Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5784

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8046 en AWB - 18_9426
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 14 lid 4 RWN (intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring).

Artikel 8:29 Awb en bijzondere positie ambtshalve toegevoegde advocaat

Geen toestemming verleend ex 8:29 Awb voor inzage onderliggende stukken ambtsbericht AIVD

De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit het ambtsbericht terecht heeft afgeleid dat boven redelijke twijfel verheven is dat (...) de door IS nagestreefde doelen onderschrijft en voor of ten behoeve van die organisatie handelingen heeft verricht. Verweerder heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht. Geen tegenbewijs geleverd. Er is geen strijd met het verbod van discriminatie. Verweerder heeft de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap uitgeoefend in overeenstemming met de Unierechtelijke beginselen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/8046 en SGR 18/9426

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres,

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 7 november 2018 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) en haar tot ongewenst vreemdeling verklaard. Aan de besluiten ligt een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 12 maart 2018 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 5 december 2018 in kennis gesteld van deze besluiten. Met deze kennisgeving wordt eiseres geacht beroep te hebben ingesteld tegen deze besluiten.

Mr. C.F. Wassenaar (hierna: de gemachtigde) heeft zich gesteld als raadsman van eiseres en heeft op 11 oktober 2019 de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 31 december 2019 heeft de gemachtigde de gronden aangevuld.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister), die geen partij is, bij brief van 20 november 2019 verzocht inzage te geven in de stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht. Bij brief van

29 november 2019 heeft de minister de rechtbank onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht.

Bij beslissing van 9 december 2019 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisname van de stukken die aan het ambtsbericht ten

grondslag liggen gerechtvaardigd is. Bij brief van diezelfde datum heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen. Bij brief van 11 december 2019 heeft de gemachtigde meegedeeld dat hij de gevraagde toestemming niet kan geven vanwege het ontbreken van de bevoegdheid daartoe.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 13 januari 2020 een reactie gegeven op de aanvullende gronden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. De beroepen zijn ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen met zaaknummers SGR 18/8042 en SGR 18/9422, SGR 19/1255 en SGR 19/1254, SGR 19/2038 en SGR 19/2344 en SGR 19/3613 en SGR 19/4534).

Na de zitting zijn de zaken gesplitst en is afzonderlijk uitspraak gedaan.

De gemachtigde heeft eiseres ter zitting vertegenwoordigd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren

[A] , [B] en [C] voor verweerder aanwezig.

Overwegingen

1. Eiseres is op [geboortedatum 1] geboren in [geboortedatum 1] uit ouders met de Marokkaanse nationaliteit. Op grond daarvan heeft eiseres van rechtswege de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Bij Koninklijke Besluiten van respectievelijk 31 augustus 2004 en 27 juni 2005 is aan de ouders van eiseres het Nederlanderschap verleend. Daarbij werd van de ouders van eiseres niet verlangd om afstand te doen van de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft als minderjarig kind gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van haar vader. Sinds 31 augustus 2004 staat eiseres in de Basisregistratie personen (hierna: BRP) onafgebroken geregistreerd als (tevens) van Nederlandse nationaliteit. Op 8 oktober 2014 is eiseres wegens vertrek uit Nederland uitgeschreven uit de BRP van de gemeente [plaats] naar de Registratie Niet-Ingezetenen.

Op 12 maart 2018 heeft de AIVD een individueel ambtsbericht uitgebracht over eiseres.

Het ambtsbericht luidt als volgt:

“In het kader van zijn wettelijke taakuitvoering beschikt de Algemene Inlichtingen- en

Veiligheidsdienst (AIVD) over de volgende betrouwbare informatie met

betrekking tot:

[eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboortedatum 1] , is volgens de BRP

per 05 oktober 2014 met onbekende bestemming uitgeschreven.

Betrokkene is tenminste sinds eind 2013 in Syrië. Zij is vermoedelijk daar in het

(Islamitisch) huwelijk getreden met de inmiddels mogelijk overleden Belgische

strijder [D] ( [geboortedatum 2] ).

Betrokkene heeft tenminste in 2017 een leidinggevende rol vervuld bij het

‘Nusaybah bataljon’ een onderdeel van ISIS. Dit betreft een bataljon, opgericht in

vermoedelijk mei 2017, geheel bestaand uit vrouwen met gevechts- en

zelfmoordaanslag eenheden, mogelijk ook buiten Syrië en Irak.

Betrokkene heeft zeer waarschijnlijk in Syrië twee kinderen gekregen, van wie de

vermoedelijke vader haar overleden echtgenoot betreft. Het betreft een dochter

[minderjarige 1] , fonetisch) en een zoon ( [minderjarige 2] , fonetisch), van vermoedelijk

ongeveer 3 en 1 jaar oud.

Op basis van bovenstaande informatie beschouwt de AIVD betrokkene als een

gevaar voor de nationale veiligheid.”

2. Bij afzonderlijke besluiten van 7 november 2018 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken en haar tot ongewenst vreemdeling in de zin van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 verklaard wegens gevaar voor de nationale veiligheid en in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

3 Intrekking van het Nederlanderschap (SGR 18/8046)

De intrekking van het Nederlanderschap is gebaseerd op artikel 14, vierde lid, van de RWN.

Deze bepaling luidt als volgt:

Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.

Artikel 14, vierde lid, van de RWN is in werking getreden op 1 maart 2017. Bij de inwerkingtreding van deze bepaling is geen overgangsrecht vastgesteld. Bij besluit van

2 maart 2017, in werking getreden op 11 maart 2017, heeft de minister van Veiligheid en Justitie de lijst met organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de RWN, vastgesteld (Staatscourant 2017, nr. 2050307). Op deze lijst staan de volgende organisaties vermeld:

1. Al Qa’ida en organisaties die gelieerd zijn aan al Qa’ida 2. Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS) en organisaties die gelieerd zijn aan ISIS 3. Hay’at Tahrir al-Sham.

Gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:990 en ECLI:NL:RVS:2019:1246) dient verweerder aan te tonen dat de aansluiting van betrokkenen bij de organisaties die op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de RWN vermeld staan, ten minste heeft voortgeduurd tot en met 11 maart 2017, zijnde de datum waarop het besluit tot vaststelling van de lijst in werking is getreden.

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht, op het standpunt gesteld dat de inhoud van het ambtsbericht van de AIVD van 12 maart 2018 geen twijfel laat bestaan over de vraag of eiseres zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie, en voor of ten behoeve daarvan (leidinggevende) handelingen (heeft) verricht. Verder heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van gedragingen of daarmee verband houdende feiten of omstandigheden op grond waarvan de conclusie dat betrokkene zich heeft aangesloten bij bedoelde organisatie niet langer is gerechtvaardigd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

In de Memorie van Toelichting (MvT) op het wetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan het bepaalde in artikel 14, vierde lid, van de RWN (Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3, onderdeel 5) staat onder meer vermeld dat aansluiting een sterk feitelijk begrip is, dat afhangt van de individuele omstandigheden van het geval. Aansluiting zal in alle gevallen moeten blijken uit de gedragingen van betrokkene. Voor zover er sprake is van aansluiting in de zin van het artikel, dienen twee voorwaarden te worden vervuld: 1. op grond van gedragingen van betrokkene kan worden vastgesteld dat boven redelijke twijfel verheven is dat hij de door de terroristische organisatie nagestreefde doelen onderschrijft en de intentie heeft om zich aan te sluiten bij de organisatie; en 2. betrokkene verricht feitelijke handelingen voor of ten behoeve van de terroristische organisatie. Bij aansluiting gaat het dus steeds, aldus de MvT, om een combinatie van feitelijke handelingen en de intentie zoals deze uit gedragingen van betrokkene kenbaar wordt. Het is geen voorwaarde dat betrokkene zelf geweld heeft gebruikt.

Uit de Memorie van Antwoord blijkt dat de aansluiting bij een organisatie zal moeten blijken uit de gedragingen van betrokkene, waarvoor doorgaans een ambtsbericht van de AIVD voorhanden is. Dit ambtsbericht kan gebaseerd zijn op een veelheid van bronnen en van geval tot geval zal moeten worden bepaald wanneer er sprake is van voldoende zekerheid over de feiten (Kamerstukken I 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. C, onderdeel 4).

4.2.

Verweerder heeft de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres gebaseerd op een ambtsbericht van de AIVD. Zoals blijkt uit het procesverloop heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank geen toestemming verleend om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen. Voorafgaande aan de inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.

Niet verlenen toestemming artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb

De gemachtigde stelt zich kortgezegd op het standpunt dat verweerder de inhoud van het ambtsbericht van de AIVD niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe voert hij onder andere aan dat de feiten vermoedens betreffen dan wel een waarschijnlijkheidsgehalte hebben. Verder voert hij aan dat de AIVD de feiten voor een heel ander doel heeft verzameld en de wijze waarop de feiten zijn verzameld en gekwalificeerd en de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen niet te controleren zijn. De inhoud van het ambtsbericht levert een onvoldoende feitelijke grondslag op voor intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN.

Verder betoogt de gemachtigde dat de rechtbank de feiten vol moet toetsen en de feitenvaststelling ook vol zal moeten controleren. De gemachtigde stelt dat indien dit slechts via een procedure als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb kan, zijn bevoegdheid als amicus curiae niet zo ver gaat dat hij de rechtbank de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kan geven of weigeren. Hierdoor kan de rechtsbescherming, en dan met name de ongelijkheidscompensatie, volgens de gemachtigde niet zijn beslag krijgen. De rechtbank kan, gelet op de onbevoegdheid van de amicus, ook geen kennis nemen van de bewijsmiddelen en moet het beroep, om de reden dat er geen controle van de feiten en bewijsgaring kan plaatsvinden, gegrond verklaren.

De rechtbank deelt niet de opvatting van de gemachtigde dat hij niet bevoegd is om de gevraagde toestemming te verlenen, omdat hij geen partij is en niet handelt namens eiseres, maar optreedt als amicus curiae. Noch de tekst van artikel 22a van de RWN noch de wetsgeschiedenis bevat een aanknopingspunt voor de opvatting dat een raadsman die op grond van het bepaalde in artikel 22b, vijfde lid, van de RWN aan de betrokkene is toegevoegd, over minder bevoegdheden zou beschikken dan een ‘gewone’ gemachtigde. Uit de MvT (Kamerstukken TK 2015-2016, 34 356 (R2064), onderdeel 7) blijkt dat het voorstel van de NOVA dat de ambtshalve toegevoegde advocaat evenals de rechtbank kennis zou mogen nemen van de geheime stukken, niet is gevolgd maar dat naar het oordeel van de wetgever met de mogelijkheden voor inzage in de geheime stukken door de rechtbank voldoende garantie bestaat voor een integraal oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. In de MvT is overigens ook gewezen op de gevolgen van het weigeren van toestemming. De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat er geen belemmering zou moeten bestaan voor de ambtshalve toegevoegde raadsman om de op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gevraagde toestemming te verlenen.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat de procedure als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb met zodanige waarborgen is omkleed, dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast. Deze procedure, waarbij uitsluitend de rechter kennis mag nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht na toestemming van partijen, voldoet aan het vereiste dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ EU) aan artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) stelt in het arrest ZZ van 4 juni 2013 (C-300/11) dat de rechter erop toeziet dat ingeval de redenen die ten grondslag liggen aan een besluit en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal door de bevoegde nationale autoriteit niet nauwkeurig en volledig bekend wordt gemaakt aan de betrokkene, dit beperkt blijft tot het strikt noodzakelijke, en dat aan de betrokkene hoe dan ook de essentie van die redenen op zodanige wijze wordt meegedeeld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de noodzakelijke vertrouwelijkheid van het bewijsmateriaal.

Gelet op het betoog van de gemachtigde van eiseres dat hij de toestemming niet kan verlenen of weigeren omdat hij niet bevoegd is een dergelijke procesbeslissing te nemen, gaat de rechtbank er van uit dat de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb niet is verleend. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank geen kennis kunnen nemen van de informatie die ten grondslag ligt aan het ambtsbericht en kunnen beoordelen of de onderliggende stukken de inhoud van het ambtsbericht kunnen dragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:426) zijn de gevolgen hiervan in beginsel voor risico van eiseres. Van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat hierop in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt, is niet gebleken. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank dan ook uit van de juistheid van de inhoud van het ambtsbericht.

De rechtbank volgt niet het standpunt van de gemachtigde van eiseres dat verweerder onvoldoende aan zijn vergewisplicht in de zin van artikel 3:9 van de Awb heeft voldaan door enkel af te gaan op het ambtsbericht. De rechtbank overweegt daartoe dat uit vaste jurisprudentie volgt (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1278 en 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1582) dat, indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in dit ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, voor het bestuursorgaan dat beslist over de verkrijging van het Nederlanderschap geen aanleiding bestaat om de aan dit ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de betrokkene concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit ambtsbericht naar voren heeft gebracht. Verder volgt hieruit dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat door de AIVD verricht onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat vermelding van de aan een ambtsbericht van de AIVD ten grondslag liggende bron, dan wel bronnen, achterwege mag blijven wegens de vertrouwelijkheid ervan.

4.4.

Het ambtsbericht

Uit het ambtsbericht van 12 maart 2018 blijkt dat eiseres zich heeft aangesloten bij de terroristische organisatie IS (ISIS) en dat die aansluiting heeft voortgeduurd tot na 11 maart 2017. Op basis van de informatie van de AIVD over het verrichten van handelingen ten behoeve van deze organisatie, namelijk dat eiseres een leidinggevende rol heeft vervuld bij het Nusaybah bataljon, heeft verweerder terecht afgeleid dat boven redelijke twijfel verheven is dat eiseres de door de terroristische organisatie nagestreefde doelen onderschrijft en voor of ten behoeve van die organisatie handelingen heeft verricht. Verweerder heeft aan zijn motiveringsplicht voldaan. Eiseres heeft geen tegenbewijs geleverd. Gesteld noch gebleken is dat eiseres zich ten tijde van belang van het jihadistische gedachtegoed heeft afgekeerd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan anderszins zou moeten worden afgeleid dat eiseres niet langer een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is niet gebleken.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de informatie uit het ambtsbericht bevoegd was tot intrekking van het Nederlanderschap van eiseres over te gaan.

5. De rechtbank zal in het navolgende ingaan op de gronden van het beroep.

5.1.

Samenloop met het strafrecht

De gemachtigde van eiseres wijst erop dat in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) van belang wordt geacht dat indien en voorzover de bevoegdheid op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN bestaat, gewogen wordt of de belangen van de strafvervolging maken dat toch moet worden afgezien van het gebruikmaken van de bevoegdheid. In het bestreden besluit ontbreekt volgens de gemachtigde een duidelijk kenbare belangenafweging. Dit had volgens de gemachtigde van eiseres wel moeten gebeuren omdat voorkomen moet worden dat sprake is van willekeur.

In het dossier is een brief opgenomen van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van

2 augustus 2018. In deze brief staat vermeld dat het intrekken van het Nederlanderschap en de daarmee gepaard gaande ongewenstverklaring in meerdere opzichten een onaanvaardbare doorkruising oplevert van de belangen van opsporing, vervolging en berechting. Dit geldt ten aanzien van de wereldwijde signalering van eiseres in het belang van het strafrechtelijk onderzoek; eiseres is strafrechtelijk wereldwijd gesignaleerd in verband met een verdenking van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Ook heeft het OM verweerder nog in overweging gegeven dat intrekking van het Nederlanderschap consequenties heeft voor de rechtsmacht van het OM ten aanzien van nieuwe strafrechtelijke gedragingen van eiseres in het buitenland. Eventuele nieuwe informatie, die na de datum van intrekking ten aanzien van eventuele strafbare gedragingen van eiseres bekend wordt, kan mogelijk niet leiden tot opsporing en vervolging ten aanzien van deze strafbare feiten.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het belang van strafvervolging geen belang is dat het belang van eiseres (in deze bestuursrechtelijke procedure) beoogt te beschermen. Subsidiair stelt verweerder dat daaraan niet af doet dat de beoordeling door de rechtbank zich niet hoeft te beperken tot de aangevoerde gronden.

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat in het bestreden besluit tot intrekking van het Nederlanderschap voldoende is ingegaan op de opmerkingen van het OM en verwijst naar de Handleiding waarin is opgenomen hoe in het algemeen de belangen van eventuele strafrechtelijke vervolging worden gewogen (§ 2.1 van de toelichting in de Handleiding op artikel 14, vierde lid, van de RWN).

In artikel 1, aanhef, en onder b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: BVVN) is bepaald dat verweerder bij het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN rekening houdt met onder meer het eventuele belang van opsporing, vervolging en berechting van betrokkene en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In de toelichting op de wetsbepaling (zie Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3 blz 8 onderaan) staat hierover onder meer vermeld dat tenuitvoerlegging van de opgelegde straf uiteraard wordt bemoeilijkt als betrokkene het Nederlanderschap is ontnomen en hij als ongewenst vreemdeling geen toegang tot Nederland meer heeft. Daarnaast dient te worden voorkomen dat een strafrechtelijk onderzoek op een ontijdig moment zou worden doorkruist door de intrekking van het Nederlanderschap.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 8:69a van de Awb niet in de weg staat aan de beoordeling van deze beroepsgrond. Tegen een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN staat ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de RWN rechtstreeks beroep open bij de rechtbank. Er is niet voorzien in een voorafgaande zienswijzeprocedure en evenmin in de mogelijkheid tot het maken van bezwaar, in welke procedures het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen. In artikel 22a, vijfde lid, van de RWN is een integrale en indringende rechterlijke toetsing van het besluit voorgeschreven. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb, nog afgezien van het feit dat, bijvoorbeeld, gebruikmaking van het aanwezigheidsrecht wel een belang is dat eiser kan raken.

Gelet op de wetsgeschiedenis is de mogelijkheid van intrekking van het Nederlanderschap bedoeld als aanvulling op het bestaande -strafrechtelijke- instrumentarium. De inzet van het strafrecht kan immers niet voorkomen dat een uitreiziger die geoefend is in het gebruik van geweld of het gebruik van geweld heeft gefaciliteerd, terugkeert naar Nederland. Veroordeling bij verstek heeft weinig effect zolang betrokkene in het buitenland is, omdat de eventuele straf niet kan worden geëxecuteerd. Vanwege het belang van bescherming van de nationale veiligheid en het voorkomen van mogelijke aanslagen bij terugkeer is het, aldus de wetgever, bezwaarlijk te wachten met intrekken van het Nederlanderschap totdat betrokkene is teruggekeerd en strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld (Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064) nr. 3 blz 3 en 4).

De intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN is mogelijk indien uit gedragingen blijkt dat betrokkene zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die op de lijst is geplaatst en die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid bestaat om de ongewenstverklaring van eiseres tijdelijk op te heffen voorzover dat voor de strafrechtelijke procedure noodzakelijk is en dat dit uitgangspunt alleen relevant is als eiseres op enig moment in het licht van de wereldwijze signalering wordt aangehouden en de komst naar Nederland wegens een stafrechtelijke procedure aan de orde zou zijn, zodat de signalering ter fine van uit- of overlevering kan blijven staan en indien van toepassing ook kan worden uitgevoerd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit tot intrekking van het Nederlanderschap voldoende rekening gehouden met de belangen zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder b, van het BVVN. De beroepsgrond dat verweerder de belangen niet kenbaar heeft afgewogen en het bestreden besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd, slaagt niet.

5.2.

Verbod van willekeur

De gemachtigde van eiseres betoogt dat sprake is van een willekeurige wetstoepassing van het bepaalde in artikel 14, vierde lid, van de RWN. In dit kader voert hij onder andere aan

dat onduidelijk is op welke beleidsmatige gronden bipatride Nederlanders het Nederlanderschap wordt ontnomen op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN. Verder stelt de gemachtigde dat onduidelijk is waarom eiseres is geconfronteerd met intrekking van het Nederlanderschap en anderen tot op heden blijkbaar niet. Hierbij stelt de gemachtigde dat de regeling over minder dan twee jaar zal komen te vervallen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van willekeur bij de gebruikmaking van de in artikel 14, vierde lid, van de RWN neergelegde bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap geen sprake is. Verweerder gaat over tot intrekking indien over voldoende informatie wordt beschikt op grond waarvan tot intrekking kan worden overgegaan. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de informatie doorgaans uit strafzaken naar voren komt of vanuit de AIVD. In het geval de AIVD informatie heeft die nuttig is voor de IND, dan wordt die informatie verstrekt, tenzij het gaat om informatie die de AIVD niet kan verstrekken omdat andere veiligheidsdiensten niet willen dat die informatie wordt gedeeld. Verder stelt verweerder dat de wijze waarop van de bevoegdheid gebruik is gemaakt, is neergelegd in de Handleiding.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de handelwijze van verweerder strijdig is met het verbod van willekeur. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat consistent gehandeld wordt bij het gebruiken van de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap in de gevallen dat sprake is van aansluiting bij een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de RWN. De omstandigheid dat artikel 14, vierde lid, van de RWN een zogenoemde horizonbepaling betreft die op 1 maart 2022 zal komen te vervallen, maakt nog niet dat sprake is van handelen in strijd met het verbod op willekeur. Deze bepaling heeft tot doel dat vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de RWN opnieuw zal worden nagedacht over de wenselijkheid van de maatregel.

5.3.

Verbod van discriminatie

De gemachtigde van eiseres betoogt, samengevat, dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling voor de wet. De gemachtigde doet daarbij een beroep op artikel 2 van de Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (hierna: de Richtlijn), artikel 21 van het Handvest, de arresten Micheletti (HvJ EU van 7 juli 1992, ECLI:EU:C:1992:295), Rottmann (HvJ EU van 2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104) en Tjebbes (HvJ EU van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189), de artikelen 8 en 14 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 5, aanhef en onder a, en onder d, ten derde, van het Internationaal verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (hierna: het ICERD) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR). Met de intrekking wordt een ongerechtvaardigd direct onderscheid gemaakt tussen mono- en bipatride Nederlanders nu de maatregel niet van toepassing is op uitreizigers met enkel de Nederlandse nationaliteit. Bovendien wordt een indirect onderscheid gemaakt naar ras, etnische afkomst of religie omdat enkel Nederlanders met een niet-Westerse identiteit door de maatregel worden geraakt. De gemachtigde verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de arresten Jyske Finans A/S (HvJ EU van 6 april 2017, ECLI:EU:C:2017:278), CHEZ Razpredelenie Bulgaria AD (HvJ EU van 16 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:480) en het arrest Biao van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM van 25 maart 2014, ECLI:EU:C:2003:3), naar het rapport van de UN Special Rapporteur on contemporary forms of racism, racial discrimination, xenophobia and related intolerance van 23 oktober 2018 en naar een onderzoek van de VU Migration Law Clinic van juli 2018. Voorts dient de maatregel geen legitiem doel en is zij niet proportioneel, aldus de gemachtigde.

Het beginsel van non-discriminatie is onder meer gecodificeerd in het Handvest. Ingevolge artikel 21 is elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verboden. Ingevolge het tweede lid van artikel 21 van het Handvest is, binnen de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie en onverminderd de bijzondere bepalingen van die Verdragen, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 heeft het Handvest dezelfde juridische waarde als de Verdragen (zie artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie). Artikel 14 van het EVRM verbiedt discriminatie ten aanzien van de rechten en vrijheden die het verdrag waarborgt. In protocol 12 bij het EVRM is een algemeen discriminatieverbod vastgesteld ten aanzien van "elk in de wet neergelegd recht". Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (hierna: het EVN) mogen de regels inzake nationaliteit van een Staat die partij is bij het Verdrag geen onderscheid bevatten of gebruiken inhouden die neerkomen op discriminatie op grond van geslacht, godsdienst, ras, kleur of nationale of etnische afkomst. In het tweede lid van artikel 5 van het EVN is bepaald dat elke Staat die partij is, zich laat leiden door het beginsel van non-discriminatie tussen zijn onderdanen, ongeacht het feit of zij onderdaan door geboorte zijn of de nationaliteit van de Staat later hebben verkregen.

De bevoegdheid op grond waarvan het Nederlanderschap van personen met een meervoudige nationaliteit met toepassing van artikel 14, vierde lid, van de RWN kan worden ingetrokken, is niet gebaseerd op nationaliteit(en) of op onderscheid naar ras, etnische afkomst of geloofsachtergrond maar op (individuele) gedragingen die de nationale veiligheid raken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de MvT waarin uitvoerig op de achtergronden van de invoering van de maatregel is ingegaan. De intrekkingsgrond van artikel 14, vierde lid, van de RWN kan in beginsel op iedere Nederlander, ongeacht achtergrond of (meervoudige) nationaliteit, worden toegepast die zich heeft aangesloten bij een op de lijst geplaatste terroristische organisatie die een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De maatregel zelf leidt derhalve niet tot het onderscheid tussen Nederlanders met uitsluitend de Nederlandse nationaliteit en Nederlanders die naast de Nederlandse nationaliteit nog een of meer andere nationaliteiten bezitten, maar het gedrag dat aan het opleggen van die maatregel ten grondslag ligt. Van een direct onderscheid op grond van ras/etnische afkomst/religie of van een direct onderscheid op grond van nationaliteit is dan ook geen sprake.

Het betoog dat (vrijwel) alleen Nederlanders met een niet-Westerse achtergrond door de maatregel worden geraakt zodat sprake is van ongelijke behandeling in de zin van de artikelen 8 en 14 van het EVRM slaagt niet. Voor zover dit effect wordt veroorzaakt doordat alleen van Nederlanders met een meervoudige nationaliteit de nationaliteit kan worden ingetrokken en van Nederlanders met een enkelvoudige nationaliteit niet, nu van die laatste categorie ter voorkoming van staatloosheid de nationaliteit niet kan worden ingetrokken, acht de rechtbank dit onderscheid om de volgende reden objectief gerechtvaardigd.

Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN volgt dat intrekking van de nationaliteit mogelijk is indien sprake is van gedrag dat de essentiële belangen van de Staat ernstig schaadt. Aansluiting bij een op de lijst geplaatste terroristische organisatie die een gevaar vormt voor de nationale veiligheid dient naar het oordeel van de rechtbank gekwalificeerd te worden als gedrag dat de essentiële belangen van de Staat ernstig schaadt. Europeesrechtelijk bezien was en is intrekking van de nationaliteit onder dergelijke omstandigheden dus al eerder mogelijk. Tegelijkertijd houdt ook het EVN de kernverplichting overeind dat staatloosheid dient te worden vermeden. Het niet overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap indien dit leidt tot staatloosheid is een van de kernverplichtingen waaraan ook Nederland zich heeft gebonden in het kader van de bestrijding van staatloosheid. De onderhavige regeling is dan ook in lijn met het EVN en het gestelde indirecte onderscheid is dan ook objectief gerechtvaardigd omdat bescherming tegen staatloosheid de grond is om in het ene geval wel en in het andere geval niet tot intrekking van het Nederlanderschap over te gaan. Het indirecte onderscheid is, met andere woorden, dan ook inherent aan de bescherming tegen staatloosheid. De rechtbank acht de onderhavige maatregelen verder ook passend en noodzakelijk in het belang van bescherming van de nationale veiligheid en eveneens in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals hierna onder 5.4. (toetsing aan het Unierecht) nader zal worden uiteengezet.

De verwijzing naar de arresten Jyske Finans, CHEZ Razpredelenie Bulgaria AD en Biao treft daarom geen doel.

De rechtbank deelt verder het standpunt van verweerder dat ook het Verdrag tot beperking der Staatloosheid van 30 augustus 1961, Trb 1967, nr 124, niet in de weg staat aan intrekking van de nationaliteit wegens aansluiting bij een terroristische organisatie op grond van artikel 14, vierde lid, RWN, nu die intrekking niet mogelijk is indien dit leidt tot staatloosheid. Dat verdrag verbiedt immers alleen het ontnemen van de nationaliteit van een onderdaan indien dat staatloosheid met zich zou brengen. Het feit dat Nederland indertijd geen voorbehoud heeft gemaakt als bedoeld in artikel 8, derde lid, van dat verdrag heeft reeds hierom geen betekenis, noch daargelaten dat zodanig voorbehoud alleen kon zien op indertijd bestaande nationale regelgeving.

De door de gemachtigde van eiseres genoemde rapporten van de UN Special Rapporteur en de VU Migration Law Clinic doen aan vorenstaande niet af nu, zoals hiervoor is overwogen, van een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van etnische afkomst geen sprake is.

Ten aanzien van het beroep op de Richtlijn overweegt de rechtbank dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Richtlijn, niet van toepassing is omdat de werkingssfeer daarvan is beperkt tot verschillende onderwerpen die behoren tot het sociaal domein. Het kunnen genieten van sociale voordelen in een land hangt primair samen met rechtmatig verblijf en niet met nationaliteit. In artikel 3, tweede lid, van de Richtlijn staat uitdrukkelijk vermeld dat deze richtlijn niet van toepassing is op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit.

Het betoog van de gemachtigde over het arrest Micheletti slaagt niet. Anders dan in die zaak gaat het hier niet om de gevolgen van het bezit van een nationaliteit van een andere lidstaat. Het geven van voorrang aan de (in het geval van eiseres) Marokkaanse nationaliteit (zoals het geval was bij de Argentijnse nationaliteit van Micheletti) boven de nationaliteit van een lidstaat van de Unie (zoals de Nederlandse), is hier niet aan de orde.

De gemachtigde betoogt voorts dat, anders dan in het arrest Rottmann het geval was, in het geval van eiseres fraude bij het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit niet aan de orde was en stelt daarbij dat betwijfeld moet worden of in dit geval sprake is van een dergelijke loyaliteitsbreuk. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder het begrip ‘loyaliteitsbreuk’ nader zal moeten duiden en uitleggen waarom monopatride Nederlanders niet met zo een loyaliteitsbreuk worden geconfronteerd en Nederlanders zoals eiseres wel en dat terwijl uit het arrest Rottmann blijkt dat staatloosheid in zo een geval door de Unierechter niet als problematisch wordt gezien.

Het betoog slaagt niet. De reden dat van de intrekking van het Nederlanderschap in geval van enkelvoudige nationaliteit wordt afgezien, is gelegen in het feit dat staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. De rechtbank ziet reeds hierom geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen, zoals dat in één van de andere zaken is bepleit.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de intrekkingsgrond van artikel 14, vierde lid, van de RWN in beginsel van toepassing op een ieder die het Nederlanderschap bezit. De verplichting staatloosheid te voorkomen staat er aan in de weg het Nederlanderschap in te trekken van iemand die enkel de Nederlandse nationaliteit bezit en vormt een toereikende rechtvaardiging voor het gestelde indirecte onderscheid. De verwijzing door de gemachtigde naar de zaak Biao (HvJ EU van 5 maart 2017, ECLI:EU:C:2003:3) gaat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet op nu het in die zaak ging om een kwestie van een geheel andere orde, namelijk het onderscheid in het recht op gezinshereniging tussen Denen die sinds 28 jaar de Deense nationaliteit bezitten dan wel gedurende 28 jaar in Denemarken wonen, en andere Denen.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met het verbod van (indirecte) discriminatie.

5.4.

Toetsing aan het Unierecht

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder van zijn bevoegdheid in dit geval op de juiste wijze gebruik heeft gemaakt. Gelet op het feit dat de intrekking van het Nederlanderschap tot gevolg heeft dat eiseres eveneens de status van Unieburger verliest (arrest van het HvJ EU van 12 maart 2019, Tjebbes e.a., ECLI:EU:C:2019:189, punt 30-32) moet de rechtbank beoordelen of verweerder zijn bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap van eiseres met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen heeft uitgeoefend. Ingevolge het Rottmann-arrest (HvJ EU van 2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104, punt 41 en 45) dient deze beoordeling niet te worden beperkt tot een toets aan het evenredigheidsbeginsel.

De vraag of de maatregel een legitiem doel dient, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Uit de wetsgeschiedenis bij de inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de RWN volgt dat de intrekkingsbevoegdheid op grond van deze bepaling is ingevoerd om intrekking van het Nederlanderschap mogelijk te maken in het belang van de nationale veiligheid wegens deelname aan een terroristische organisatie zonder dat daarvoor een voorafgaande strafrechtelijke veroordeling is vereist. De ratio van de bepaling is de bescherming van het belang van de nationale veiligheid. Vanwege het onmiddellijke belang daarvan kan een strafrechtelijke veroordeling niet worden afgewacht. De maatregel dient om terroristische activiteiten in Nederland te voorkomen en geldt voor een specifieke groep personen, die op basis van hun individuele gedragingen een directe bedreiging vormen voor de nationale veiligheid (Kamerstukken I 2015-2016, 34 356 (R2064), blz 4).

Voor de vraag of de maatregel noodzakelijk is overweegt de rechtbank dat verweerder, onder verwijzing naar verschillende edities van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, het rapport 'Terugkeerders in beeld' van de AIVD van februari 2017 en eerder gepleegde aanslagen door zogeheten terugkeerders, er op heeft gewezen dat het risico bestaat dat terugkeerders aanslagen plegen en de binnenlandse jihadistische beweging versterken. Ook bestaat het gevaar dat zij anderen rekruteren voor de gewapende strijd. De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraken van 17 april 2019 heeft overwogen, daarmee de noodzaak van de maatregel in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid is aangetoond.

Ten aanzien van de proportionaliteit en de subsidiariteit overweegt de rechtbank als volgt. De intrekking van de nationaliteit is weliswaar een zwaar middel maar het doel van de maatregel -het belang van bescherming van de nationale veiligheid- rechtvaardigt dat hiervan gebruik gemaakt wordt indien aan de eisen voor toepassing van artikel 14, vierde lid, van de RWN is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daaraan in het geval van eiseres voldaan. Door de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring wordt de legale terugkeer van eiseres naar Nederland en het Schengengebied onmogelijk gemaakt en wordt de feitelijke terugkeer bemoeilijkt doordat eiseres zal worden gesignaleerd als ongewenst vreemdeling in verschillende systemen die kunnen worden geraadpleegd bij grenscontroles en uitgifte van visa. De rechtbank beoordeelt de maatregel als geschikt en passend om het doel te bereiken. Verweerder heeft terecht gesteld dat er geen alternatieven zijn die hetzelfde effect hebben als de onderhavige maatregel. De intrekking of vervallenverklaring van een paspoort is geen redelijk alternatief omdat dit, kort gezegd, het recht op terugkeer naar Nederland onverlet laat.

Het betoog van de gemachtigde dat intrekking van het Nederlanderschap geen geschikt middel is omdat er geen verband is aangetoond tussen de uitreis en de nationale veiligheid bij terugkeer van de uitreiziger slaagt niet. Verweerder heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat uit verschillende informatiebronnen is gebleken dat het risico bestaat dat terugkeerders aanslagen plegen, de binnenlandse jihadistische beweging versterken en het gevaar bestaat dat zij anderen rekruteren voor de gewapende strijd.

Ten aanzien van de evenredigheid overweegt de rechtbank dat uit de jurisprudentie van het HvJ EU, zoals het arrest Rottmann, en de weerslag daarvan in artikel 68c, eerste lid, onder c van het BVVN, volgt dat verweerder rekening dient te houden met de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap, indien dit ten gevolge van de intrekking van het Nederlanderschap optreedt. Verweerder heeft in het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de intrekking niet in strijd wordt geacht met het evenredigheidsbeginsel. Conform het Rottmann arrest (r.o. 55) heeft verweerder daarbij betrokken wat de gevolgen van de intrekking zijn voor de situatie van eiseres uit het oogpunt van het Unierecht. Verweerder heeft in dat kader overwogen dat niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk actief gebruik heeft gemaakt van haar EU-burgerschapsrechten en dat uit haar handelingen na haar vertrek uit Nederland niet kan worden afgeleid dat zij hecht aan het Unieburgerschap, waardoor aan het verlies van haar Unieburgerrechten een beperkt gewicht toekomt. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en neemt daarbij in aanmerking dat personen zoals eiseres, die naar Syrië zijn afgereisd om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie, er bewust voor hebben gekozen om Nederland en de Europese Unie te verlaten. Daaruit blijkt reeds dat eiseres, anders dan bijvoorbeeld in de zaak Rottmann, geen prijs stelt op behoud van het staatsburgerschap van Nederland en de Europese Unie. Van de belangen zoals omschreven in artikel 68c, eerste lid, onder d, van het BVVN, te weten de eventuele minderjarigheid en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, is niet gebleken, zodat verweerder daar in de belangenafweging geen rekening mee hoefde te houden.

Van onevenredigheid van de opgelegde maatregel ten opzichte van de individuele belangen van eiseres op grond van andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden is niet gebleken.

6 Ongewenstverklaring (SGR 18/9426)

In de wetsgeschiedenis die betrekking heeft op de samenloop van de besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN en de ongewenstverklaring staat vermeld dat de intrekking van het Nederlanderschap tot doel heeft iemand vanwege het feit dat deze zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die deelneemt aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, uit te sluiten van het Nederlanderschap met alle rechten en verplichtingen, waaronder het recht op toegang tot Nederlands grondgebied. Voorwaarde voor toepassing is dat betrokkene zich niet in het Koninkrijk bevindt. Een hierop volgende ongewenstverklaring van betrokkene is noodzakelijk om legale terugkeer te voorkomen (Kamerstukken II, 2015-2015, 34 356 (R2064), nr. 3 onderdeel 5).

De intrekking van het Nederlanderschap van eiseres heeft tot gevolg dat eiseres vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) met de Marokkaanse nationaliteit. Het besluit waarbij eiseres tot ongewenst vreemdeling is verklaard is gebaseerd op artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, voor zover hier van belang, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft voor de motivering van zijn besluit aangesloten bij de overwegingen uit het besluit van gelijke datum houdende de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN, waaruit onder meer blijkt dat eiseres zich in Syrië heeft aangesloten bij de terroristische organisatie ISIS en tenminste in 2017 een leidinggevende rol heeft vervuld bij het ‘Nusbaybah bataljon’.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat indien is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van het Nederlanderschap in beginsel ook is voldaan aan de voorwaarden voor de ongewenstverklaring (Kamerstukken II, 2015-2015, 34 356 (2064), nr. 3 onderdeel 5). Zoals hiervoor ten aanzien van het beroep tegen de intrekking is vermeld, heeft verweerder uit de beschikbare informatie terecht afgeleid dat boven redelijke twijfel verheven is dat eiseres de door de terroristische organisatie nagestreefde doelen onderschrijft en voor of ten behoeve van die organisatie handelingen heeft verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de ongewenstverklaring tot een ander oordeel te komen.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt omdat vast is komen te staan dat eiseres activiteiten heeft ontplooid voor een terroristische strijdgroep die op de sanctielijst van de Verenigde Naties en de Europese Unie is geplaatst. IS is op 30 mei 2013 op de sanctielijst van de VN geplaatst en op 1 juli 2013 op de sanctielijst van de EU als verboden terroristische organisatie. In dit verband heeft verweerder verwezen naar de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 29 oktober 2001 aangenomen resolutie 1373 (2001) waarin Staten worden opgeroepen maatregelen te treffen tegen internationaal terrorisme en naar de bijzondere verplichting van Nederland met de invoering van het Akkoord van Schengen jegens de overige lidstaten om in het kader van buitengrensbewaking het gemeenschappelijk grondgebied te vrijwaren van personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium voor toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw is voldaan.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de ongewenstverklaring dient te worden getoetst aan artikel 8 EVRM, hetgeen met name relevant zal zijn wanneer er familie- en gezinsleven in Nederland is (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 356 (R2064) nr. 3 blz 8 midden). In het besluit tot ongewenstverklaring is overwogen dat niet gebleken is dat eiseres in Nederland nog familie- of gezinsleven uitoefent, nu zij blijkens de registratie in de BRP op 8 oktober 2014 maar waarschijnlijker, blijkens informatie uit het ambtsbericht van de AIVD, eind 2013 uit Nederland is vertrokken en zij er zelf voor heeft gekozen zich definitief te vestigen in een door ISIS of een andere terroristische strijdgroep gecontroleerd gebied. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in zoverre terecht op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring niet in strijd is met het recht op privé- of familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Voor zover wel uitgegaan moet worden van privéleven en familie- of gezinsleven in Nederland, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring een gerechtvaardigde inmenging is. Door zich zelfstandig te vestigen in IS(IS)-gebied, heeft eiseres zelf de afweging gemaakt om niet langer feitelijk in de nabijheid van haar familieleden in Nederland te verblijven.

Verder volgt de rechtbank het door verweerder in zijn verweerschrift ingenomen standpunt dat het juist is dat de Nederlandse kinderen van eiseres het recht hebben om naar Nederland te komen en hier te verblijven, maar dat er geen absoluut recht is op grond waarvan vervolgens ook eiseres als verzorgende ouder in Nederland moet worden toegelaten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich hierbij terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM het verblijf van de verzorgende ouder hier te lande kan worden ontzegd op grond van bijvoorbeeld de openbare orde en de nationale veiligheid. Daarvan is in dit geval sprake, nu eiseres een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Van strijd met artikel 8 van het ERVM is dan ook geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd heeft besloten eiseres tot ongewenst vreemdeling te verklaren.

7. De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. M.M. Meijers en mr. A.E. Dutrieux, leden, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De uitspraak is gedaan op

14 april 2020.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.