Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5706

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
C/09/590375 / FA RK 20-1726
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek verhuizing. rechtbank oordeelt dat moe financiële noodzaak voor verzochte verhuizing onvoldoende heeft onderbouwd en ook onvoldoende heeft onderbouwd dat zij zich heeft ingespannen om te komen tot alternatieve oplossingen ter voorkoming van ingrijpende verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 20-1726

Zaaknummer: C/09/590375

Datum beschikking: 24 juni 2020

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 20 maart 2020 ingekomen verzoekschrift van:

[X] ,

de moeder,

wonende te [gemeentedeel 1] , gemeente [gemeente 1] ,

advocaat: mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de vader,

wonende te [gemeentedeel 2] , gemeente [gemeente 2] ,

advocaat: mr. A. van Eijck te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de moeder, met bijlagen.

Bij brief van 24 maart 2020 heeft de rechtbank in verband met de maatregelen tegen het coronavirus partijen verzocht om toestemming te verlenen voor afdoening van de zaak zonder mondelinge behandeling. De moeder heeft bij brief van 26 maart 2020 en de vader heeft bij brief van 1 april 2020 ingestemd met schriftelijk afdoening van de zaak.

De rechtbank heeft daarna nog de volgende stukken ontvangen:

  • -

    een verweerschrift van de zijde van de vader, met voorwaardelijke zelfstandige verzoeken, ingekomen ter griffie op 7 april 2020, met bijlagen;

  • -

    de brief van 14 april 2020 van de zijde van de moeder, houdende een akte van repliek, met wijziging van de verzoeken;

  • -

    de brief van 24 april 2020 van de zijde van de vader, houdende een akte van dupliek, met bijlagen.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) (na wijziging) verzocht:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] met ingang van na de zomervakantie 2020 te wijzigen van de vader naar de moeder;

  • -

    en daarbij te bepalen dat [voornaam minderjarige] vanaf dat moment voortaan bij de vader zal verblijven volgens een zevenwekencyclus in vier van de zeven weekenden en dat de zomervakantie vanaf 2021 wordt verdeeld zoals omschreven in 2.22 van de akte van repliek;

  • -

    en de door de moeder van de vader benodigde toestemmingen te vervangen door toestemmingen van de rechtbank om met ingang van na de zomervakantie van 2020:

 tezamen met [voornaam minderjarige] te verhuizen naar de woning gelegen te ( [postcode 1] ) [gemeentedeel 1] , aan de [adres 1] ;

 [voornaam minderjarige] bij de gemeente [gemeente 1] in te schrijven op het adres ( [postcode 1] ) [gemeentedeel 1] , aan de [adres 1] ;

 [voornaam minderjarige] in te schrijven op de Openbare Basisschool [naam OBS] , gelegen te ( [postcode 2] ) [gemeentedeel 1] , aan de [adres 2] ;

althans met inachtneming van het door de moeder gevorderde te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader voorwaardelijk zelfstandig verzocht:

- voor het geval het verzoek om wijziging van het hoofdverblijf wordt toegewezen en het verzoek ten aanzien van de verhuizing wordt afgewezen: te bepalen dat de huidige verdeling van de zorgtaken wordt voortgezet en dat [voornaam minderjarige] aldus bij de vader zal verblijven:

 in een tweewekelijkse cyclus in de ene week van woensdagmiddag tot vrijdagmiddag en de andere week van zondagmiddag tot woensdagmiddag, alsmede van vrijdagmiddag tot zondagmiddag;

 alsmede op Feestdagen en tijdens vakanties zoals opgenomen in het ouderschapsplan;

 althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie en in het belang van [voornaam minderjarige] juist acht;

- voor het geval het verzoek ten aanzien van de verhuizing wordt toegewezen: te bepalen dat [voornaam minderjarige] in de weekenden van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur bij de vader verblijft, alsook gedurende twee derde van de vakanties en gedurende de helft van de Feestdagen, waarbij de moeder zorgdraagt voor het halen en brengen, althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie en in het belang van [voornaam minderjarige] juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 2002 tot [datum echtscheiding] 2017.

- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:

- [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , verder: [voornaam minderjarige] .

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige] uit.

- Bij beschikking van deze rechtbank van [datum beschikking] 2016 is tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken en is het ouderschapsplan opgenomen in de beschikking.

In het ouderschapsplan, getekend op 30 september 2016, zijn de ouders overeengekomen dat [voornaam minderjarige] het hoofdverblijf bij de vader heeft. Over de omgang en verzorging hebben de ouders - voor zover hier van belang - de volgende afspraken gemaakt:

  • -

    [voornaam minderjarige] verblijft afwisselend volgens een co-ouderschapsregeling bij beide ouders;

  • -

    De wisseldagen zijn zondag, woensdag, vrijdag en weer zondag, waardoor [voornaam minderjarige] afwisselend ook een weekend bij ieder van zijn ouders doorbrengt;

  • -

    Schoolvakanties worden in onderling overleg gelijkelijk tussen beide ouders verdeeld.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het betreffende kind wenselijk voorkomt.

De moeder verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij haar te bepalen en haar vervolgens vervangende toestemming te verlenen om met [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] te verhuizen, met nevenverzoeken. Ter onderbouwing van die verzoeken stelt de moeder dat de financiële situatie van haar en haar nieuwe echtgenoot de heer [naam echtgenoot] (hierna: [naam echtgenoot] ) is verslechterd waardoor zij niet langer in staat zijn de lasten van de tweede woning in [gemeentedeel 3] te voldoen. De horecaonderneming van [naam echtgenoot] in [provincie] heeft de afgelopen jaren financiële tegenvallers gehad en de Coronacrisis heeft de financiële situatie van de onderneming verder verslechterd. Gelet op het feit dat [naam echtgenoot] zijn bedrijf nabij [gemeentedeel 1] heeft en daar ook een co-ouderschap heeft over zijn zoon [voornaam zoon partner] , is hij gebonden aan de regio [gemeentedeel 1] . Dit betekent dat de tweede woning in [gemeentedeel 3] zal moeten worden verkocht en dat de moeder voltijds in [gemeentedeel 1] moet gaat wonen. Hierdoor is het huidige co-ouderschap over [voornaam minderjarige] vanuit [gemeente 2] niet meer uitvoerbaar, zo stelt de moeder. Naast de financiële noodzaak legt de moeder ook aan haar verzoeken ten grondslag de zorgen die zij heeft over de opvoedingsvaardigheden van de vader. De moeder heeft zorgen over de gezondheid, leeftijd en woonomgeving van de vader en over de wijze waarop hij uitvoering geeft aan de zorgregeling. Zij acht het in het belang van [voornaam minderjarige] dat het zwaartepunt van de zorg – en dus het hoofdverblijf – bij de moeder komt te liggen en dat het contact met de vader zich zal beperken tot een weekend- en vakantieregeling. De gevolgen die een verhuizing naar [gemeentedeel 1] heeft voor het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] zijn volgens de moeder te overzien en wegen niet op tegen haar belangen om met [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] te verhuizen. [voornaam minderjarige] is vertrouwd in de nieuwe woonomgeving en is voldoende flexibel om zich snel te kunnen aanpassen aan een nieuwe school. Ter compensatie voor het verminderde contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] , acht de moeder het van belang dat [voornaam minderjarige] extra tijd met zijn vader kan doorbrengen in de weekenden en vakanties. Ook zal zij zich ervoor inzetten het contact tussen vader en zoon te stimuleren.

De vader voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken van de moeder. De kern van zijn verweer komt er op neer dat de moeder de financiële noodzaak van de verhuizing niet heeft onderbouwd, dat zij onvoldoende heeft gekeken naar alternatieve mogelijkheden om een verhuizing van [voornaam minderjarige] te voorkomen en dat de door de moeder geuite zorgen over zijn opvoedingsvaardigheden en de opvoedomgeving ongegrond zijn. Een wijziging van het hoofdverblijf en de zorgverdeling is volgens de vader niet aan de orde. De moeder gaat er aan voorbij dat de vader een zeer betrokken vader is en een aanzienlijke rol heeft in de zorg voor [voornaam minderjarige] . De vader voert aan door de verhuizing niet meer op dezelfde wijze betrokken te kunnen zijn bij de school van [voornaam minderjarige] en diens buitenschoolse activiteiten. De verhuizing zal een onaanvaardbare inbreuk maken op het recht van [voornaam minderjarige] en de vader om contact met elkaar te hebben in de vertrouwde omgeving, nu dit door de grote afstand beperkt zal worden tot een deel van de weekenden en vakanties. De vader acht een verhuizing naar [gemeentedeel 1] onder deze omstandigheden niet in het belang van [voornaam minderjarige] . Tot slot voert de vader aan dat hij een gelijke verdeling in de verzorging en opvoeding ook van belang is vanwege de Indonesische achtergrond en cultuur die [voornaam minderjarige] van de vader meekrijgt.

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie (onder meer HR 25 april 2008, LJN: BC5901) volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing van een kind alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de verzoeken uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals deze uit de stukken naar voren zijn gekomen. De vader en de moeder zijn getrouwd geweest van 2002 tot 2017. De moeder heeft sinds 2014 een relatie met de heer [naam echtgenoot] met wie zij in oktober 2017 is getrouwd. [naam echtgenoot] heeft uit een eerdere relatie een minderjarige zoon [voornaam zoon partner] , die met zijn moeder in [gemeentedeel 1] woont. [naam echtgenoot] heeft een co-ouderschapsregeling in welk verband [voornaam zoon partner] frequent bij zijn vader in [gemeentedeel 1] verblijft. [naam echtgenoot] heeft een horecabedrijf in [provincie] nabij [gemeentedeel 1] . Na het feitelijk uiteengaan van de moeder en de vader is de moeder bij [naam echtgenoot] ingetrokken, die toen deels in [gemeentedeel 3] woonde en in verband met zijn bedrijf en zijn zoon [voornaam zoon partner] deels ook in [gemeentedeel 1] verbleef. Vanuit deze situatie zijn de ouders bij de echtscheiding in 2016 de huidige co-ouderschapsregeling overeengekomen, zodat [voornaam minderjarige] met beide ouders evenveel tijd kan doorbrengen. Het hoofdverblijf kreeg hij bij de vader. [voornaam minderjarige] verblijft op schooldagen afwisselend bij zijn vader in [gemeentedeel 2] en bij zijn moeder in [gemeentedeel 3] en is om het weekend bij een van de ouders. In de weekenden dat [voornaam minderjarige] bij de moeder is, verblijven zij meestal samen bij [naam echtgenoot] in [gemeentedeel 1] . Op de dagen dat [voornaam minderjarige] bij zijn vader is, verblijft de moeder bij [naam echtgenoot] (en [voornaam zoon partner] ) in [gemeentedeel 1] . Zij doet de administratie van zijn onderneming.

De vader is nu 72 jaar oud en heeft als gevolg van een ongeval in 2012 blijvend letsel overgehouden. Dit heeft hem tot nu niet belemmerd in de zorg voor [voornaam minderjarige] . Hij is betrokken bij de school van [voornaam minderjarige] , is daar overblijfouder en gaat met [voornaam minderjarige] mee naar sport en muziekles.

De rechtbank stelt voorop dat de moeder het recht heeft om haar leven naar eigen inzicht vorm te geven en dat bij het vaststellen van het ouderschapsplan rekening is gehouden met de nieuwe gezinssituatie van de moeder. Tot dusver is de moeder in staat geweest haar leven met [naam echtgenoot] in [provincie] te combineren met de zorg voor [voornaam minderjarige] in [gemeentedeel 3] , omdat de moeder en [naam echtgenoot] in [gemeentedeel 3] over een tweede woning beschikken.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat [voornaam minderjarige] altijd in [gemeente 2] heeft gewoond en daar naar school gaat. Na de scheiding zijn de ouders erin geslaagd dit en een gelijke verdeling van de zorgtaken te waarborgen. [voornaam minderjarige] gaat al langere tijd eenmaal per veertien dagen een weekend met de moeder mee naar [gemeentedeel 1] , zodat hij zich ook daar vertrouwd zal voelen, maar het centrum van zijn verzorging en opvoeding ligt zonder meer in [gemeente 2] . Uit de overgelegde stukken komt daarnaast naar voren dat de vader op intensieve wijze betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . Niet alleen heeft de vader de helft van de zorgtaken op zich genomen, ook op andere momenten toont hij zich een betrokken ouder. De vader begeleidt [voornaam minderjarige] naar buitenschoolse activiteiten zoals kickboksen en drummen en heeft als overblijfouder ook intensief contact met school. De vader vervult dan ook een belangrijke rol in het leven van [voornaam minderjarige] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de moeder geuite zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de vader, waarin met name de factoren leeftijd, gezondheid en woonomgeving als bezwaarlijk naar voren worden gebracht. De moeder is van mening dat deze omstandigheden, afgezien van de gewenste verhuizing naar [gemeentedeel 1] , een wijziging van het hoofdverblijf en de zorgverdeling rechtvaardigen. De rechtbank volgt de moeder hierin niet, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vader. Los van het feit dat dit grotendeels (onveranderlijke) factoren zijn die al bekend waren bij het in 2016 overeenkomen van het ouderschapsplan voor [voornaam minderjarige] , heeft de rechtbank in deze zaak geen objectieve aanwijzingen ontvangen dat de belangen van [voornaam minderjarige] in gevaar zijn als hij bij de vader verblijft, dan wel dat de vader in onvoldoende mate de zorg en opvoeding voor [voornaam minderjarige] draagt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hierin geen zwaarwegende omstandigheden zijn gelegen die een wijziging van de zorgverdeling en van het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige] kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank acht het verder van belang dat de ouders de afgelopen vier jaren een situatie hebben gecreëerd waarbij [voornaam minderjarige] zijn beide ouders vaak ziet. De beoogde verhuizing naar [provincie] leidt tot zeer ingrijpende wijzigingen in het dagelijks leven van [voornaam minderjarige] . Niet alleen zal dit betekenen dat hij uit zijn vertrouwde omgeving in [gemeente 2] zal worden gehaald, maar ook dat het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] vanwege de grote afstand (80 kilometer) zal worden beperkt tot een deel van de weekenden en de schoolvakanties. Doordeweekse contactmomenten en (buiten)schoolse (sport)activiteiten met de vader zullen na de verzochte verhuizing niet meer mogelijk zijn. De door de moeder in deze procedure geboden compensatie voor dat gemis aan contact is zeer beperkt en biedt geen compensatie voor de te missen contactmomenten tussen de vader en [voornaam minderjarige] op doordeweekse dagen. Aldus worden bij het compensatieaanbod de mogelijkheden van de vader om in de door hem gewenste mate betrokken te blijven bij het dagelijks leven van [voornaam minderjarige] op school en bij (sport)activiteiten aanzienlijk ingeperkt.

Onder bijzondere omstandigheden kunnen deze ingrijpende gevolgen van een verhuizing eventueel nog gerechtvaardigd worden door een noodzaak aan de zijde van de moeder om te verhuizen. De moeder stelt in deze procedure dat haar financiële situatie is verslechterd, waardoor zij zich genoodzaakt ziet met [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] te verhuizen.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder de door haar gestelde financiële noodzaak voor de verhuizing onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel als algemeen bekend verondersteld kan worden dat de maatregelen tegen verspreiding van Covid-19 een grote impact (kunnen) hebben op de financiële situatie van horecaondernemingen, volstaat deze algemene stelling niet als onderbouwing van de gestelde maar betwiste noodzaak voor deze concrete verhuizing van [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] . Gelet op de vergaande gevolgen voor het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader bij toewijzing van het verzoek, had het na de gemotiveerde betwisting door de vader op de weg van de moeder gelegen om de gestelde maar betwiste financiële noodzaak met bewijsstukken te onderbouwen. Ondanks het gemotiveerde verweer van de vader op dit punt, heeft de moeder echter nagelaten met bewijsstukken een verifieerbaar inzicht te geven in haar financiële situatie. Reeds daarom kan de rechtbank in dit geval niet oordelen dat de tweede woning van de moeder in [gemeentedeel 3] zal moeten worden verkocht en geleverd aan een derde.

Daarnaast is de rechtbank met de vader van oordeel dat de gestelde financiële omstandigheden aan de zijde van de moeder niet zonder meer tot de conclusie moeten leiden dat [voornaam minderjarige] daarom met de moeder naar [gemeentedeel 1] zal moeten verhuizen. Van de moeder mag worden verwacht dat zij zich inspant om de continuïteit van het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] ook onder gewijzigde financiële omstandigheden zoveel mogelijk te waarborgen en te zoeken naar andere oplossingen ter voorkoming van een verhuizing van [voornaam minderjarige] uit [gemeente 2] . De rechtbank is met de vader ook van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij zich hiertoe heeft ingespannen.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de moeder de financiële noodzaak voor de verzochte verhuizing onvoldoende heeft onderbouwd en ook onvoldoende heeft onderbouwd dat zij zich heeft ingespannen om te komen tot alternatieve oplossingen ter voorkoming van een ingrijpende verhuizing van [voornaam minderjarige] . Nu er naar het oordeel van de rechtbank bovendien geen objectieve aanwijzingen zijn gesteld en/of gebleken die een ingrijpende wijziging van de zorgverdeling en het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige] zouden rechtvaardigen, levert de beoogde verhuizing van [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] een te ingrijpende inperking op van het recht van de vader en [voornaam minderjarige] op ongewijzigd contact met elkaar in de vertrouwde omgeving. De mogelijkheden om dit gemis aan contact te kunnen compenseren zijn door de grote afstand te beperkt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de inperking in het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is en dat het belang van [voornaam minderjarige] en de vader tot ongewijzigd contact met elkaar in de vertrouwde omgeving in [gemeente 2] behoort te prevaleren boven het belang van de moeder om met [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] te kunnen verhuizen.

Derhalve zal het hoofdverzoek van de moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor een verhuizing van [voornaam minderjarige] naar [gemeentedeel 1] met de bijbehorende nevenverzoeken worden afgewezen, inclusief haar nevenverzoeken om wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling.

Aan beoordeling en beslissing van de voorwaardelijke tegenverzoeken van de vader komt de rechtbank niet toe, omdat de desbetreffende voorwaarden bij deze stand van zaken niet zijn vervuld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af de verzoeken van de moeder.

Deze beschikking is gegeven door de kinderrechters mrs. H. Wien, W.G. de Boer en L. Koper, bijgestaan door de griffier mr. K. Willems en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juni 2020.