Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5731

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
NL20.5746
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Spanje, skypezitting zonder aanwezigheid van gemachtigde van eiser en eiser, zorgvuldig horen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 van de Dublinverordening en coronavirus, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5746

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.M. Pot), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020 door middel van een Skype- beeldverbinding. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft op 9 juni 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

  2. Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling van het beroep, wordt het volgende opgemerkt. Het onderzoek ter zitting door middel van een Skype- beeldverbinding heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020. De behandeling van het onderzoek ter

zitting stond in eerste instantie gepland op dinsdag 24 maart 2020. Vanwege de maatregelen omtrent de uitbraak van het coronavirus kon deze behandeling ter zitting geen doorgang vinden. Op 17 april 2020 heeft de rechtbank partijen per brief medegedeeld dat er voldoende informatie is om een uitspraak te doen, zodat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, tenzij één van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Daarop heeft de gemachtigde van eiser op 22 april 2020 aangegeven mondeling op een zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 8 mei 2020 aangegeven dat het beroep via een Skype-beeldverbinding kan worden behandeld en heeft partijen verzocht hun beschikbaarheid voor de maanden mei en juni 2020 aan de rechtbank door te geven. De gemachtigde van eiser heeft op 12 mei 2020 aangegeven in de maanden mei en juni 2020 voorlopig verhinderd te zijn. De rechtbank heeft partijen - ondanks de voorlopige verhindering van de gemachtigde van eiser- op 15 mei 2020 uitgenodigd voor een zitting via Skypebeeldverbinding op 4 juni 2020, dit mede gelet op het karakter van de Dublinprocedure en de korte termijnen die gelden. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 29 mei 2020 een verzoek om uitstel van de behandeling van het beroep ter zitting ingediend, omdat zij geen toestemming geeft voor een zitting door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser heeft verder op 2 juni 2020 aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft bij brief van 3 juni 2020 het verzoek om aanhouding afgewezen, waarbij is gemeld dat de behandeling van de zaak ter zitting op 4 juni 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding doorgang zal vinden. Daarbij is vermeld dat ter zitting gelegenheid zal zijn om de bezwaren van eiser tegen een zitting via een Skypeverbinding te bespreken. De griffier van de rechtbank heeft op 3 juni 2020 en op 4 juni 2020 voorafgaand aan de zitting tevergeefs getracht telefonisch contact te krijgen met de gemachtigde van eiser. De zaak is op 4 juni 2020 ter zitting behandeld, eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. In hetgeen na afloop van de zitting namens eiser naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te hervatten. De rechtbank heeft het onderzoek op 9 juni 2020 gesloten.

3. Eiser voert inhoudelijk tegen het bestreden besluit aan dat hij niet zorgvuldig is gehoord. Het aanmeldgehoor was kort en daarin klonk door dat de asielaanvraag op voorhand geen kans van slagen zal hebben. Bovendien heeft eiser het verslag van het gehoor niet voor het uitbrengen van het voornemen met zijn gemachtigde kunnen bespreken. Eiser had de mogelijkheid moeten krijgen om correcties en aanvullingen in te dienen, zodat deze meegenomen konden worden in een eventueel voornemen. Eiser voert aan dat hij door deze wijze van handelen kennelijk monddood is gemaakt en dat dit hem heeft afgeschrikt. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder navraag had moeten doen bij de Spaanse autoriteiten over of eiser in Spanje uitzetbaar is. Het op serieus wijze verzamelen van gegevens is noodzakelijk omdat verweerder de vrijheid heeft om een asielaanvraag aan zich te trekken. Verweerder heeft de plicht om onderzoek te doen. Eiser heeft verder verwezen naar zijn psychische gesteldheid en het feit dat hij medische zorg daarvoor nodig heeft, terwijl het in Nederland lang heeft geduurd voordat hij hulp kreeg van het GZA. Dit wijst volgens eiser wel degelijk op individuele bijzondere omstandigheden. Eiser doet daarbij een beroep op de UNHCR Guidelines on Refugee status van 2004. Eiser zal de medische stukken overleggen. Eiser is getraumatiseerd en is slachtoffer geweest van extreem geweld, terwijl hij in Spanje geen toegang had tot opvang en medische zorg. Eiser voert aan dat ten aanzien van Dublinterugkeerders in Spanje er sprake is van inadequate opvang en voorzieningen in Spanje. Ter onderbouwing hiervan wijst hij op pagina 69 van het rapport van AIDA, Country Rapport Spanje, van april 2020. Verweerder heeft gezien deze omstandigheden te algemeen en daarmee niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen

toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Tot slot voert eiser aan dat hij niet kan worden overgedragen in verband met het coronavirus. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat het onder de huidige omstandigheden als onrechtmatig, onredelijk of onbehoorlijk moet worden gehouden. Het uitgangspunt van de Dublinverordening is dat er snel duidelijkheid moet worden geboden en voortvarend moet worden gehandeld, ook ten aanzien van de overdracht. Eiser wijst in dit verband op punt 5 van de Preambule van de Dublinverordening en de voorgeschiedenis en de totstandkoming daarvan. Daarbij voert eiser aan dat de Spaanse autoriteiten overwegen de grenzen tot aan 1 juli gesloten te houden uit vrees voor een tweede golf van het coronavirus. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een krantenartikel overgelegd.

4. De rechtbank overweegt als volgt. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verweerder eiser onvoldoende zorgvuldig heeft gehoord of in de besluitvorming onzorgvuldig heeft gehandeld door het verslag van het gehoor gelijktijdig met het voornemen aan eiser te sturen waardoor hij vóór het voornemen geen correcties en aanvullingen heeft kunnen uitbrengen. Eiser heeft in de zienswijze deze gelegenheid gehad en ook gebruikt. Verweerder heeft daar in het bestreden besluit rekening mee kunnen houden. Eiser heeft bovendien niet geconcretiseerd dat deze werkwijze hem heeft benadeeld. Deze grond slaagt daarom niet.

5. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd. Het door eiser aangehaalde AIDA rapport van april 2020 leidt niet tot het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder merkt niet ten onrechte op dat uit het rapport niet kan worden afgeleid dat er structurele problemen zijn met de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Spanje.

6. De rechtbank overweegt verder dat Spanje met het claimakkoord garandeert dat een asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen, met dezelfde waarborgen die ook in Nederland gelden. Verweerder was dan ook niet gehouden om onderzoek te doen naar de uitzetbaarheid van eiser in Spanje. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden, dat hij in Spanje geen medisch zorg en opvang heeft ontvangen, heeft eiser niet onderbouwd. Ook heeft eiser geen medische stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde psychische problematiek. Eiser heeft bovendien met de door hem aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat de Spaanse autoriteiten hem bij voorkomende problemen niet zullen helpen. Daarom heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet kunnen of willen helpen, dan wel dat klagen bij de (hogere) autoriteiten bij voorbaat zinloos is. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij ook niet heeft geprobeerd zich te wenden tot de autoriteiten van Spanje.

7. Dat verweerder de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende kenbaar en inzichtelijk bij zijn weging heeft betrokken, volgt de rechtbank niet. Verweerder was niet gehouden om nader onderzoek te doen. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat het door eiser aangevoerde geen bijzondere, individuele omstandigheid is in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening waardoor Nederland de aanvraag aan zich zou moeten trekken. Eiser doet verder nog een beroep op de Guidelines van de UNHCR, maar legt

verder niet uit waarom verweerder de daarin neergelegde regels heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Tot slot overweegt de rechtbank dat haar ambtshalve bekend is dat alle Dublinoverdrachten van en naar Spanje tijdelijk worden opgeschort op grond van de gezondheidssituatie in Spanje en Nederland, vanwege het coronavirus. De rechtbank ziet daarin geen reden om te oordelen dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag op zich moet nemen. Het enkel opschorten van de Dublinoverdrachten naar Spanje neemt de verantwoordelijkheid van Spanje voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser immers niet weg. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020.1

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

1 ECLI:NL:RVS:2020:1032.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

18 juni 2020

Documentcode: DSR11924887

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.