Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5546

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
nl20.9899
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afghanistan, afvalligheid, tatoeages, geaardheid, hazara

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9899

[nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).


Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de vierde asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en het eerder opgelegde inreisverbod van twee jaar gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] in Iran. Hij heeft nimmer in Afghanistan gewoond. Eiser behoort tot de Hazara bevolkingsgroep.

2. Op 17 november 2015 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 16 april 2015 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 13 mei 2016 heeft de rechtbank Den Haag1 het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek. Eiser heeft vervolgens zijn asielmotieven aangevuld en verklaard te zijn bekeerd en van de islam afvallig te zijn. Verweerder heeft bij besluit van 14 juli 2017 de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft op 18 mei 2018 het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard2. Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling3 bevestigd op 3 juli 2018.

3. Op 13 juli 2018 heeft eiser zijn tweede asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 17 augustus 2018 heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake was van nieuwe elementen en bevindingen. Aan eiser is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 26 september 20184, ongegrond verklaard. Op 9 november 2018 heeft de Afdeling in hoger beroep deze uitspraak bevestigd.

4. Eiser heeft op 10 januari 2019 zijn derde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 17 januari 2019 buiten behandeling gesteld en het eerder opgelegde inreisverbod is gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

5. Op 16 maart 2020 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de gestelde homoseksuele geaardheid;

- de gestelde verkrachting door de Basidj;

- de vrees vanwege het hebben van tatoeages.

6. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser worden gevolgd. De gestelde homoseksuele gerichtheid wordt echter niet geloofwaardig geacht.

De gestelde verkrachting door drie leden van de Basidj is niet beoordeeld omdat deze in Iran zou hebben plaatsgevonden.

Voor wat betreft eisers vrees om als afvallige te worden aangemerkt wijst verweerder erop dat in een eerdere procedure is geconcludeerd dat de gestelde afvalligheid van eiser niet wordt gevolgd. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er bij uitzetting naar Afghanistan sprake zal van toegedichte afvalligheid, omdat de vijf tatoeages van eiser geen religieuze betekenis hebben. Het hebben van deze tatoeages kan niet tot de gestelde vrees leiden.

Het feit dat eiser als Hazara tot een risicogroep behoort leidt volgens verweerder niet tot vluchtelingschap nu er geen sprake is van de vereiste ‘geringe indicaties’.

7. Wat eiser hiertegen in beroep heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. Eiser heeft vijf tatoeages op zijn lichaam. Vanwege een tatoeage in de vorm van een roos die de rug van zijn hand bedekt, vreest hij door de islamitische bevolking van Afghanistan te worden gezien als een afvallige. Eiser stelt daarbij dat verweerder ten onrechte, met verwijzing naar de beslissing tot het buiten behandeling laten van de derde aanvraag, heeft nagelaten zijn huidige beroep op afvalligheid alsnog te beoordelen. Eiser merkt op dat zijn verklaringen hierover destijds niet inhoudelijk zijn beoordeeld. Nu eiser zich opnieuw beroept op afvalligheid dient verweerder dat volgens eiser alsnog te doen.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het besluit tot het buiten behandeling laten van de derde aanvraag en daarmee niet inhoudelijk beoordelen van de ter onderbouwing van die aanvraag afgelegde verklaringen staat in rechte vast. Uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag op 9 en 10 april 2020 blijkt niet dat eiser opnieuw heeft gesteld dat hij afvallig is. Eerst nadat de gehoorambtenaar eiser heeft bevraagd over de tatoeages, heeft eiser verklaard dat hij vanwege deze tatoeages vreest te zullen worden aangevallen in Afghanistan en dat de Taliban tatoeages niet accepteren. Verweerder heeft deze verklaringen van eiser voldoende beoordeeld op de mogelijkheid van toegedichte afvalligheid. Verweerder heeft daarbij terecht van belang geacht dat de vijf tatoeages – zoals eiser ook zelf heeft verklaard – geen religieuze betekenis hebben. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hebben van tatoeages als zodanig in Afghanistan als anti-islamitisch zal worden aangemerkt, als gevolg waarvan eiser afvalligheid zou kunnen worden toegedicht. Hiermee is dan ook niet aannemelijk geworden dat eiser een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM5 bij uitzetting naar Afghanistan. Eisers stelling, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling6, dat van een vreemdeling niet te allen tijde kan worden verlangd om een (christelijke) tatoeage te bedekken teneinde een eventueel risico bij terugkeer te voorkomen, gaat in dit geval dan ook niet op.

De enkele verklaring van eiser ter zitting dat hij door een gelovige kamergenoot in het AZC is aangevallen omdat eiser tegen hem had gezegd geen geloof te hebben, maakt evenmin aannemelijk dat eiser bij terugkeer in Afghanistan als afvallig van de islam zal worden beschouwd.

9. Verweerder heeft onder verwijzing naar het beoordelingskader in de werkinstructie 2019/17 in het voornemen en het bestreden besluit uitvoerig gemotiveerd waarom eiser met zijn verklaringen de gestelde homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder werpt eiser onder meer tegen dat hij is blijven steken in summiere verklaringen die onvoldoende inzicht geven in eisers persoonlijke gedachten en gevoelens aangaande zijn geaardheid. Verweerder heeft aldus, overeenkomstig zijn beoordelingskader, het zwaartepunt van de beoordeling gelegd bij verklaringen van eiser over diens eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Eisers niet-onderbouwde opvatting in het aanvullend beroepschrift, dat hij in zijn verklaringen een ontwikkeling laat zien in zijn seksuele zelfbeeld, weerlegt de tegenwerpingen van verweerder niet.

10. Ook heeft verweerder conform het beoordelingskader de verklaringen van eiser over de situatie voor homoseksuelen in Afghanistan betrokken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het onredelijk is om hem te verwachten dat hij zich in die situatie heeft verdiept. Eiser heeft immers inmiddels meerdere niet-succesvolle aanvragen heeft gedaan en hij is eerder met uitzetting bedreigd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit ook toereikend gemotiveerd waarom van eiser gezien zijn gestelde gerichtheid mag worden verwacht dat hij enige kennis heeft van de positie van LBHTI’s in Nederland. Dat eiser ten tijde van zijn vertrek uit Iran te jong was om wezenlijke kennis te hebben van de LHBTI-gemeenschap aldaar, zoals eiser stelt, doet niet af aan de verdere motivering van het bestreden besluit.

11. De stelling van eiser dat het telefonisch horen van invloed is geweest op zijn vermogen tot verklaren, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat eiser niet, zoals is aanbevolen in het richtsnoer van de Europese Commissie7, met behulp van een videoverbinding is gehoord omdat die faciliteit alleen wordt gebruikt voor kansrijke zaken, terwijl eiser inmiddels meerdere vergeefse asielaanvragen heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat het genoemde richtsnoer geen bindend instrument is en is van oordeel dat verweerder in dit geval niet onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser telefonisch te horen. Van belang is daarbij dat eiser na afloop van het gehoor geen op – of aanmerkingen had over de wijze van horen. Uit het verslag is niet op te maken dat eiser door het telefonisch horen is belemmerd om te verklaren. Dat tijdens het gehoor meer had moeten worden doorgevraagd naar de reden waarom eiser het adres van zijn vriend [naam] niet wist te vertellen, volgt de rechtbank niet. Eiser is, net als in zijn eerdere asielprocedures, voorafgaand aan het gehoor gewezen op het belang om volledig en naar waarheid te verklaren. Verweerder heeft dan ook terecht tegengeworpen dat eiser – naar hij later in zijn zienswijze heeft gesteld – bewust heeft gezwegen over het adres van zijn vriend. Dat de gehoorambtenaar dit al had kunnen afleiden uit de mimiek van eiser indien het gehoor met een videoverbinding had plaatsgehad, ontslaat eiser niet van zijn genoemde verantwoordelijkheid.

12. Het overgelegde medisch dossier van de GGD op naam van eiser leidt niet tot de conclusie dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser aannemelijk moet worden geacht, nu eiser er niet in is geslaagd om die gerichtheid met eigen verklaringen aannemelijk te maken.

13. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de gestelde verkrachting van eiser in Iran niet kan leiden tot het verlenen van een asielvergunning, aangezien eisers asielmotieven worden getoetst aan de situatie in het land waarvan hij de nationaliteit heeft, Afghanistan.

14. Eiser behoort als Hazara weliswaar tot een risicogroep, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van geringe indicaties dat eiser in Afghanistan zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade. De omstandigheid dat eiser nooit eerder in Afghanistan is geweest en hij daarom geen netwerk heeft, noch het gegeven dat eiser een zichtbare, niet-religieuze tatoeage heeft is hiervoor voldoende.

15. Voor zover eiser zich er ten slotte op beroept dat traumatische ervaringen van invloed zijn geweest op zijn verklaringen, overweegt de rechtbank dat dat niet kan worden afgeleid uit het verslag van het opvolgend gehoor en dat eiser dat overigens niet met bewijs heeft onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om zoals eiser heeft verzocht, het iMMO8 als deskundige in te schakelen.

16. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Kenmerk AWB 16/8348

2 Kenmerk NL17.6895

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

4 Kenmerk NL18.15486

5 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

6 Zie uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1803

7 Covid-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging

8 instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek