Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5727

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
NL20.401
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Vast staat dat eiser bij zijn aanvraag heeft verzwegen dat hij, naast de Syrische nationaliteit, ook de Armeense nationaliteit bezit en dus onjuiste informatie heeft verstrekt. Ook is niet in geschil dat eiser nu niet meer in het bezit is van de Armeense nationaliteit. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat eiser in het (recente) verleden de Armeense nationaliteit heeft gehad, reeds het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van een band als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verweerder wijst er terecht op dat het bezit van de nationaliteit van een land dan wel verlening van de nationaliteit door een land uit de aard ervan, wegens de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is. Eisers stelling, dat de autoriteiten van Armenië aan burgers uit Syrië de Armeense nationaliteit hebben verstrekt om hen in de gelegenheid te stellen op veilige wijze Syrië te ontvluchten, maakt dat niet anders. In dit kader maakt verweerder ook een terechte vergelijking met de rechtspraak van de Afdeling over artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 ten aanzien van vreemdelingen die in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming hebben verkregen en waarbij dat enkele gegeven reeds voldoende is om een band met die lidstaat aan te nemen. Verweerder heeft de verblijfsvergunning daarom terecht ingetrokken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.401


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W. de Vilder),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).


Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2017 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het door eiser daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard.1

Bij besluit van 12 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 24 december 2014. Verweerder heeft tevens bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1985 en van Syrische nationaliteit. Hij is op 3 mei 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig van 24 december 2014 tot 24 december 2019.

2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft bij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning onjuiste informatie verstrekt door te verklaren dat hij enkel de Syrische nationaliteit heeft. Uit het individueel ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 21 september 2016 blijkt dat eiser over een Armeens paspoort beschikt. Als dat bekend was geweest dan zou aan eiser geen verblijfsvergunning zijn verleend, aldus verweerder.

Dat eiser inmiddels afstand heeft gedaan van zijn Armeens nationaliteit brengt verweerder niet tot een andere conclusie. Eiser heeft aantoonbaar onjuiste gegevens verstrekt en blijft daarin volharden. Hierdoor wordt eiser niet gevolgd in zijn verklaringen dat hij geen enkele band met Armenië zou hebben gehad.

Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of eiser ten tijde van de besluitvorming in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Armenië voor eiser een veilig derde land is.

3. De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 24 april 2018 is geoordeeld dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser bij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning onjuiste informatie heeft verstrekt door te verklaren dat hij enkel de Syrische nationaliteit bezit. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Verder zijn partijen het er over eens dat eiser nu niet (meer) in het bezit is van de Armeense nationaliteit, zodat ook daar van uit wordt gegaan. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat Armenië voor hem een veilig derde land is.

Vereisten voor het tegenwerpen van een veilig derde land

4. De bepalingen voor het tegenwerpen van een veilig derde land zijn neergelegd in artikel 3.106a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en verder uitgewerkt in artikel 3.37e, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) en in paragraaf C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

4.1.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken van 13 december 2017 het toetsingskader voor het tegenwerpen van een veilig derde land uiteengezet.2 Hieruit volgt dat verweerder eerst moet beoordelen of een vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan. Daarna moet verweerder beoordelen of aannemelijk is dat de vreemdeling tot dit land wordt toegelaten. Als laatste moet verweerder beoordelen of de vreemdeling in dit land volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 zal worden behandeld.

4.2.

Hoewel verweerder in het bestreden besluit niet expliciet naar het hiervoor genoemde toetsingskader heeft verwezen, blijkt uit het besluit wel dat verweerder dit toetsingskader heeft toegepast. De rechtbank zal de door eiser aangevoerde gronden aan de hand van dit toetsingskader bespreken.

Heeft eiser dusdanige banden met Armenië dat het voor hem redelijk is naar dat land toe te gaan?

5. Eiser betoogt dat in zijn geval in redelijkheid niet kan worden uitgegaan van een vestigingsalternatief in Armenië, omdat geen sprake is van een werkelijke band met dit land. Eiser is nooit in Armenië geweest en is ook niet van Armeense afkomst. Hij heeft ook geen familie of vrienden in Armenië en de relatie met zijn vrouw, die volgens verweerder ook de Armeense nationaliteit zou bezitten, is beëindigd. Banden tussen eiser en dit land ontbreken dan ook in het geheel. Het feit dat bij eiser de Armeense nationaliteit werd ingetrokken mag volgens eiser niet meespelen bij de beoordeling van Armenië als veilig derde land. Ter onderbouwing verwijst eiser naar enkele uitspraken van de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV)3, paragraaf 107 van het UNHCR Handboek en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 december 2019.4

5.1.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat eiser in het (recente) verleden de Armeense nationaliteit heeft gehad, reeds het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van een band als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Verweerder wijst er terecht op dat het bezit van de nationaliteit van een land dan wel verlening van de nationaliteit door een land uit de aard ervan, wegens de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is.5 Eisers stelling, dat de autoriteiten van Armenië aan burgers uit Syrië de Armeense nationaliteit hebben verstrekt om hen in de gelegenheid te stellen op veilige wijze Syrië te ontvluchten, maakt dat niet anders. In dit kader maakt verweerder ook een terechte vergelijking met de rechtspraak van de Afdeling over artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 ten aanzien van vreemdelingen die in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming hebben verkregen en waarbij dat enkele gegeven reeds voldoende is om een band met die lidstaat aan te nemen.6

Verweerder stelt ook terecht dat de omstandigheid dat de Armeense nationaliteit van eiser inmiddels is ingetrokken ook niet maakt dat geen sprake (meer) is van een zodanige band. Deze intrekking is namelijk gebeurd op verzoek van eiser. Verder is van belang dat niet in geschil is dat de echtgenote van eiser (ook) de Armeense nationaliteit bezit. Eisers enkele stelling dat de relatie met zijn echtgenote is beëindigd doet hier niet aan af, omdat eiser dit niet heeft onderbouwd.

De vragen of eiser van Armeense of Aramese etniciteit is en of hij al dan niet Armeens spreekt zijn voor dit oordeel niet van doorslaggevend belang. Ook de verwijzing van eiser naar twee uitspraken van de RvV leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken gaan over de effectiviteit van de tweede nationaliteit bij het tegenwerpen van een dubbele nationaliteit. Aan eiser wordt echter een veilig derde land tegengeworpen. Het betoog van eiser slaagt niet.

Is het aannemelijk dat eiser wordt toegelaten tot Armenië?

6. De rechtbank stelt vast dat eiser niets heeft aangevoerd in het kader van de vraag of aannemelijk is dat hij tot Armenië wordt toegelaten, zodat dit verder geen bespreking behoeft.

Zal eiser in Armenië volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 worden behandeld?

7. Eiser betoogt dat de in artikel 3.37e van het VV 2000 genoemde informatiebronnen niet zijn geraadpleegd.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit is gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over Armenië van oktober 2013 en 2016. Ter nadere onderbouwing verwijst verweerder op het meest recente USDOS rapport van 13 maart 2019 over Armenië, onder het kopje ‘Protection of refugees’.7

7.2.

Artikel 3.37e, eerste lid, van het VV 2000 luidt als volgt: “De beoordeling of een derde land een veilig derde land is, als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.”

7.3.

De rechtbank begrijpt verweerders standpunt zo dat hij zich heeft gebaseerd op de genoemde ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en de bij de totstandkoming daarvan betrokken informatie. De door de Minister van Buitenlandse Zaken geraadpleegde bronnen staan vermeld in de literatuurlijsten van deze ambtsberichten. Daarin komen, naast andere gerenommeerde internationale (mensenrechten)organisaties, in ieder geval ook rapporten van het UNHCR en de Raad van Europa voor. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan artikel 3.37e, eerste lid, van het VV 2000. Het betoog van eiser slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

8. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar een artikel uit het NRC Handelsblad van 23 maart 2019, treft geen doel. De rechtbank is van oordeel dat overduidelijk geen sprake is van gelijke gevallen. Ook dit betoog van eiser slaagt niet.

Afsluitend

9. Eiser heeft voor het overige verzocht hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

10. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van het inreisverbod.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op: 17 juni 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Zaak nr. NL17.15093 (niet gepubliceerd).

2 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:3379, overwegingen 6 tot en met 6.3.

3 RvV 14 april 2015, 143.261, en 8 maart 2016, 183.016.

4 NL19.27622 (niet gepubliceerd).

5 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673.

6 Uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621, en 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2279.

7 https://www.ecoi.net/en/document/2004271.html.