Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
NL20.9464
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de motivering in het bestreden besluit onvoldoende dat verweerder zorgvuldig heeft onderzocht wat de bewijswaarde is van de oproepen en dus of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, zoals hij volgens de uitspraak van 6 september 2019 moest doen. De rechtbank wijst op de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 3 december 2003. In deze uitspraak is geoordeeld dat ook wanneer niet duidelijk is waarom iemand bij het politiebureau dient te verschijnen, niet op voorhand is uitgesloten dat die oproep verband houdt met persoonlijk gerichte negatieve aandacht van de autoriteiten. De rechtbank vindt daarbij van belang dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat Hamas het veiligheidsapparaat domineert - wat verweerder niet heeft betwist – en een verband geeft tussen de oproepen en eisers vrees voor Hamas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9464


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. CW. Griffioen).


Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.9463, plaatsgevonden op 5 juni 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is staatloos, afkomstig uit Gaza en geboren op [geboortedatum] .

1.1

Eiser heeft op 18 september 2014 zijn eerste asielaanvraag ingediend, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij te vrezen heeft voor de Hamas. Hij is door de brigade van Harnas, Al Qassam, meegenomen en gevangen gehouden in de kelder van een moskee. De reden hiervoor is dat hij belette dat door Al Qassam vanaf zijn landbouwgronden raketten werden afgevuurd in de richting van Israël. Eiser werd gemarteld, gevraagd zich te verantwoorden voor zijn gedragingen en zich aan te sluiten bij de strijders tegen Israël. Met hulp van een familielid is eiser ontsnapt.

1.2

Bij beschikking van 25 februari 2015 is eisers eerste asielaanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft eisers beroep daartegen bij uitspraak van 11 juni 20151 ongegrond verklaard.

1.3

Vervolgens heeft eiser op 4 september 2015 een opvolgende aanvraag ingediend, waarbij hij een viertal oproepen van de politie te Al Qararah van september 2014 heeft overgelegd. Bij beschikking van 8 september 2015 heeft verweerder die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Op 28 september 2015 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle2, het daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard.

1.4

Op 26 juli 2018 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser onder meer de verslechterde omstandigheden in Gaza ten grondslag gelegd. Daarbij heeft eiser onder meer de volgende documenten ingebracht:
- een oproep te verschijnen bij het politiebureau van Al Qararah van 23 december 2017;
- een oproep te verschijnen bij het politiebureau van Al Qararah van 25 december 2017;
- een brief van de ouders van eiser van 24 januari 2018;
- een brief van de ouders van eiser van 20 oktober 2017 (overgelegd bij correcties en aanvullingen van 30 april 2019);
- een getuigenverklaring van de zus van eiser, ongedateerd (overgelegd bij zienswijze van 2 mei 2019).

1.3

Bij beschikking van 3 mei 2019 heeft verweerder ook deze aanvraag afgewezen. Op 6 september 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch3, het daartegen ingediende beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van die uitspraak.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag opnieuw afgewezen, om de volgende redenen. De oproepen van 23 en 25 december 2017 kunnen niet worden aangemerkt als nova, omdat zij in combinatie met de verklaringen van eiser niet opwegen tegen het sterke geloofwaardigheidsoordeel. Naast het feit dat de authenticiteit van deze documenten niet kan worden aangetoond, blijkt uit deze oproepen niet wat de reden is dat eiser wordt opgeroepen en of ze raken aan de gestelde problemen van eiser. Eiser heeft evenmin geconcretiseerd wat de reden is dat hij wordt opgeroepen. Aan de brieven van de ouders en zus van eiser kan geen overwegende waarde worden gehecht.

3.
Eiser voert kort samengevat aan dat verweerder in strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt door het eigen beleid4 inzake artikel 1D van het Vluchtelingeverdrag of artikel 12 van de Definitierichtlijn niet toe te passen. Daarmee handelt hij in strijd met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 25 juli 20185 (het arrest Alheto). Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nader toegelicht dat voor de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet strikt noodzakelijk is dat eiser onder het mandaat van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) viel.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 6 september 2019 volgt dat eiser niet onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt. Nu gebleken is dat eiser niet onder het mandaat van de UNRWA valt en nimmer bescherming van UNRWA heeft ontvangen slaagt het beroep op het arrest Alheto niet.

3.2

Naar de rechtbank begrijpt, betoogt eiser dat niet alleen Palestijnen die daadwerkelijk bescherming of bijstand van de UNRWA hebben ingeroepen of genoten, onder het bereik van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag vallen, maar ook Palestijnen die voor deze bescherming of bijstand in theorie in aanmerking kunnen komen. De rechtbank kan eiser niet volgen in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

3.3

In de uitspraak van 6 september 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s‑Hertogenbosch, reeds geoordeeld dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op eiser omdat is gebleken dat eiser nooit bescherming of bijstand van de UNRWA heeft gekregen. De rechtbank leest in de gronden van beroep geen gemotiveerde weerlegging van het standpunt van verweerder dat eiser niet daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft ontvangen van de UNRWA. Nu eiser niet daadwerkelijk bijstand heeft ontvangen van de UNRWA, is artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing6.

3.4

Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert verder, kort samengevat, aan dat hij door onder meer het overleggen van de oproepen en de verklaringen van zijn familie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Gaza risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het bestreden besluit is in strijd is met artikel 8:72 van de Awb, nu verweerder de relevantie van de oproepen niet inhoudelijk heeft beoordeeld, zoals opgedragen door de rechtbank in haar uitspraak van 6 september 2019.

4.1

Verweerder stelt zich kort samengevat op het standpunt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is en dat de door hem overgelegde documenten geen reden geven tot een andere beoordeling. Daarbij acht verweerder van belang dat hij niet kan vaststellen of de oproepen raken aan de eerder gestelde problemen van eiser en dat niet valt uit te sluiten dat de familie van eiser de verklaringen heeft opgesteld op instructies van eiser.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. Om te beginnen verschillen partijen van mening over de juistheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat met “een sterk geloofwaardigheidsoordeel” alleen is bedoeld te zeggen dat bij de eerdere beoordeling uitgebreid is gemotiveerd dat er meer redenen waren om het asielrelaas niet geloofwaardig te vinden. Hoewel deze formulering wat ongelukkig is, volgt de rechtbank deze toelichting en ziet hierin op zichzelf daarom nog geen reden om te oordelen dat verweerder de door eiser nieuw ingebrachte documenten onjuist heeft beoordeeld.

4.3

Eiser betwist verder dat de rechtbank in haar uitspraak van 11 juni 2015 zeer uitgebreid heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Ter zitting heeft hij nader toegelicht dat sprake is van een fundamentele fout in de beoordeling van het asielrelaas, namelijk dat verweerder ten onrechte uitgaat van de intentieleer en bij zijn beoordeling niet heeft betrokken dat eiser een heethoofd is. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 11 juni 2015 staat echter in rechte vast. Met deze toelichting kan eiser niet bewerkstelligen dat de rechtbank deze beoordeling nu opnieuw verricht.

4.4

Dit laat echter onverlet dat eiser in deze procedure nieuwe stukken heeft ingebracht en dat verweerder dient te beoordelen of deze stukken samen met de door eiser genoemde feiten en omstandigheden schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk maken.

4.5

Verweerder heeft de door eiser overgelegde oproepen niet als nieuwe elementen of bevindingen aangemerkt, omdat “niet kan worden vastgesteld dat de oproepen raken aan de eerder gestelde problemen van betrokkene”. Daarbij verwijst verweerder naar het geloofwaardigheidsoordeel over het asielrelaas in de eerdere procedure. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de motivering in het bestreden besluit onvoldoende dat verweerder zorgvuldig heeft onderzocht wat de bewijswaarde is van de oproepen en dus of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, zoals hij volgens de uitspraak van 6 september 2019 moest doen. De rechtbank wijst op de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 20037. In deze uitspraak is geoordeeld dat ook wanneer niet duidelijk is waarom iemand bij het politiebureau dient te verschijnen, niet op voorhand is uitgesloten dat die oproep verband houdt met persoonlijk gerichte negatieve aandacht van de autoriteiten. De rechtbank vindt daarbij van belang dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat Hamas het veiligheidsapparaat domineert - wat verweerder niet heeft betwist – en een verband geeft tussen de oproepen en eisers vrees voor Hamas.

4.6

Wat betreft de verklaringen van eisers familie wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 20178. Daarin is geoordeeld dat het feit dat verklaringen afkomstig zijn uit twee niet-objectieve bronnen niet zonder meer betekent dat die verklaringen geen of onvoldoende bewijskracht hebben, temeer nu een vreemdeling veelal niet in staat is zijn asielrelaas met het in het algemene bestuursrecht gebruikelijk vereiste bewijs te staven. Daarom is ook ten aanzien van deze documenten niet gebleken dat verweerder zorgvuldig heeft onderzocht wat de bewijswaarde ervan is en dus of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

5. Uit 4.5 en 4.6 volgt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd of de door eiser ingebrachte stukken samen met de door eiser genoemde feiten en omstandigheden een schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk maken. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

6. Gezien de beoordeling die verweerder alsnog moet verrichten ziet de rechtbank geen aanleiding voor het in stand laten van de rechtsgevolgen en evenmin een mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Bij de vereiste beoordeling vindt de rechtbank een bestuurlijke lus ook niet geschikt. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 AWB 15/5935.

2 AWB 15/16513.

3 NL19.10582.

4 Werkinstructie 2019/13.

5 ECLI:EU:C:2018:584.

6 Vergelijk uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:556.

7 200306257/1.

8 ECLI:NL:RVS:2017:1539.