Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5662

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2774
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, omzetting naar onzelfstandige woonruimte, huidige beleid is juist toegepast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2774

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

tegen

burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Veldman).

Derde partij (vergunninghoudster): Silverstone development b.v.,

vertegenwoordigd door [A] , te Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde partij een vergunning verleend voor het omzetten van de zelfstandige woning [straat] [huisnummer] te [plaats] (hierna de woning) naar onzelfstandige woonruimte voor zes personen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 13 mei 2020. Verzoekster en de gemachtigde van verweerder zijn telefonisch gehoord. De derde partij heeft een schriftelijke reactie ingezonden.

De voorzieningenrechter heeft op 14 mei 2020 het onderzoek heropend en verweerder gevraagd inlichtingen te verstrekken. Tevens heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de aan de derde partij verleende omzettingsvergunning wordt geschorst tot aan de uitspraak van de voorlopige voorziening.

Verweerder heeft bij brief van 19 mei 2020 de gevraagde inlichtingen verstrekt. Ten aanzien van een op de zaak betrekking hebbend stuk heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 25 mei 2020 heeft de geheimhoudingsrechter van de rechtbank bepaalt dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Verzoekster en de derde partij hebben vervolgens aan de voorzieningenrechter toestemming verleend, om het stuk dat zij niet kennen door de geheimhouding, te betrekken bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

Verzoekster en de derde partij hebben vervolgens gereageerd op de door verweerder verstrekte inlichtingen van 19 mei 2020, aangevuld op 5 juni 2020.

De voorzieningenrechter heeft op 10 juni 2020 per mail het onderzoek in de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening gesloten en onmiddellijk aan partijen het dictum van de uitspraak verstrekt.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

De voorzieningenrechter acht in beginsel spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb bij de gevraagde voorziening aanwezig.

Op het moment van indienen van het verzoek werden de onzelfstandige woonruimtes immers nog niet verhuurd. De voorzieningenrechter zal beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

2. Verweerder heeft de vergunning verleend nadat geconcludeerd is dat zich geen van de in de in artikel 5.5 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 genoemde weigeringsgronden zich voordoen.

3. Verzoekster kan zich kort gezegd niet vinden in de verleende vergunning omdat de woning niet geschikt is voor verkamering voor zes personen. Indien alle bewoners gasten dan wel aanhang ontvangen zal dit in het toch al gehorige portiek tot geluidsoverlast leiden. In tien wijken in Den Haag is verkamering al verboden. Verweerder heeft bij de vergunningverlening ten onrechte geen rekening gehouden met het debat dat binnen de Haagse coalitie speelt om verkamering ook voor de rest van de stad te verbieden.

Verder zal de parkeerdruk toenemen en is de nieuwe eigenaar van de woning niet te bereiken. Dit alles gaat ten koste van de leefbaarheid van de andere woningen in het portiek en de omgeving.

4. De derde partij stelt zich samengevat op het standpunt dat de vergunning op juiste gronden is verleend. Verzoekster stelt ten onrechte dat het een doorloophuis zal worden. Tot slot klopt het beeld dat verzoekster schetst over de bereikbaarheid van de eigenaar van de woning niet.

5. Na de zitting op 13 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter vanuit openbare bron kennis genomen van het bericht op Omroep West dat de Haagse gemeenteraad per direct een stop op verkamering in de hele stad wil. Verweerder heeft desgevraagd op 19 mei 2020 inlichtingen verstrekt aan de voorzieningenrechter. Daarin heeft verweerder aangegeven dat op 13 mei 2020 drie moties over verkamering ingediend en in stemming gebracht zijn. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven de moties te ontraden, mede op basis van het advies van de huisadvocaat, ten aanzien waarvan verweerder een beroep op geheimhouding gedaan heeft. Van dit advies heeft de voorzieningenrechter kennis genomen. Verweerder geeft verder aan dat twee moties zijn aangenomen. Daarmee is echter nog geen nieuw beleid gemaakt. Ook is aannemelijk dat het nog te formuleren nieuwe beleid niet van toepassing is op oude situaties. Waarschijnlijk zal verweerder een overgangstermijn in acht moeten nemen. Op de aan derde partij verleende vergunning zal het nog te formuleren beleid dan ook geen toepassing hebben.

6. Verzoekster heeft zich na de heropening kort samengevat nog op het standpunt gesteld dat de woning wijzigt van woonfunctie naar hotelfunctie. Omdat de nieuwe eigenaar bevoegd is om contracten van vier maanden af te sluiten valt de bewoning onder short stay oftewel tijdelijke huisvesting. Dat is in strijd met het bestemmingsplan.

7. De derde partij heeft op 9 juni 2020 aan de voorzieningenrechter laten weten haar standpunt te handhaven. Er is op dit moment nog geen nieuw beleid van toepassing op onttrekkingsvergunningen. De aard van het nog te formuleren nieuwe beleid is nog volstrekt onduidelijk. Dit beleid zal hoe dan ook geen invloed hebben op de reeds aan derde partij verstrekte vergunning. Tot slot is geen sprake van short stay maar van gewone verhuur.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Met verweerder en de derde partij is de voorzieningenrechter van oordeel dat het nog te ontwikkelen beleid niet van toepassing kan zijn op de huidige omzettingsvergunning. Naar verwachting zal ook ten tijde van de beslissing op bezwaar dit nieuwe beleid nog niet klaar zijn.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder het huidige beleid juist toegepast heeft. Verzoekster heeft immers geen gronden aangevoerd die zien op de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 5.5 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.

De vraag of bij een verhuur van tenminste vier maanden op voorhand sprake is van short stay ligt, gelet op de gronden waaraan de omzettingsverguning wordt getoetst niet voor in deze procedure. In het geval verzoekster na verloop van tijd van oordeel is dat feitelijk sprake is van short stay en verweerder verzoekt om handhaving van de toepasselijke bestemmingsplanvoorschriften en overige bepalingen, kan de beantwoording van die vraag bij de toetsing van de beslissing op dat verzoek aan de orde komen.

9.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het primaire besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder of verzoekster in de proceskosten te veroordelen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De Awb kent geen rechtsregel tot toewijzing van het verzoek van de derde partij om verzoekster te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die de derde partij voor haar deelname aan de procedure heeft moeten maken. Overigens heeft de derde partij zich in deze procedure niet door professionele rechtsbijstand laten vertegenwoordigen.

Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2020 door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.