Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5714

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3562
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo buiten zitting, ontbreken spoedeisend belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3562

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker op grond van artikel 2:59 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) met onmiddellijke ingang een kort aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd voor zijn hond [Mechelse herder] .

Bij besluit van 16 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2 Verzoeker is eigenaar van [Mechelse herder] , een Mechelse herder (hierna: hond [Mechelse herder] ).

De politie heeft verweerder op 3 september 2019 voorgesteld aan verzoeker een aanlijngebod op te leggen voor hond [Mechelse herder] . Daarbij verwijst de politie naar de melding van 27 augustus 2019, dat hond [Mechelse herder] op 22 augustus 2019 een hond ernstig gebeten heeft. Na onderzoek in het politie-processen systeem bleek dat er eerder drie maal melding gemaakt was van het loslopen van [Mechelse herder] .

Verweerder heeft op basis van de informatie van de politie het primaire besluit genomen.

3 Verzoeker heeft desgevraagd ten aanzien van het spoedeisend belang aangevoerd dat de procedure veel langer duurt dan voorzien. Hond [Mechelse herder] heeft behoefte aan veel beweging en sociale contacten met andere honden. Door de beperking van het aanlijn- en muilkorf gebod gaat verzoeker nu naar buurgemeenten om hond [Mechelse herder] uit te laten. Dit kost verzoeker tijd en die is kostbaar. Spoed is gewenst omdat verzoeker nog veel te doen heeft in dit leven. Daarnaast wenst verzoeker niet beperkt te worden door kwaadsprekerij van burgers en slecht bestuur van verweerder.

4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een spoedeisende situatie die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. Niet gebleken is dat hond [Mechelse herder] de vereiste beweging en sociale contacten met andere honden niet kan krijgen mét inachtneming van het aanlijn- en muilkorfgebod. Verzoekers keuze om hond [Mechelse herder] niet te onderwerpen aan het aanlijn- en muilkorfgebod door hem uit te laten in buurgemeenten, is een eigen keuze van verzoeker. Ook de omstandigheden dat verzoeker niet beperkt wenst te worden door kwaadsprekerij en dat verzoekers tijd kostbaar is leveren geen spoedeisend belang op. Verzoeker heeft hiermee immers niet onderbouwd waarom de behandeling van het beroep niet afgewacht kan worden.

5 Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het verzoek niet spoedeisend. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier, op 19 juni 2020.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.