Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5511

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
NL20.8130
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin. Fatale Overdrachtstermijn verstreken. Beroep gegrond. PV van mondelinge usp op 17 juni 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8130


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. I.M. Borggreve),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Biçer).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.P.A. de Zwart, waarneemster van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat vooralsnog geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in de nationale procedure in behandeling te nemen omdat hij zich wil beraden over mogelijke consequenties van de Mededeling van de Europese Commissie – COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging van 17 april 2020 (2020/C 126/02, hierna de richtsnoeren). Volgens verweerder wordt in Europees verband onderzocht of de reeds vastgestelde verantwoordelijkheid onder de Dublinverordening kan worden behouden ondanks het verstrijken van overdrachts-termijnen in de gehele periode dat geen overdrachten hebben kunnen plaatsvinden door het coronavirus.

4. Eiser heeft uiteindelijk aangevoerd dat zijn beroep gegrond dient te worden verklaard nu de in artikel 29 van de Dublinverordening genoemde overdrachtstermijn van zes maanden is verstreken.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de overdrachtstermijn is verstreken. Partijen verschillen van mening over de consequenties daarvan en daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Nu eisers niet binnen de overdrachtstermijn van zes maanden na acceptatie van het overnameverzoek aan de Italiaanse autoriteiten zijn overgedragen, is Nederland overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de termijnen van de Dublinverordening bindend zijn en dat de Dublinverordening geen bepaling bevat die toestaat van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, af te wijken in een situatie als deze, waarin overdrachten niet kunnen plaatsvinden vanwege het coronavirus. De richtsnoeren van de Europese Commissie, hoewel niet bindend, onderstrepen dat. Daarin staat onder meer het volgende: “Wanneer een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, verschuift de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de Dublinverordening naar de lidstaat die om de overdracht heeft verzocht. De verordening bevat geen bepaling die toestaat van deze regel af te wijken in een situatie zoals die welke als gevolg van de COVID-19-pandemie is ontstaan.”

Het door verweerder genoemde onderzoek in Europees verband naar het bindende karakter van de Dublinverordening in tijden van corona maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu geen concrete aanknopingspunten zijn gegeven voor de verwachting dat de bindende bepalingen uit de Dublinverordening met terugwerkende kracht zullen worden gewijzigd.

6. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden.

7. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen nadere bespreking. Verweerder zal de asielaanvraag in behandeling moeten nemen en een nieuw besluit op die aanvraag moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020 door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van Y.D. Ancion, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.