Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1724
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Eiseres wordt geacht de maatgevende arbeid te kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1724

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Çelen),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Spiering).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eiseres per 26 september 2018 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

Bij besluit van 1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en dit nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde verweerder in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op de in het proces-verbaal van schorsing geformuleerde vragen.

Bij brief van 1 november 2019 heeft verweerder schriftelijk de vragen beantwoord.

Bij brief van 12 december 2019 heeft eiseres schriftelijk gereageerd en de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker tuinbouw. Per 11 januari 2016 heeft eiseres zich ziekgemeld vanwege borstkanker, waarna haar een ZW-uitkering is toegekend.

1.2

Na einde wachttijd heeft verweerder bij besluit van 25 april 2018 geweigerd om eiseres per 8 januari 2018 een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres met de voor haar geduide functies meer dan 35% van haar eerdere inkomsten kan verdienen.

1.3

Nadat haar aanvraag voor een WIA-uitkering is afgewezen, heeft eiseres een uitkering ingevolge de Werkeloosheidswet (WW) ontvangen. Per 26 september 2018 heeft eiseres zich vanuit de WW met psychische en lichamelijke klachten ziekgemeld.

2. In het primaire besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat er bij eiseres ten tijde van haar ziekmelding op 26 september 2018 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat zij geschikt is voor haar eigen werk. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert hiertoe het volgende aan. Zij stelt dat het bestreden besluit zonder deugdelijke motivering en onzorgvuldig tot stand is gekomen en derhalve in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiseres ervaart lichamelijke klachten die zich uiten in verminderde mobiliteit en beperkte belastbaarheid van haar linkerarm, waarvoor zij nog steeds onder behandeling is bij een fysiotherapeut. Vanwege deze klachten is zij beperkt in duwen en trekken, dragen, knijp- en grijpkrachten, repetitieve handelingen, schroefbeweging met de arm en hand, reiken, tillen en bovenhands werken. Tevens heeft eiseres last van psychische klachten, bestaande uit paniekaanvallen, angst, vergeetachtigheid en depressie. Voor deze klachten is eisers onder behandeling bij een psychiater en slikt zij medicatie. Tevens is bij haar een vermijdende persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Voorts brengt eiseres naar voren dat de primaire verzekeringsarts onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en onvoldoende rekening heeft gehouden met genoemde klachten, met name de psychische. Verder heeft hij ten onrechte geen medische informatie opgevraagd bij de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft dit niet onderkend.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft iemand recht op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden.

4.2

Onder het ‘eigen werk’ wordt volgens vaste rechtspraak verstaan het laatste voor de ziekmelding verrichte werk. Wanneer iemand na gedurende de maximale termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, geldt als maatstaf gangbare arbeid zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van de aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA van betrokkene. Bij die beoordeling wordt een aantal functies voor de betrokken verzekerde geschikt geacht. Onder ‘eigen werk’ dient in zo’n geval te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

4.3

Bij de WIA-beoordeling per 8 januari 2018 zijn voor eiseres drie functies geduid op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2018. Dit betreffen de functies van wikkelaar (samensteller elektronische apparatuur), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) en wikkelaar (nieuw en revisie).

4.4

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

5.1

De primaire arts heeft eiseres op 1 november 2018 lichamelijk en psychisch onderzocht en heeft hiervan een rapport opgesteld. Aan de hand van zijn bevindingen en een dossierstudie heeft de primaire arts geconcludeerd dat eiseres per 26 september 2018 doorlopend geschikt is voor de maatgevende arbeid. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres meer beperkt is dan ten tijde van de WIA-beoordeling. De primaire arts betreft een verzekeringsarts in opleiding. Het Sociaal Medisch Oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een geregistreerd verzekeringsarts.

5.2

De verzekeringsarts b&b heeft op 30 januari 2019 een rapport uitgebracht, waarin hij uiteenzet op basis waarvan hij de bevindingen van de primaire arts onderschrijft. Hiertoe heeft hij dossieronderzoek verricht, de hoorzitting op 20 december 2018 bijgewoond en eiseres aansluitend medisch onderzocht en de in bezwaar overgelegde stukken bestudeerd.

Eiseres heeft een brief overgelegd van de GGZ-Keizersgracht van 18 oktober 2018 waarin staat vermeld dat bij eiseres een depressieve-stemmingsstoornis door somatische aandoening is vastgesteld en recentelijk een vermijdende-persoonlijkheidsstoornis is gediagnosticeerd. Omdat in het rapport van de verzekeringsarts b&b geen inhoudelijke overwegingen zijn gewijd aan de aangevoerde psychische klachten van eiseres en evenmin is gebleken dat de verzekeringsarts b&b de brief van 18 oktober 2018 bij zijn besluitvorming heeft meegewogen, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.

5.3

De rechtbank heeft de verweerder verzocht om gemotiveerd antwoord te geven op de volgende vragen;

  • -

    In hoeverre is de informatie uit de brief van de GGZ van 18 oktober 2018 meegenomen in de verzekeringsgeneeskundige overwegingen inzake de ZW-beoordeling? En waaruit blijkt dat?

  • -

    Geeft de informatie uit de brief van 18 oktober 2018 aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van gewijzigde belastbaarheid ten opzichte van de WIA-beoordeling? Waarom wel of niet?

  • -

    Geven de diagnose genoemd in de brief van 18 oktober 2018 aanleiding voor het aannemen van meer beperkingen bij eiseres ten tijde van de datum in geding? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?

5.4

Bij brief van 1 november 2019 heeft verweerder de rapportage van de verzekeringsarts van 30 oktober 2019 overgelegd. De verzekeringsarts b&b geeft aan dat de brief van 18 oktober 2018 niet als zodanig bij de beoordeling is betrokken, omdat de brief niet in het dossier aanwezig was. Voorts geeft hij aan dat bij de WIA-beoordeling rekening is gehouden met de stemmingsklachten van eiseres en dat daarvoor toen een verminderde psychische belastbaarheid geduid is. Voorts voert de verzekeringsarts b&b aan dat uit de brief van 18 oktober 2018 niet kan worden afgeleid dat de belastbaarheid van eiseres sinds de WIA-beoordeling relevant gewijzigd is. Ook de recent gediagnosticeerde vermijdende-persoonlijkheidsstoornis, leidt aldus de verzekeringsarts b&b niet tot nadere beperkingen, omdat deze stoornis in de adolescentie is ontstaan en eiseres in het verleden met deze stoornis heeft gefunctioneerd en dat thans nog moet kunnen.

5.5

Eiseres betwist dat de brief van 18 oktober 2018 niet in het dossier aanwezig was, omdat zij deze brief lopende briefprocedure heeft overgelegd. Daarnaast had het op de weg van de verzekeringsarts b&b gelegen om zelf nadere informatie op te vragen. Eiseres handhaaft haar stelling dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. Ondanks dat eiseres inmiddels veel vooruitgang heeft geboekt, heeft zij nog steeds te kampen met ernstige psychische klachten waarvoor zij onder behandeling is.

6.1

Of de brief van 10 oktober 2018 in het dossier aanwezig was of niet is voor de rechtbank niet te achterhalen. Nu de verzekeringsarts b&b alsnog kennis heeft genomen van de inhoud van de brief en gemotiveerd op de inhoud ervan is ingegaan, is eiseres niet in haar belangen geschaad.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek, aangevuld met de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 30 oktober 2019 zorgvuldig is geweest. Het rapport van de verzekeringsarts b&b geeft er voorts blijk van alle klachten van eiseres betrokken te hebben in het eindoordeel. Alle door eiseres zelf genoemde klachten zijn benoemd en aandacht is besteed aan de informatie van de behandelend sector. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat haar beperkingen niet in voldoende mate zijn onderkend, merkt de rechtbank op dat de inhoudelijke beoordeling van de klachten geen onderdeel uitmaakt van de zorgvuldigheidstoets. Ten aanzien van de grond van eiseres dat primaire arts ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector, overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan eiseres zelf is om informatie in te brengen waarvan zij meent dat deze van invloed kan zijn op het medisch oordeel. Door een verzekeringsarts wordt enkel informatie opgevraagd wanneer hier aanleiding toe is. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van eiseres dat het haar bevreemd dat zij met terugwerkende kracht hersteld is verklaard voor arbeid. Immers blijkt uit de stukken dat verweerder de medische situatie van eiseres heeft beoordeeld per datum ziekmelding. Bovendien is geoordeeld dat eiseres onveranderd geschikt was voor de maatgevende arbeid, zodat er geen sprake is van ‘hersteld verklaard’.

6.3

De verzekeringsarts b&b acht aannemelijk dat eiseres klachten heeft, maar is van oordeel dat deze geen aanleiding geven de in het kader van de WIA geduide functies ongeschikt te achten. De verzekeringsarts b&b volgt de primaire arts in de overweging dat bij eiseres een afgenomen psychische en fysieke belastbaarheid is waar te nemen, maar dat tevens vastgesteld kan worden dat eiseres nog alleszins actief kan zijn. Gelet daarop onderschrijft de verzekeringsarts b&b de conclusie dat de belastbaarheid sinds de WIA-beoordeling niet wezenlijk gewijzigd is.

6.4

Ook het feit dat thans bij eiseres een vermijdende-persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende gemotiveerd aangegeven dat eiseres met deze stoornis heeft gefunctioneerd en dit nog steeds zou moeten kunnen. Immers volgt uit het feit dat een diagnose is gesteld niet dat er sprake is van andere beperkingen dan in de WIA-beoordeling zijn vastgelegd.

6.5

Hieruit volgt naar oordeel van de verzekeringsarts b&b dat eiseres wordt geacht de maatgevende arbeid te kunnen verrichten.

6.6

Ten aanzien van het bij brief van 12 december 2019 gedane verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan pas tot benoeming van een deskundige overgaan als er sprake is van twijfel aan de rapportages van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep). Omdat die twijfel in het geval van eiseres er niet is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke medische deskundige. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt medisch te onderbouwen.

7. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische beoordeling niet juist is en moet eiseres per

26 september 2018 in staat worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Verweerder heeft daarom terecht besloten eiseres per deze datum geen ZW-uitkering toe te kennen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.M. Kraan, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.