Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5525

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
NL20.11782
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Conservatoire maatregel
Inhoudsindicatie

vervolgberoep bewaring. maatregel is inmiddels opgeheven en eiser is over land uitgezet. Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11782


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 maart 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Vervolgens heeft verweerder op 6 juni 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft op 10 juni 2020 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en doet heden uitspraak.

Overwegingen

1. Eiser stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 mei 2020 (in de zaak,NL20.10257) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, namelijk op 11 mei 2020, rechtmatig was.

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van zijn uitzetting. Uit de voortgangsrapportage van 4 juni 2020 volgt dat eiser op die dag uiteindelijk heeft meegewerkt aan zijn uitzetting met de bus. Daarvoor had verweerder al een uitzetting over land gepland voor eiser, namelijk op 26 mei 2020, die niet doorging.
In de uitspraak van 18 mei 2020 ging de rechtbank ervan uit dat eiser op 13 mei 2020 per vliegtuig zou worden uitgezet. Deze vlucht is op 11 mei 2020 geannuleerd. Verweerder heeft vervolgens een andere vlucht geboekt voor uitzetting op 26 mei 2020. Deze vlucht is op 22 mei 2020 geannuleerd. Eerst op 25 mei 2020 heeft verweerder besloten eiser over land uit te zetten. Eiser meent dat verweerder dit reeds na de annulering van de vlucht van 13 mei 2020 had moeten doen. Verweerder had immers toen al moeten en kunnen weten dat een uitzetting met een vliegtuig niet mogelijk was.

4.1

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Dat verweerder eerst op 25 mei 2020 heeft besloten eiser over land uit te zetten acht de rechtbank niet onvoldoende voortvarend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in de tussentijd niet stil heeft gezeten en meermaals heeft gepoogd eiser per vliegtuig uit te zetten, maar dat deze vluchten steeds door de luchtvaartmaatschappij zijn geannuleerd. Daartoe is voorts van belang dat de maatregelen die door Nederland en andere landen zijn getroffen in verband met de bestrijding van het coronavirus, zoals de sluiting van het luchtruim, van tijdelijke aard en buiten de invloedsfeer van verweerder zijn. Dat verweerder vervolgens voor een alternatieve uitzettingswijze heeft gekozen, namelijk uitzetting over land, leidt des te meer tot het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld aan de uitzetting van eiser.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken

op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt

deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.