Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5770

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
NL20.8371
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, art. 17 DVO, slachtoffer mensenhandel, kwetsbaar, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8371

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.8372, door middel van een Skype-beeldverbinding plaatsgevonden op 16 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Keijzer.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres komt uit Uganda. Zij heeft op 13 december 2019 een aanvraag gedaan tot verlening van een verblijfsvergunning asiel.

  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich dient te trekken. Volgens eiseres kan er ten aanzien van Duitsland niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft verder aangevoerd dat sprake is van systeemfouten in de Duitse asielprocedure, hetgeen leidt tot handelingen in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres verwijst hierbij naar de volgende stukken:

  • -

    de AIDA rapporten van maart 2018 en april 2019;

  • -

    het rapport van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 17 november 2017;

  • -

    het ‘Annual report on the human rights situation in 2018 (Germany)’ van Human Rights Watch (HRW) van 17 januari 2019;

  • -

    het ‘Country Report on Human Rights Practices 2018 – Germany’ van het US Department of State (USDOS) 13 maart 2019.

4. Uit bovenstaande rapporten volgt dat er diverse problemen zijn. Zo worden asielzoekers in Duitsland niet afdoende geïnformeerd over hun rechten, gebruikt de Duitse Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (BAMF) ongeschikte communicatie technieken, worden asielzoekers niet in de gelegenheid gesteld om hun aanvraag volledig te onderbouwen of beweerde inconsistenties of tegenstrijdigheden uit te leggen en zorgen fouten tijdens het tolken en vertalen ervoor dat de geloofwaardigheid van de asielzoeker ten onrechte in twijfel wordt getrokken. Dat het Duitse systeem van rechtsbijstand in overeenstemming is met de Procedurerichtlijn betekent nog niet dat sprake is van een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. Volgens eiseres zijn voornoemde aan het systeem gerelateerde tekortkomingen zodanig ingebakken in de wijze waarop in Duitsland asielaanvragen worden behandeld, dat het zodoende geen zin heeft hierover te klagen. Ook zal overdracht aan Duitsland leiden tot (indirect) refoulement, omdat eiseres in Duitsland het risico loopt om racisme en discriminatie te ervaren.

5. Eiseres stelt verder dat zij kwetsbaar is, omdat zij slachtoffer is van mensenhandel en seksueel misbruik. Dat eiseres aangifte heeft gedaan en het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten om het strafrechtelijk onderzoek te beëindigen betekent niet dat eiseres geen slachtoffer is van mensenhandel. Als gevolg van wat eiseres heeft meegemaakt, lijdt zij aan een post traumatisch stressstoornis (PTSS). Zij wordt hiervoor in Nederland behandeld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een uitdraai overgelegd van haar patiëntdossier gedateerd op 6 maart 2020. Nu Duitsland geen (wettelijke) regeling kent of een mechanisme om kwetsbare personen te identificeren, zal zij in Duitsland geen adequate opvang en medische behandeling krijgen. Daarnaast heeft eiseres in Nederland een goede klik met haar behandelaar en heeft zij hier inmiddels een netwerk opgebouwd. Voorts heeft wat haar is overkomen in Nederland plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk dat de Duitse autoriteiten in Nederland onderzoek gaan doen naar een in Nederland gepleegd strafbaar feit. Verweerder had daarom, ook als een vorm van compensatie van het hier aangedane leed, gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat

besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

7. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd daarin niet is geslaagd. Verweerder heeft terecht gesteld dat het rapport van AIDA van maart 2018 en van april 2019 in algemene zin onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat sprake zou zijn van structurele aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de Duitse asielprocedure die zo ernstig zijn dat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. In punt 60 van de considerans van de Procedurerichtlijn is voorts uitdrukkelijk opgenomen dat bij de bepalingen van die richtlijn het Handvest in acht is genomen, en dat de Procedurerichtlijn aldus een uitwerking van het bepaalde in het Handvest is. Nu het Duitse systeem van rechtsbijstandverlening in overeenstemming is met het bepaalde in de Procedurerichtlijn, kan in beginsel geen sprake zijn van strijd met artikel 47 van het Handvest, zoals is betoogd. Het rapport van het ECRE, dat niet specifiek over Duitsland gaat, biedt evenmin voldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport van HRW ook niet van systematische structurele tekortkomingen. Dat er een aantal voorvallen zijn geweest van geweld tegen vluchtelingen en asielzoekers in Duitsland, is onvoldoende voor de conclusie dat daarvan in Duitsland structureel sprake is, of dat Duitsland onvoldoende in staat zou zijn om vreemdelingen voldoende effectief te beschermen en dat er bij overdracht aan Duitsland sprake is van (indirect) refoulement. Het rapport van USDOS bevat geen andere informatie dan de bovenstaande rapporten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond1 van 26 juni 2019 waarin nagenoeg hetzelfde naar voren is gebracht en dit ook uitgebreid is besproken. Uit de passages uit het AIDA-rapport van april 2019 die eiseres noemt, kan niet worden geconcludeerd dat de opvang of medische zorg in Duitsland in de praktijk van zo’n aard is dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat Duitsland de internationale verplichtingen niet nakomt. Bij voorkomende problemen dient eiseres zich te wenden tot de (hogere) autoriteiten nu Duitsland gehouden is de internationale verplichtingen na te komen. Niet gebleken is, anders dan eiseres stelt, dat de mogelijkheid om te klagen voor haar niet bestaat, dan wel bij voorbaat zinloos is. Overigens blijkt uit het relaas van eiseres niet dat zij zelf te maken heeft gehad met de hiervoor genoemde tekortkomingen in de Duitse asielprocedure of dat zij hierover niet heeft kunnen klagen bij de Duitse autoriteiten.

8. Ten aanzien van het gestelde slachtofferschap van mensenhandel en seksueel misbruik overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken blijkt dat eiseres op 20 februari 2020 aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Het OM heeft in deze zaak op 7 mei 2020 besloten om geen vervolging in te stellen en geoordeeld dat de aanwezigheid van eiseres in Nederland niet noodzakelijk is in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. Verweerder heeft daarom aan eiseres geen tijdelijke verblijfsvergunning regulier verleend. De aangifte van mensenhandel en dat het gestelde leed zich hier zou hebben voorgedaan, staat de overdracht op grond van de Dublinverordening dan ook niet in

1. ECLI:NL:RBLIM:2019:5902.

de weg. Nog daargelaten de vraag of eiseres op dit moment onder actieve, specialistische behandeling staat voor PTSS, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is waar haar behandeling zou moeten plaatsvinden. Daarnaast heeft verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mogen gaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland en ook ter beschikking staan aan eiseres. Objectief persoonlijk bewijs voor de stelling dat eiseres in Duitsland medische zorg zal worden ontzegd, of daar structureel geen toegang toe zal hebben omdat zij niet als kwetsbaar/zorgbehoevend zal worden geïdentificeerd, ontbreekt.

Bij voorkomende problemen is eiseres gehouden zich hierover te beklagen bij de (hogere) autoriteiten. Niet gebleken is dat voor eiseres die mogelijkheid niet bestaat, zoals hiervoor reeds is overwogen. Dat eiseres hier in Nederland een goede klik heeft met haar behandelaar, zich hier veilig voelt en een netwerk heeft opgebouwd, zijn geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. In wat eiseres heeft aangevoerd heeft verweerder geen reden hoeven zien om het asielverzoek van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

19 juni 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.