Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5524

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
NL19.30332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak, verweerder heeft gebrek niet (tijdig) hersteld.

Artikel 8:51a lid 2 Awb, artikel 8:57 lid 2 en 3 Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

einduitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL19.30332

einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Jalouqa).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 21 december 2018 gegrond verklaard.

Bij besluit van 11 december 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijkertijd met de behandeling van de zaak NL19.30333 en de zaken van de ouders van eiseres NL19.30334, NL19.30335, NL19.30336 en NL19.30337, plaatsgevonden op 3 januari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook haar ouders zijn verschenen op de zitting. Als tolk is verschenen de heer

S.M. Razaghi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 16 januari 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Op 27 januari 2020 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat hij gebruik maakt van de geboden gelegenheid om het gebrek te herstellen.

Omdat de hersteltermijn van twaalf weken ongebruikt is verstreken en de rechtbank ook geen verzoek van verweerder heeft ontvangen om de hersteltermijn te verlengen, heeft de rechtbank op 10 juni 2020 besloten dat in deze zaak geen nader onderzoek ter zitting wordt gedaan en het onderzoek gesloten (artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:57, derde lid van de Awb).

Overwegingen

  1. De rechtbank handhaaft het oordeel dat in de tussenuitspraak is vermeld.

  2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder in het kader van een zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek zal moeten doen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit een gebrek bevat omdat het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Verweerder had eiseres aanvullend moeten horen over haar asielmotief. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat verweerder het gebrek kan herstellen door (1) eiseres opnieuw te horen over haar asielmotieven en (2) haar ouders te horen over de rol die zij spelen bij de geloofskeuze van hun dochter en over de vraag of zij eiseres in Afghanistan (weer) het islamitische geloof zullen laten belijden. Vervolgens heeft de rechtbank in de tussenuitspraak bepaald dat verweerder op basis van de nadere gehoren zal moeten beslissen of hij het besluit van 11 december 2019 handhaaft met een aanvullende motivering of dat hij een nieuw besluit neemt.

  3. De rechtbank stelt vast dat verweerder het gebrek niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld en ook niet om verlenging van de hersteltermijn heeft gevraagd. Omdat het gebrek niet (tijdig) door verweerder is hersteld, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De reden daarvoor is nu juist dat verweerder geen poging heeft ondernomen het gebrek (tijdig) te herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

  4. Voor zover in de tussenuitspraak niet alle beroepsgronden zijn besproken, heeft dat te maken met het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit. De uitkomst van die beroepsgronden hangt namelijk af van de uitkomst van de nadere besluitvorming van verweerder op het punt van het gebrek. Daarom kan de rechtbank die beroepsgronden ook in deze uitspraak niet beoordelen. Deze punten zullen in de nadere besluitvorming van verweerder opnieuw aan de orde moeten komen.

  5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde

per punt van € 525,- en een factor 1,5 voor het gewicht van de zaak). De rechter is van oordeel dat deze zaak samenhangt met de zaken NL19.30334 en NL19.30336 zoals bedoeld in artikel 3 van het Bpb. Voor de vaststelling van de proceskostenveroordeling worden op grond van dit artikel samenhangende zaken beschouwd als één zaak. De rechtbank zal daarom in iedere zaak € 525,- aan proceskosten toekennen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

15 juni 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.