Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5658

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
NL20.11653, NL20.11654
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, toepassing 8:54 (buiten zitting). Onvoldoende gebleken dat overdracht niet mogelijk is gelet op corona. Beroep ongegrond, afwijzing vovo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.11653 en NL20.11654


uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Hol),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De rechtbank, tevens voorzieningenrechter, hierna de rechtbank, doet op grond van artikel 8:54 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Eiser stelt de [nationaliteit] nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 29 november 2019 een asielaanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In dat artikellid is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 juli 2017 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Verweerder heeft daarom op 16 januari 2020 de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit claimverzoek op 22 januari 2020 aanvaard.

4. Eiser voert, samengevat, aan dat hij bij terugkeer naar Duitsland geen verblijfsplaats heeft. Eiser heeft verklaard dat hij daar op straat heeft verbleven en bang is dat dit bij terugkeer weer zal gebeuren. Daarnaast stelt eiser dat het belang van de volksgezondheid nog steeds in de weg staat aan zijn overdracht. Eiser verwijst in dit verband naar een brief van verweerder gericht aan de rechtbank van 8 april 2020. De stelling van verweerder, dat de uitbraak van het coronavirus slechts een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel behelst, komt niet overeen met het standpunt van verweerder zoals in genomen in voornoemde brief van 8 april 2020. Uit die brief blijkt juist dat verweerder veronderstelt dat er langere tijd geen sprake zal zijn van overdrachten in het kader van de Dublinverordening. Daarom verzoekt verweerder om toewijzing van verzoeken om een voorlopige voorziening en aanhouding van beroepen in Dublinprocedures. Overdrachten in het kader van Dublin zijn toekomstige onzekere gebeurtenissen. Eiser stelt dat verweerder, gezien deze situatie, zou moeten afzien van de overdracht en zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen.

5. De rechtbank stelt vast dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming en dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.1

Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. In het algemeen mag ervan uitgegaan worden dat Duitsland de verplichtingen zoals vastgelegd in de Opvangrichtlijn (richtlijn 2013/33/EU), de Procedurerichtlijn (richtlijn 2013/33/EU), het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ( Genève, 28 juli 1951) en het EVRM naleeft. Voor zover eiser na overdracht aan Duitsland problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang dan wel met andersoortige problemen in zijn asielprocedure te maken krijgt, dan kan hij daarover klagen bij de daartoe aangewezen Duitse autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hem daarbij niet kunnen of willen helpen. Eisers enkele verklaring dat hij tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland geen goede opvang had, is daarvoor onvoldoende.

5.2

Eisers stelling dat overdracht in verband met de coronamaatregelen niet mogelijk is en nog maanden kan duren, op grond waarvan verweerder zijn asielverzoek aan zich zou moeten trekken, volgt de rechtbank evenmin. Eiser baseert zijn stelling op een brief van verweerder van 8 april 2020, waarin is meegedeeld dat in ieder geval tot en met 28 april 2020 geen asielzoekers vanuit Nederland zullen worden overgedragen. In dezelfde brief is ook vermeld dat het op dat moment nog ongewis is of deze maatregelen na 28 april 2020 zullen worden verlengd. In het bestreden besluit van 1 juni 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van belemmeringen voor de feitelijke overdracht van eiser aan Duitsland. In de zaak van eiser heeft verweerder evenmin verzocht om de voorlopige voorziening toe te wijzen en het beroep aan te houden. Eiser heeft geen informatie overgelegd van ná het bestreden besluit waaruit blijkt dat feitelijke overdracht aan Duitsland in verband met corona thans niet mogelijk is. Van een bijzondere, individuele op de persoon van eiser toegespitste omstandigheid is daarom geen sprake. Voor zover al zou moeten worden uitgegaan van een overdrachtsbeletsel aan Duitsland, maakt dit de vaststelling van Duitsland als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. Als eiser niet binnen de bestaande overdrachtstermijn kan worden overgedragen, kan hij alsnog worden opgenomen in de nationale procedure. Verweerder heeft dus in redelijkheid kunnen besluiten om de asielaanvraag van eiser op deze grond niet in behandeling te nemen.

6. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart in de zaak met nummer NL20.11653 het beroep ongegrond;

- wijst in de zaak met nummer NL20.11654 het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.