Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5576

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
NL20.5524
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

bezwaar en vovo tegen feitelijke uitzetting, Cuba, vovo afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5524 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

V-nummer: [#]

verzoeker,

(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Tichelaar, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder is voornemens om verzoeker uit te zetten naar Cuba op 19 maart 2020. Omdat onverwijlde spoed dat vereist, is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

  1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter.

  3. De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling het volgende.

De drie voorafgaande procedures

3.1

Verzoeker heeft op 10 oktober 2017 voor het eerst een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij niet kan terugkeren naar Cuba omdat corrupte regeringsmedewerkers lastercampagnes voeren: hij wordt door hen vals beschuldigd van verkrachting, homoseksualiteit, pedofilie en er wordt gezegd dat hij een landverrader en antirevolutionair is. Ook wordt hij ervan beschuldigd mentale en psychische problemen te hebben waardoor hij gedwongen is opgenomen in een ziekenhuis in Cuba. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 19 september 2018 afgewezen, omdat de door verzoeker gestelde problemen met de autoriteiten en de lastercampagne en gedwongen opname niet geloofwaardig zijn geacht. De overige gestelde problemen zijn onvoldoende geacht voor het verstrekken van een verblijfsvergunning asiel. Verzoeker heeft tegen dit afwijzende besluit geen beroep ingediend. Het besluit staat daarom in rechte vast.

3.2

Op 20 augustus 2019 heeft verzoeker weer een asielaanvraag ingediend en aangevoerd dat hij ook in Europa wordt achtervolgd door corrupte elementen achter de Cubaanse regering vanwege landverraad. Een extrajudiciële rechtbank zal hem de doodstraf geven omdat hij als een gevaar wordt beschouwd voor de staatsveiligheid en de regering van Cuba. De Cubaanse autoriteiten voeren een lastercampagne tegen hem, waarbij hij valselijk wordt beschuldigd van pedofilie, homofilie en van verkrachting van kinderen. Bij besluit van 30 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Verweerder heeft verwezen naar het hierboven genoemde besluit van 19 september 2018. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 3 december 2019 (NL19.23635) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het onder meer volgende overwogen:

“5.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met de inhoud van de overgelegde documenten niet heeft onderbouwd dat hij wordt vervolgd door de Cubaanse autoriteiten. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat [naam] werkzaam is voor een Cubaanse veiligheidsdienst. Een vermelding op Facebook is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft daarom aan de verklaring van [naam] niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat uit de omstandigheid dat eiser in Spanje bij de Cubaanse autoriteiten een nieuw paspoort heeft aangevraagd en dat ook heeft gekregen, niet blijkt dat eiser in de negatieve belangstelling van de Cubaanse autoriteiten zou staan. Ten aanzien van eisers verzoek om meer gelegenheid te krijgen om nader bewijs te vergaren overweegt de rechtbank dat het uitgangspunt van opvolgende asielaanvragen is om deze informatie voorafgaand dan wel bij zijn aanvraag over te leggen. Eiser kan immers zelf beslissen wanneer hij zijn opvolgende asielaanvraag bij verweerder indient (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018, ECLI:RVS:2018:2098). Voorts heeft eiser ook tijdens deze procedure voldoende gelegenheid gehad nadere stukken in te brengen. De rechtbank wijst het verzoek in deze procedure daarom af.”
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.3

Op 5 december 2019 heeft verzoeker voor de derde keer een asielaanvraag ingediend en daarbij gesteld dat hij in het bezit is van nieuwe stukken die zijn verklaringen als afgelegd in de vorige asielprocedure ondersteunen. Verweerder heeft ook deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. In het voornemen van 30 december 2019 heeft verweerder aangegeven dat verzoeker heeft gesteld dat de stukken te maken zouden hebben met de Cubaanse politiek en dat verzoeker contact zou hebben gehad met mensen en vrienden die tevens tegen het Cubaanse regime zijn. Hij zou hen hebben ingelicht over wat hem is overkomen door toedoen van de Cubaanse autoriteiten. Verzoeker heeft verklaard contact te hebben gehad met [naam 2] , de oppositieleider in Cuba Verzoeker stelt dat het enkele feit dat hij hem heeft gesproken het risico met zich brengt dat hij bij aankomst in Cuba gevangen zal worden genomen. Verweerder leidt uit de verklaringen van verzoeker dat de overgelegde berichten al waren uitgewisseld tussen verzoeker en derden en hij hier in bezit van was tijdens de vorige procedure, betekent dat hij deze berichten had kunnen overleggen tijdens zijn tweede asielaanvraag. De verklaring van verzoeker dat hij dit niet heeft gedaan omdat zijn telefoonbatterij leeg was en hij ze hierdoor niet kon bestuderen en het verzoeker aan tijd ontbrak, heeft verweerder niet gevolgd, omdat verzoeker gezien het tijdverloop ruim de tijd heeft gehad om zijn telefoon te laden, zijn stukken te bespreken met zijn gemachtigde en in ieder geval de stukken ter sprake te brengen tijdens het gehoor opvolgende aanvraag. Indien hij de mogelijkheid er niet toe zag, kon van verzoeker wel worden verwacht de stukken te overleggen dan wel ter sprake te brengen tijdens het beroep dat door hem is ingesteld na afwijzing van zijn tweede asielaanvraag. Dat heeft hij nagelaten. Ook heeft hij in die procedure niet naar voren gebracht dat hij contact heeft gehad met de oppositieleider. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit alles afbreuk doet aan de geloofwaardigheid en dat verzoeker bovendien ook nu geen stukken heeft overgelegd terwijl hij daar wel de gelegenheid voor had. In het besluit van 14 januari 2020 heeft verweerder de overwegingen uit het voornemen overgenomen in dit besluit. Tegen dit besluit heeft verzoeker geen rechtsmiddelen aangewend.

Onderhavige vierde aanvraag

3.4

Op 20 januari 2020 heeft verzoeker voor de vierde keer een asielaanvraag ingediend. Die ligt in deze procedure voor. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoeker het volgende ingebracht:
- Twee screenshots van facebook messenger;
- Een door verzoeker zelf opgestelde lijst gebeurtenissen met namen van getuigen (personen en organisaties);
- Twee aangiftes van verzoeker bij de Verenigde Naties van respectievelijk 22 en 27 juli 2019; - Een door verzoeker opgesteld lijstje met telefoonnummers van mensen die verzoeker zou hebben gebeld;
- Audio-opname van telefoongesprek tussen verzoeker en een medewerker van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Cuba die aan de advocaat zou zijn gestuurd door Vluchtelingenwerk Nederland.

Verder heeft verzoeker aangegeven dat er in Duitsland documenten over hem zijn waaruit blijkt dat hij geen psychische problemen heeft en documenten van zijn werksituaties in Cuba. Ook heeft verzoeker aangegeven dat hij nog een uitdraai van WhatsApp berichten met leden van de Union Patriotica Cuba in Madrid [naam 3] en [naam 2] ) zou willen overleggen uit september 2018, maar daarvoor heeft hij geen tijd gehad. Bij de aanvullende gronden van zijn verzoek van 16 maart 2020 heeft verzoeker een pagina van het verslag van zijn gehoor van 10 februari 2020 overgelegd waaruit blijkt dat hij een telefoonnummer noemt van [naam 2] en daarbij gevoegd een uitdraai van de website van de Union Patriotica Cuba waarop het telefoonnummer van [naam 2] staat vermeld. Verder heeft verzoeker een geschreven document overgelegd van [naam 4] ter onderbouwing van verzoekers stelling dat hij om politieke redenen opgenomen is geweest in een psychiatrische inrichting in Cuba.

Voorlopig oordeel voorzieningenrechter

4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich met de uitgebreide motivering in het voornemen en het besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoeker met zijn verklaringen en de nu ingebrachte stukken niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Cuba te vrezen heeft. Verzoeker heeft in de eerdere procedures, maar ook in deze, naar stukken verwezen die hij niet heeft ingebracht, ondanks dat hij daarvoor ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Verweerder heeft de redenen die verzoeker daarvoor geeft niet ten onrechte niet aannemelijk geacht. Voor zover deze stukken later wel zijn overgelegd, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze stukken (waaronder ook de geluidsopname) niet verifieerbaar zijn en dat een door verzoeker zelf opgesteld document niet als objectieve onderbouwing kan dienen. Voorts heeft verweerder in de voorgaande procedures en ook in deze procedure niet ten onrechte steeds bevreemdingwekkend kunnen vinden dat verzoeker belangrijke verklaringen ter onderbouwing van zijn gestelde vrees niet eerder naar voren heeft gebracht. Ook heeft verweerder tegen kunnen werpen dat verzoeker de namen van de gestelde contacten niet meer weet en dat de gestelde posities en functies van deze contacten op geen enkele wijze nader zijn onderbouwd. Ook heeft verweerder met de motivering in het voornemen en het besluit het gestelde contact met de heer [naam 2] niet aannemelijk kunnen achten. Het eerst in de aanvullende gronden ingebrachte niet vertaalde document van [naam 4] maakt dit in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet anders.

5. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoekers beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter geen grond om toch een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

6. Gelet op deze uitspraak bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een ordemaatregel zoals (ook) door verzoeker is verzocht.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.