Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5549

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
NL20.9527 en NL20.9529
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland. Duits visum. Buiten zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.9527 en NL20.9529


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer 1] en

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer 2]

mede namens hun minderjarige kind:

[kind]

V-nummer [V-nummer 3]

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 24 april 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] , eiseres op [geboortedatum 2] en hun kind op [geboortedatum 3] . Zij zijn van Myanmarese nationaliteit.

  2. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

  3. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om op grond van artikel 8:54 Awb uitspraak te doen zonder zitting.

  4. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om overname gedaan omdat Duitsland eisers een Schengenvisum heeft verstrekt. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

  5. Eisers voeren aan dat verweerder hun aanvragen op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening zelf in behandeling moet nemen omdat zij in Duitsland zullen worden blootgesteld aan een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Er zijn concrete aanwijzingen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt en de Richtlijnen niet naleeft. Niet valt uit te sluiten dat Duitsland zich direct dan wel indirect schuldig maakt aan refoulement. De opvang in Duitsland voldoet niet aan de vereisten als beschreven in artikel 17, tweede lid van de Opvangrichtlijn. Er zijn concrete aanwijzingen dat eisers verstoken zullen zijn van opvang, voorzieningen en juiste medische zorg, en niet in staat zijn daartegen in Duitse of Europese Unie-procedure op te komen. Asielzoekers hebben geen toegang tot een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel wegens een gebrek aan rechtsbijstand. Eerst in een bezwaar- en beroepsfase kunnen zij zich doen bijstaan door een rechtshulpverlener. Dit is in strijd met richtlijn 2005/85/EG, en het Handvest. In Duitsland kunnen eisers hun asielmotieven niet goed naar voren brengen door systeemfouten in de asielprocedure. Daardoor lopen zij het risico terug te worden gestuurd naar Myanmar en daar blootgesteld te worden aan een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest. De bewijslast dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen wordt ten onrechte eenzijdig en volledig bij eisers neergelegd. Eisers verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 september 2013 (Cimade, C-179/11) en stellen dat verweerder zelfstandig nader onderzoek had moeten doen naar de opvangvoorzieningen in Duitsland.

  6. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval anders is. Daar zijn eisers niet in geslaagd. Eisers hebben namelijk geen enkel document ingebracht waaruit blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure in Duitsland. Het beroep op het arrest Cimade leidt ook niet tot een ander oordeel, nu dit arrest gaat over de vraag welk minimumniveau aan opvangvoorzieningen geboden moet worden door de verzoekende lidstaat, in dit geval Nederland. Dit arrest gaat dus niet over de situatie in de lidstaat waar naartoe overgedragen wordt. Ook de stelling dat in Duitsland geen sprake is van een effectief rechtsmiddel treft geen doel, nu het systeem van rechtsbijstand in Duitsland in overeenstemming is met artikel 20 van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU). Daarbij komt dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd de onderhavige asielaanvraag in overeenstemming met de geldende richtlijnen in behandeling te nemen. Duitsland is zich daarmee verplicht om het verzoek te toetsen aan de hand van de geldende (internationale) wet- en regelgeving. Voor zover Duitsland zich niet houdt aan zijn internationale (verdrags)verplichtingen, heeft verweerder terecht gesteld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat hierover behoort te worden geklaagd bij de aangewezen (hogere) autoriteiten van Duitsland dan wel geƫigende instanties. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat voor hem die mogelijkheid niet bestaat, of dat dit bij voorbaat zinloos is. Er is gelet op al het voorgaande geen reden voor het oordeel dat al op voorhand sprake is van een risico op (indirect) refoulement.

  7. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt (ook in het geval van eisers).

  8. De beroepen zijn kennelijk ongegrond.

  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op en openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.