Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5743

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
NL20.5556
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep Asiel. Aanvraag niet-ontvankelijk. Bescherming in Oostenrijk. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5556


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I.N. Schalken),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: R. Hopman).


Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

De rechtbank heeft op 9 juni 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1995] . Eiser heeft op 4 december 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser internationale bescherming geniet in Oostenrijk. Volgens verweerder heeft eiser op 9 mei 2014 een verzoek tot internationale bescherming ingediend in Oostenrijk en geniet hij sinds februari 2015 bescherming.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij weliswaar bescherming heeft gekregen in Oostenrijk maar dat zijn verblijfsvergunning niet meer geldig is vanaf februari 2020. Volgens eiser is zijn verblijfsvergunning ingetrokken en heeft hij daartegen geen bezwaar gemaakt omdat hij nooit een besluit heeft ontvangen. Eiser stelt dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar zijn verblijfsstatus in Oostenrijk. Hierbij speelt volgens eiser een rol dat het antwoord van de autoriteiten in Oostenrijk geen betrekking heeft op eiser. Het betreft een vreemdeling met een andere naam en geboortedatum die afkomstig is uit Afghanistan. Eiser verkeert in bewijsnood en verweerder dient hem daarom tegemoet te komen door er bij de Oostenrijkse autoriteiten op aan te dringen om meer informatie te geven over zijn huidige status.

4. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie uit een andere lidstaat dat een vreemdeling daar internationale bescherming geniet. Als deze informatie onvoldoende actueel is of onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling geeft, moet verweerder nader onderzoek doen naar de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer naar die andere lidstaat. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval heeft verweerder dus een vergewisplicht.1

5. De rechtbank stelt vast dat in een brief van de Oostenrijkse autoriteiten van 23 januari 2020 staat dat aan eiser internationale bescherming is verleend sinds februari 2015, dat er een intrekkingsprocedure aanhangig is en dat de status van eiser nog steeds geldig is. Op
30 januari 2020 is door verweerder aan de Oostenrijkse autoriteiten gevraagd om informatie te verschaffen over de terugkeer van eiser nu er een intrekkingsprocedure loopt. De autoriteiten van Oostenrijk hebben op 3 februari 2020 laten weten dat zij akkoord gaan met de terugkeer van eiser. In dit claimakkoord zijn echter de personalia van een andere vreemdeling vermeld. Op 24 maart 2020 hebben de Oostenrijkse autoriteiten nogmaals een brief gestuurd waarin staat dat zij akkoord gaan met de terugkeer van eiser, ditmaal met de personalia van eiser. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de door Oostenrijk verschafte informatie voldoende duidelijkheid biedt over de verblijfsrechtelijke positie van eiser bij terugkeer en dat deze informatie voldoende actueel is. Eiser heeft zijn stelling dat zijn verblijfsvergunning zou zijn ingetrokken en dat hij geen status heeft op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder hoefde daarom geen nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser.

6. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. van Ettikhoven, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2441).