een woning heeft. Als gevolg daarvan zal [voornaam minderjarige 1] van zijn moeder en zijn broer [voornaam minderjarige 2] worden gescheiden. De rechtbank ziet dit als een eigen (vrijwillige) keuze van de moeder, nu de moeder geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die er aan in de weg staan dat zij met [voornaam minderjarige 1] naar België mee (terug)verhuist. Daarmee verwerpt de rechtbank eveneens het beroep van de moeder op artikel 8 van het EVRM.

Zoals hiervoor reeds overwogen dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen. Voorop staat dat de fundamentele rechten van kinderen en ouders worden geacht te zijn geïncorporeerd in het Verdrag.

Beroep op artikel 9 IVRK

De rechtbank gaat eveneens voorbij aan het beroep van de moeder op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Artikel 9 van het IVRK ziet erop dat een kind niet gescheiden wordt van zijn ouders tegen zijn wil. Hiervan is bij een teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] geen sprake, nu hij zelf heeft aangegeven dat hij terug wil naar België, waarna hij in het weekend zijn moeder en [voornaam minderjarige 2] kan bezoeken. Bovendien geldt ook hier dat, voor zover de moeder de beslissing neemt om niet met [voornaam minderjarige 1] mee terug te gaan naar België, de rechtbank dit als een eigen keuze van de moeder beschouwt die aan een teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] niet in de weg mag staan.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b, artikel 13 lid 2 en artikel 20 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van de in artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag genoemde weigeringsgrond – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [voornaam minderjarige 1] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige 1] te volgen.

De vader heeft verzocht [voornaam minderjarige 1] primair terug te geleiden naar het woonadres van de vader, subsidiair naar België.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vraag bij wie en waar [voornaam minderjarige 1] zijn uiteindelijke woonplaats moet hebben als de teruggeleiding wordt gelast, beantwoord te worden in de tussen de ouders in België aanhangig gemaakte bodemprocedure en past deze vraag niet in deze procedure waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het niet in lijn is met de aard en strekking van het verdrag om teruggeleiding te gelasten naar een specifiek adres. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verzoek van de vader om de teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] te gelasten naar een specifiek adres in België.

De rechtbank zal daarom de teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] bevelen op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel [voornaam minderjarige 1] terug te geleiden naar België.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [voornaam minderjarige 1] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 13 juli 2020, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [voornaam minderjarige 1] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Ten overvloede

De Raad heeft er ter zitting op gewezen dat zowel de vader als de moeder belangrijk zijn in het leven van [voornaam minderjarige 1] en dat het in het belang van [voornaam minderjarige 1] is dat moeder bij een teruggeleiding van [voornaam minderjarige 1] naar België meegaat naar België opdat [voornaam minderjarige 1] niet van zijn moeder en broertje gescheiden raakt. De Raad heeft de vader en de moeder geadviseerd alsnog te overwegen om met elkaar in crossborder mediation te gaan, te meer nu de vader heeft aangegeven dat ook hij niet wenst dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] van elkaar gescheiden worden. De Raad heeft er op gewezen dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] er recht op hebben dat de vader en de moeder hun geschil in goed onderling overleg oplossen. De rechtbank sluit zich aan bij dit advies van de Raad.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , België,

naar België uiterlijk op 13 juli 2020, waarbij de moeder [voornaam minderjarige 1] dient terug te brengen naar België en beveelt, indien de moeder nalaat [voornaam minderjarige 1] terug te brengen naar België, dat de moeder [voornaam minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 13 juli 2020, opdat de vader [voornaam minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar België;

wijst af het meer of anders verzochte;

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 26 juli 2020 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.T.W. van Ravenstein, L. Koper en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2020.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.