Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5622

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3018
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo buiten zitting, voorzieningenrechter onbevoegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3018

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , Filipijnen, verzoeker,

tegen

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 19 april 2020 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door verweerder (procedurenummer SGR 20/2912).

Verzoeker heeft op 23 april 2020 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft bij e-mail van 17 februari 2020 bij verweerder een klacht ingediend omdat deze volgens verzoeker ernstig nalatig is geweest bij de ondersteuning bij verzoekers strafzaak in de Filipijnen. Verzoeker heeft verweerder daarbij verzocht om:

- de schending door de Filipijnse overheid van de Vienna Convention on Consular Relations (VCCR) aanhangig te maken bij de Filipijnse regering en die tevens

- onder de aandacht te brengen bij het Court of Appeals in Cagayan de Oro en bij onwil van de Filipijnse regering

- een arbitragezaak aan te spannen bij het Internationale Hof van Justitie wegens het schenden van verdragsbepalingen uit de VCCR.

Verzoeker heeft verweerder per e-mail op 1 april 2020 laten weten dat de beslistermijn op verzoekers klacht dan wel bezwaar overschreden is. Daarbij is verweerder in gebreke gesteld.

Verweerder heeft op 6 april 2020 aan verzoeker per e-mail laten weten dat de reactietermijn op zijn klacht met vier weken verlengd is en dat bij het afhandelen van een klacht een ingebrekestelling niet van toepassing is.

3 Verweerder stelt zich in het verweerschrift van 4 mei 2020 op het standpunt dat het verzoek aan verweerder tot het ondernemen van de genoemde acties geen aanvragen in de zin van de Awb zijn, aangezien zij niet kunnen leiden tot besluiten in de zin van de Awb. Het opnemen van contact met de Filipijnse autoriteiten of het Court of Appeals zijn feitelijke handelingen en het aanhangig maken van een beroep bij het Internationale Hof van Justitie kan alleen gedaan worden door de Staat der Nederlanden. Dit is geen bestuursorgaan zodat ook dat geen besluit in de zin van de Awb kan opleveren.

Verweerder concludeert dat de rechtbank niet bevoegd is tot het beoordelen van verzoekers beroep en verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van een klacht van verzoeker en niet van een bezwaarschrift. Ook daarom kan geen sprake zijn van een beroep tegen het niet tijdig beslissen en een bijbehorende voorlopige voorziening.

4 Verzoeker heeft bij e-mail van 8 mei 2020 gereageerd op het verweerschrift. Daarbij stelt verzoeker zich kortgezegd op het standpunt dat duidelijk is dat verweerder onvoldoende bijstand heeft verleend aan verzoeker bij zijn strafzaak in de Filipijnen en dat nog altijd nalaat.

Daarnaast is volgens verzoeker de Awb wel van toepassing aangezien verzoeker een conflict heeft met het ministerie van Buitenlandse Zaken, dus een bestuursorgaan. Het onderscheid tussen de Staat der Nederlanden en het bestuursorgaan het ministerie van Buitenlandse Zaken is een gekunstelde en onterecht gemaakt.

Verweerder biedt zelf op zijn website uitsluitend de mogelijkheid tot het maken van een klacht. Daarmee is verzoeker afgehouden van het maken van bezwaar, terwijl uit zijn bewoordingen duidelijk blijkt dat het wel zijn bedoeling was bezwaar te maken.

Tot slot stelt verzoeker dat hij is gedetineerd onder onhygiƫnische omstandigheden in een overbevolkte gevangenis. Gelet op zijn leeftijd en de uitbraak van het Coronavirus verkeert verzoeker in levensgevaar.

5 In deze procedure moet ambtshalve de vraag worden beantwoord of de voorzieningenrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen. Hierover wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en sub b, van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

6 De voorzieningenrechter stelt met verweerder vast dat de drie door verzoeker aan verweerder gevraagde acties, zoals hiervoor genoemd, geen besluiten kunnen opleveren in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Bij de eerste twee verzoeken (het verzoek de schending van de VCCR aanhangig te maken bij de Filipijnse regering en die tevens onder de aandacht te brengen bij het Court of Appeals) gaat het over de uitvoering van feitelijke handelingen door verweerder. Daarmee wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ten aanzien van het verzoek om een zaak aan te spannen bij het Internationale Hof van Justitie heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit alleen gedaan kan worden door de Staat der Nederlanden, zodat ook hieruit geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb kan volgen. De Staat is immers geen bestuursorgaan in de zin van de Awb. De Staat bestaat uit op zijn beurt wel weer uit heel veel bestuursorganen, waaronder ook verweerder. Verweerder zelf is echter niet bevoegd de gevraagde zaak aan te spannen.

Verweerder heeft verwezen naar een zaak die zag op het aanspannen van een procedure voor het verlenen van consulaire bijstand en een verzoek tot het aanhangig maken van een beroep bij het ICJ (Internationale Hof van Justitie). Deze zaak is behandeld door de civiele rechter en niet de bestuursrechter.

De omstandigheid dat verzoeker onder erbarmelijke omstandigheden gedetineerd is in de Filipijnen en dat verzoeker tot de risicogroep behoort bij een eventuele COVID-19 uitbraak, kan niets af doen aan het feit dat de bestuursrechter niet bevoegd is.

7 De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier, op 22 juni 2020.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.