Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
NL20.3570
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKT, Eritrea, opvolgende aanvraag, N-O, authenticiteit geboorteakte niet aangetoond, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.3570

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V- nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: P.M.W. Jans).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet- ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.3571, plaatsgevonden op 26 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Habte Essaias. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 6 maart 2020 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en verweerder verzocht een aanvullend stuk over te leggen. Vervolgens is het onderzoek ter zitting voortgezet op 27 mei 2020, door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Alazar.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek heden, vóór het doen van de uitspraak gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.

2. Eiseres heeft eerder aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

ingediend. Verweerder heeft de eerste asielaanvraag bij besluit van 2 oktober 2013 afgewezen omdat verweerder de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig vindt. Dit besluit staat inmiddels vast.

3. Op 9 mei 2017 heeft eiseres opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft hierbij een originele geboorteakte overgelegd. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 15 mei 2017 blijkt dat dit document vals is bevonden. Vervolgens heeft eiseres haar asielaanvraag ingetrokken.

4. Op 28 augustus 2018 heeft eiseres haar derde en onderhavige asielaanvraag ingediend. Hierbij heeft eiseres een rapport ingebracht van Dr. [A] van 18 juli

2018, die een contra-expertise heeft uitgevoerd. Volgens eiseres volgt uit dit rapport dat de geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid authentiek is. Eiseres vindt dat zij hiermee alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat zij de Eritrese nationaliteit heeft.

4.1.

Verweerder heeft de contra-expertise van Dr. [A] voorgelegd aan Bureau Documenten. Op 11 december 2019 heeft Bureau Documenten een weerwoord uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat in de contra-expertise geen aanleiding wordt gezien om de eerdere conclusie, dat de geboorteakte vals is, te wijzigen.

4.2.

Verweerder heeft de onderhavige asielaanvraag bij het bestreden besluit niet- ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag van eiseres. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 2 oktober 2013. Daarmee is toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4.3.

Bij haar gronden van beroep heeft eiseres een brief overgelegd van Dr. [A] van 5 februari 2020, waarin wordt gereageerd op de stellingen van Bureau Documenten in het weerwoord van 11 december 2019.

4.4.

Op de zitting van 26 februari 2020 heeft verweerder toegelicht dat hij de brief van 5 februari 2020 van Dr. [A] heeft voorgelegd aan Bureau Documenten en heeft verweerder de reactie hierop van Bureau Documenten verwoord. Eiseres heeft aangegeven dat zij de reactie van Bureau Documenten op schrift wil ontvangen, zodat zij hier degelijk op kan reageren.

4.5.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld om de laatstgenoemde reactie van Bureau Documenten op schrift te stellen.

4.6.

Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Bureau Documenten heeft op 24 maart 2020 een reactie uitgebracht op de brief van 5 februari 2020 van Dr. [A] . Bureau Documenten heeft geen aanleiding gezien om de conclusie, dat de geboorteakte vals is, te wijzigen.

4.7.

Bij brief van 2 mei 2020 heeft eiseres hierop gereageerd.

5. Eiseres voert aan dat het onzorgvuldig is dat verweerder het weerwoord niet tijdig aan haar heeft toegezonden.

5.1.

Op de zitting van 26 februari 2020 heeft eiseres toegelicht dat zij het weerwoord van Bureau Documenten van 11 december 2019 heeft ontvangen met het voornemen en dat zij tijdens de besluitvormingsfase, ondanks een verzoek daartoe in de zienswijze, niet in de gelegenheid is gesteld om het weerwoord van Bureau Documenten van 11 december 2019 voor te leggen aan Dr. [A] . Verweerder heeft deze gang van zaken niet weersproken.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)1 de authenticiteit van een document in beginsel moet vaststaan om als nieuw element of nieuwe bevinding te kunnen worden aangemerkt, en dat het aan de vreemdeling is om die authenticiteit te staven.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de onder 5.1 weergegeven werkwijze niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Gelet op de hiervoor genoemde bewijslastverdeling was verweerder niet gehouden om een reactie van Dr. [A] op het weerwoord van Bureau Documenten van 11 december 2019 af te wachten voordat hij een beslissing nam op de opvolgende asielaanvraag van eiseres.

6. Eiseres voert vervolgens aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht, door voor de onderbouwing van zijn stellingen te verwijzen naar de rapporten van Bureau Documenten, zonder na te gaan of de rapporten van Bureau Documenten voldoende inzichtelijk zijn. Verweerder had zich er met name van moeten vergewissen op grond van welk referentiemateriaal Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Dit geldt temeer omdat de contra-expert tot een tegenovergestelde conclusie is gekomen, aldus eiseres. In dit verband voert eiseres aan dat Bureau Documenten onterecht concludeert dat Dr. [A] geen specimen heeft van de handtekening van [B] .

6.1.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, is het aan eiseres om de authenticiteit van de geboorteakte aan te tonen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling2 volgt verder dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring een deskundigenadvies is. Verweerder mag van dit advies uitgaan als dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Beoordeeld moet worden of duidelijk is hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen en of deze conclusies goed zijn gemotiveerd. De vreemdeling kan het deskundigenadvies slechts met succes bestrijden door het inbrengen van een andersluidende contra-expertise van een deskundige. Verweerder moet reageren op de contra-expertise en moet motiveren waarom de contra- expertise niet wordt gevolgd.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende invulling heeft gegeven aan zijn vergewisplicht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 15 mei 2017 is geconcludeerd dat, gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal, de verschijningsvorm en de opmaak en afgifte van de geboorteakte afwijkt en dat het dus vals is. Verweerder heeft het rapport van Dr. [A]

1. zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3336 en van 17 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2394.

2 zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1695.

van 18 juli 2018, dat tot een andere conclusie leidt, voorgelegd aan Bureau Documenten. Bureau Documenten heeft in het weerwoord van 11 december 2019 onder andere uitgelegd dat onduidelijk is hoe Dr. [A] heeft vastgesteld dat de geboorteakte van eiseres is ondertekend door de relevante ambtenaar, [B] , nu Dr. [A] niet heeft gesteld dat hij beschikt over specimen van de handtekening van deze persoon. In reactie hierop heeft Dr. [A] bij brief van 5 februari 2020 geschreven: ‘the signatories changes frequently. Hence, there is no fixed specimens for signatories’. Verweerder heeft hieruit opgemaakt, onder verwijzing naar het rapport van Bureau Documenten van 24 maart 2020, dat Dr. [A] geen specimen heeft van de handtekening van [B] . Gelet hierop heeft verweerder aan eiseres tegengeworpen dat onduidelijk is hoe Dr. [A] heeft vastgesteld dat de handtekening van [B] op de geboorteakte staat. De rechtbank kan verweerder in dit standpunt volgen. De stelling van eiseres in haar brief van 2 mei 2020, dat de conclusie van Bureau Documenten dat Dr. [A] geen specimen heeft van de handtekening van [B] , te kort door de bocht is en geen steun vindt in de stukken, kan niet worden gevolgd. Het is immers aan eiseres om aan te tonen dat haar geboorteakte echt is. Daarom had het op de weg van eiseres gelegen om duidelijkheid te verschaffen over hoe Dr. [A] tot zijn conclusie is gekomen en of hij beschikte over de betrokken specimen. Met de brief van Dr. [A] van 5 februari 2020 en de brief van eiseres van 2 mei 2020 heeft zij die duidelijkheid niet verschaft.

7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de door haar en de door verweer ingeschakelde deskundigen op te roepen als getuige-deskundigen, dan wel om met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis te nemen van de onderliggende stukken bij het rapport van Bureau Documenten, dan wel om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

7.1

Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 6.2 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende invulling heeft gegeven aan zijn vergewisplicht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb kennis te nemen van de onderliggende stukken.

7.2.

Ten aanzien van het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen, overweegt de rechtbank dat zij daar evenmin aanleiding toe ziet, nu er geen reden is voor twijfel aan de conclusies van Bureau Documenten. De rechtbank merkt daarbij op dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Korošec3. Verweerder kan een vreemdeling bij de vaststelling van de authenticiteit van documenten tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, maar dit doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Het onderzoek dat verweerder door Bureau Documenten heeft laten verrichten is een dergelijke tegemoetkoming. Daarenboven is eiseres in de gelegenheid geweest om een contra-expertise uit te laten voeren. Dit maakt dus niet dat eiseres in een nadeliger positie verkeert ten opzichte van verweerder en dit maakt ook niet dat er een schending is van het equality of arms-beginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

7.3.

Nu de door eiseres overgelegde contra-expertise niet tot het oordeel leidt dat verweerder zich niet op het rapport van Bureau Documenten van 15 mei 2017 heeft mogen

3 arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212.

baseren, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de door verweerder ingeschakelde deskundigen op te roepen als getuigen-deskundigen.

8. Eiseres heeft tot slot verwezen naar de door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch4, aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen. Hierin komt onder meer aan de orde de vraag of originele documenten, waarvan de authenticiteit niet is vastgesteld, bij voorbaat buiten beschouwing mogen worden gelaten. De beantwoording van deze vragen moet worden afgewacht voordat uitspraak op haar beroep kan worden gedaan, aldus eiseres.

8.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van zittingsplaats Den Bosch af te wachten. Daartoe is met name van belang dat in dit geval geen sprake is van een document waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld vanwege onvoldoende referentiemateriaal, maar van een document waarvan Bureau Documenten heeft vastgesteld dat het vals is, omdat de verschijningsvorm, en de opmaak en afgifte afwijken van de door de autoriteiten in [plaatsnaam] , Eritrea, afgegevengeboorteaktes.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat haar geboorteakte echt is. Dit betekent dat de geboorteakte niet kan worden aangemerkt als een nieuw element of bevinding die relevant kan zijn voor de beoordeling van haar asielaanvraag.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling in de beroepsprocedure bestaat geen aanleiding.

11. Bij uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 6 maart 20205 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter geen beslissing genomen over de proceskosten, en overwogen dat op het verzoek om een proceskostenveroordeling zal worden beslist in de beroepsprocedure. Omdat de voorzieningenrechter niet heeft beslist over de proceskosten, ziet de rechtbank in de beroepsprocedure aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in verband met haar verzoek om een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

4 uitspraak van 16 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13451.

5 ECLI:NL:RBMNE:2020:1112.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

18 juni 2020

Documentcode: DSR11918904

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.