Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5565

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
NL20.8009 en NL20.8011
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, int. vertrouwensbeginsel, coronacrisis, artikel InfoMigrants, medische situatie niet onderbouwd, beroepen ongegrond.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:5564)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.8009 en NL20.8011

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] en [eiseres] , eisers

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluiten van 1 april 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL20.8010 en NL20.8012, door middel van een Skype-beeldverbinding plaatsgevonden op 5 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Uiterwaal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser stellen dat zij de Nigeriaanse nationaliteit hebben en dat zij zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1992 en [geboortedatum 2] 1987. Eiser heeft op 10 september 2015 in Italië asiel aangevraagd. Eiseres heeft dit op 13 mei 2016 gedaan. Eisers hebben op 24 oktober 2019 in Nederland asiel aangevraagd.

  2. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Weliswaar heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 8 april 20201 nog geoordeeld dat ten aanzien van Italië, ook in het geval van bijzondere kwetsbare asielzoekers, nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar de huidige situatie in Italië is door de gevolgen van het coronavirus ernstig veranderd. Asielzoekers moeten op straat zien te overleven, hebben geen eten en geen toegang tot de medische voorzieningen in Italië. In dit verband verwijzen eisers naar het artikel ‘Quarantine and asylum: This is what migrants are saying’, van InfoMigrants, van 31 maart 2020.

4. Verder stelt eiser dat hij in Italië ten onrechte in detentie heeft gezeten. Verweerder is in het bestreden besluit van eiser onvoldoende ingegaan op dit punt. Daarnaast wordt eiser bedreigd door een criminele organisatie in Italië. Ter onderbouwing van deze bedreiging heeft hij screenshots van berichten van zijn mobiele telefoon overgelegd. Eiseres voert aan dat zij eerder in Italië geen toegang heeft gehad tot de medische zorg. Volgens eiseres heeft het gebrek aan medische zorg zodanig ernstige gevolgen dat het geen zin heeft om hierover te klagen bij de Italiaanse autoriteiten.

5. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. Eisers zijn daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Eisers hebben geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in Italië sprake is van systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Vanwege de coronacrisis vinden op dit moment geen overdrachten plaats. Dat is een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020. Wanneer dat beletsel weer is opgeheven, kunnen eisers in beginsel alsnog worden overgedragen aan Italië. Dat redelijkerwijs te voorzien valt dat tegen die tijd sprake zal zijn van een zodanig structurele verslechtering in de leef- en opvangomstandigheden als gevolg van de in Italië getroffen maatregelen ter bestrijding van de coronacrisis dat Dublinclaimanten in Italië een reëel risico zullen lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden hebben eisers niet aannemelijk gemaakt.

6. Van bijzondere individuele op de persoon van eisers toegespitste omstandigheden is hier dan ook geen sprake. Het artikel van Infomigrants waar eisers naar verwijzen ziet op de situatie van asielzoekers tijdens de coronacrisis in meerdere Europese landen en niet alleen op omstandigheden in Italië. Dat Italië door de verspreiding van het coronavirus niet meer aan zijn internationale verplichtingen kan voldoen blijkt niet uit het artikel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. De rechtbank overweegt verder dat ook uit het persoonlijk relaas van eisers niet kan worden afgeleid dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ten aanzien van de onrechtmatige detentie heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat Italië zich jegens eiser aan zijn internationale verplichtingen heeft gehouden. Eiser was ten onrechte gedetineerd, maar is

1. ECLI:NL:RVS:2020:986.

vervolgens ook weer vrijgesproken en vrijgelaten. De rechtbank is verder van oordeel dat voor zover sprake is geweest van bedreiging, eiser daarvoor bescherming moet zoeken bij de Italiaanse autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat de Italiaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Ten aanzien van de medische situatie van eiseres overweegt de rechtbank dat eiseres geen medische stukken heeft overgelegd. Er is dan ook niet gebleken dat eiseres onder medische behandeling staat. Ook is niet gebleken dat, mocht eiseres medische behandeling nodig hebben, Nederland de meest aangewezen lidstaat is om haar te behandelen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in Italië de medische voorzieningen in het algemeen vergelijkbaar zijn met die in de andere lidstaten en dat het aan eiseres is om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt voor haar geval niet opgaat. Eiseres is hierin niet geslaagd. Daar komt nog bij dat eiseres zich bij voorkomende problemen met betrekking tot toegang tot medische zorg dient te wenden tot de daartoe geëigende instanties en de (hogere) autoriteiten om zich te beklagen. Niet gebleken is dat die mogelijkheid er voor eiseres niet is. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eisers geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren hebben gebracht op grond waarvan verweerder de aanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. De beroepsgronden slagen niet.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

17 juni 2020

Documentcode: DSR11917270

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.