Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5513

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
NL20.8086
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland. Geen geslaagd beroep op art 9 en art 16 van de Dublinverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8086


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. de Haan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 14 mei 2020 bericht dat het naar haar oordeel niet nodig is in deze zaak een zitting te houden. Indien partijen wel gehoord willen worden op een zitting dienen zij dat uiterlijk op 22 mei 2020 om 17:00 uur te laten weten.

Partijen hebben niet gereageerd op de brief van de rechtbank.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser komt uit Marokko en is geboren op [1989] . Uit Eurodac blijkt dat eiser op 12 maart 2017 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend en op 18 mei 2018 in Duitsland. Daarna heeft eiser een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat hij Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk acht voor de behandeling van die asielaanvraag.1 Nederland heeft op 30 januari 2020 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dat verzoek op 11 februari 2020 geaccepteerd.

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser betwist dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Volgens eiser is Italië verantwoordelijk. Eiser voert daartoe aan dat hij een asielaanvraag in Italië heeft ingediend en niet weet waarom de Italiaanse autoriteiten daar niet op hebben beslist. Volgens eiser is het aannemelijk dat hij zijn vingerafdrukken in Italië heeft laten afnemen, omdat hij samen met zijn familieleden in Italië is aangekomen en toen heeft aangegeven een asielaanvraag te willen doen. Bovendien heeft Zwitserland hem op grond van de Dublinverordening eerder ook geclaimd op Italië.

3. De rechtbank overweegt dat Duitsland de claim van de Nederlandse autoriteiten op 11 februari 2020 heeft geaccepteerd. Gelet hierop en gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 maart 2014 is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag en is verweerder niet gehouden zich ervan te vergewissen of dit land zich terecht daarvoor verantwoordelijk acht.2 In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank overigens ook geen aanleiding voor concrete twijfel aan de vermelding in Eurodac, dat eiser (alleen) in Zwitserland en Duitsland een asielverzoek heeft ingediend en niet (ook) in Italië, zodat er geen aanleiding bestaat om een terugnameverzoek bij Italië in te dienen. Verder is ook niet gebleken van zeer bijzondere, met de asielaanvragen samenhangende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder in de beschikking geen opmerking heeft gemaakt over de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn in Italië verblijvende familieleden, zodat dat geen onderwerp van discussie is, te meer omdat hij in het aanmeldgehoor heeft aangegeven dat hij bij zijn familieleden wenst te verblijven. Daarnaast heeft eiser opgemerkt dat verweerder er in de claim geen melding van heeft gemaakt dat eiser familie in Italië heeft met een verblijfsstatus. Hierdoor was Duitsland daar misschien niet van op de hoogte, terwijl verweerder dat wel wist. Nederland had daarom volgens eiser op grond van artikel 9 en artikel 16 van de Dublinverordening een terugnameverzoek bij Italië moeten indienen. Eiser handhaaft daarom zijn al eerder ingenomen standpunt dat verweerder moet afzien van de voorgenomen overdracht van eiser aan Duitsland en de behandeling van het asielverzoek aan zich moeten trekken.

5. Op grond van artikel 9 van de Dublinverordening is de lidstaat die een gezinslid van de verzoeker heeft toegelaten als persoon die internationale bescherming geniet verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming indien betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen. Daargelaten of eiser wel aangemerkt kan worden als een gezinslid in de zin van artikel 9 van de Dublinverordening, volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 31 oktober 20193 dat als er sprake is van een terugnamesituatie zoals hier aan de orde is, een vreemdeling in de tweede lidstaat geen beroep kan doen op een criterium van hoofdstuk III, waaronder artikel 9, van de Dublinverordening. Het is, gelet op het claimakkoord, aan Duitsland om deze stelling van eiser te beoordelen.

6. Ook het beroep van eiser op artikel 16 van de Dublinverordening kan om deze reden niet slagen. Daarbij geldt overigens eveneens dat eiser tot op heden zijn stelling dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening niet heeft onderbouwd. Verweerder was daarom ook niet gehouden om deze informatie op te nemen in het overnameverzoek aan Duitsland of daar in het bestreden besluit op in te gaan. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat voor zover eiser een beroep doet op artikel 24, derde lid, van de Dublinverordening, dat beroep evenmin slaagt. Uit de uitspraak van 12 september 2017 van de ABRvS4 volgt immers dat verweerder alleen gehouden is om die informatie in het claimverzoek te verstrekken die relevant is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Dat eiser stelt dat hij familie heeft in Italië is geen informatie die relevant is voor Duitsland om vast te stellen wie er verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Verweerder hoefde dus ook om die reden geen informatie over familiebanden in Italië aan Duitsland mee te delen.

7. Gelet op de voorgaande overwegingen bestond er voor verweerder geen aanleiding om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, aan zich te trekken.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 In artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

2 ECLI:NL:RVS:2014:1063

3 ECLI:NL:RVS:2019:3672

4 ECLI:NL:RVS:2017:2484