Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2089
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond na benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. Hamann),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Puister).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de hoogte van de aan haar op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekende WGA-vervolguitkering (Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) per 1 november 2017 niet wijzigt.

Bij besluit van 20 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting het onderzoek heropend en bepaald dat als deskundige longarts [deskundige] (de deskundige) wordt benoemd om eiseres te onderzoeken en hiervan de rechtbank van verslag en advies te voorzien. Op 2 januari 2020 heeft de deskundige aan de rechtbank gerapporteerd.

Partijen hebben op het rapport gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting

achterwege blijft, waarna het onderzoek op 15 mei 2020 is gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is op 14 maart 2014 uitgevallen voor haar werk als productiemedewerkster voor 39,72 uur per week wegens psychische klachten. Bij besluit van 13 januari 2016 is aan haar per 11 maart 2016 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,62% is vastgesteld. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard.

1.2

Eiseres heeft verweerder op 15 mei 2018 meegedeeld dat haar psychische klachten per 1 november 2017 zijn toegenomen, waarna verweerder een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft laten verrichten.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf

1 november 2017 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen, namelijk 52,79%, maar dat de hoogte van de WGA-vervolguitkering die zij ontvangt niet wijzigt. In bezwaar is het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 52,77%, als gevolg waarvan het bezwaar bij het bestreden besluit gegrond is verklaard. De arbeidsongeschiktheidsklasse blijft echter onverminderd 45 tot 55%.

De medische beoordeling.

2. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV.

2.1

De verzekeringsarts heeft eiseres op 17 juli 2018 zowel psychisch als lichamelijk onderzocht. Hierbij is naar voren is gekomen dat een toename van psychische klachten en rechter knieklachten bij eiseres op de voorgrond staan. De verzekeringsarts heeft tegen die achtergrond diverse beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgelegd. Ook acht hij eiseres beperkt voor knie belastende arbeid, waarbij het gaat om beperkingen voor langdurig staan en lopen en langdurig knielen en/of hurken.

2.2

De verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] heeft naar aanleiding van het bezwaar een medisch onderzoek bij eiseres verricht. Uit het rapport van deze arts van 24 januari 2019 volgt dat zij eiseres op 20 december 2018 op de hoorzitting heeft gezien waarna zij aansluitend bij eiseres een oriënterend psychisch onderzoek heeft verricht. Ook heeft de verzekeringsarts b&b de dossiergegevens bestudeerd, waarbij zij kennis heeft genomen van de door eiseres in bezwaar overgelegde medische informatie van GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] van 27 september 2018 en de apotheekuitdraaien die betrekking hebben op de perioden van

10 juli 2018 tot 15 september 2018 en van 9 september 2018 tot 29 oktober 2018. De verzekeringsarts b&b is tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van eiseres op enkele punten is overschat. Zij acht eiseres vanwege de bij haar bestaande angst- en paniekklachten ook beperkt voor het samenwerken (onderdeel 2.9). Vanwege rugklachten is een aanvullende beperkingen van toepassing voor het frequent buigen tijdens het werk (onderdeel 4.11). Vanwege de knieklachten geldt een extra beperking voor het tillen (onderdeel 4.14). Deze beperkingen en de overige beperkingen die van toepassing zijn, heeft de verzekeringsarts b&b vastgelegd in de FML van 24 januari 2019.

3.1

Eiseres voert in beroep aan dat zij vanwege haar lichamelijk en psychische klachten veel beperkter is dan door de verzekeringsartsen van verweerder is vastgesteld. De verzekeringsarts b&b heeft daarom miskend dat er meer belastbare aspecten zijn die in de FML moeten worden vastgelegd.

3.2

Eiseres heeft haar dossier ter beoordeling voorgelegd aan verzekeringsarts/medisch adviseur [adviseur] en aan arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] . Zij hebben op 12 maart respectievelijk 3 juli 2019 separaat een rapport uitgebracht. Deze rapporten heeft eiseres in beroep overgelegd. Uit deze rapporten blijkt volgens eiseres dat zij in hogere mate arbeidsongeschikt is dan is vastgesteld door verweerder. Twee van de drie door verweerder geduide functies zijn niet geschikt omdat deze haar belastbaarheid overschrijden. Met name de beperkingen die zij als gevolg van haar knie- en longklachten heeft zijn onderschat.

4. Verweerder heeft de verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] laten reageren op de hiervoor bedoelde rapporten. Zij stelt zich op het standpunt dat er geen objectieve en overtuigende feiten zijn die ondersteunen dat meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen in verband met de long- en knieklachten van eiseres. Bij eiseres is volgens de verzekeringsarts b&b geen sprake van allergische astma en/of bronchiale hyperreactiviteit. Zij heeft dit niet uit de ter beschikking staande medische gegevens kunnen afleiden. Evenmin is een allergie voor huisstofmijt aangetoond. Een beperking voor stof, rook, gassen en dampen (onderdeel 3.6) is daarom niet aan de orde. Ook met betrekking tot de knieklachten worden geen duidelijke afwijkingen beschreven. Dergelijke afwijkingen zijn door de beoordelend verzekeringsarts ook niet geconstateerd. In de FML is eiseres beperkt geacht voor dynamische en statische houdingen. Er is hiermee meer dan voldoende rekening gehouden met de geuite klachten en beperkingen, aldus verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] .

5. Bij brief van 4 september 2019 heeft de rechtbank verweerder verzocht om de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) te laten reageren op het arbeidskundige expertiserapport. Tevens heeft de rechtbank bij brief van 27 september 2019 een aantal vragen gesteld met betrekking tot de medische beoordeling. De rechtbank heeft verweerder gewezen op de brief die eiseres in bezwaar heeft overgelegd van haar huisarts van 8 oktober 2018. Uit die brief kan worden afgeleid dat eiseres bekend is met recidiverende bronchitis met benauwdheidsklachten. De rechtbank heeft verweerder onder meer verzocht aan te geven of de verzekeringsarts b&b kennis heeft genomen van deze brief en, mocht dit niet het geval zijn, om de brief in dat geval alsnog voor te leggen aan de verzekeringsarts b&b voor een reactie. Verzocht is hierbij onder meer om, mocht kennisname leiden tot het alsnog aannemen van een beperking ten aanzien van beoordelingsaspect 3.6, dit de rechtbank mee te delen. Tevens heeft de rechtbank verweerder verzocht om afschriften van apotheekuitdraaien waarnaar de verzekeringsarts b&b in haar rapport van 24 januari 2019 verwijst over te leggen omdat deze zich niet in het dossier bevinden.

6.1

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 2 oktober 2019 een nader arbeidskundig rapport van 11 september 2019 overgelegd waarin wordt ingegaan op de arbeidskundige gronden die in het rapport van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] staan vermeld.

6.2

Bij brief van 2 oktober 2019 heeft verweerder meegedeeld dat uit het rapport van verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] volgt dat zij kennis heeft genomen van het feit dat eiseres last heeft van benauwdheid bij inspanning en dat er sprake is van een recidief bronchitis. De verzekeringsarts b&b heeft geen aanleiding gezien om eiseres hiervoor beperkt te achten. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat een dergelijke beperking in het algemeen slechts wordt aangenomen indien er sprake is van allergie of hyperreactiviteit.

6.3

Ter zitting heeft verweerder een afschrift van de apotheekuitdraai waarom de rechtbank had verzocht, overgelegd.

7. Gelet op de gemotiveerd afwijkende visie die partijen hebben over de longklachten van eiseres - welke visie ook bij de behandeling van het beroep ter zitting door partijen uitgebreid naar voren is gebracht en is besproken - heeft de rechtbank aanleiding gezien om de deskundige een medisch onderzoek te laten verrichten. Hierbij heeft de rechtbank de deskundige specifiek verzocht de vraag te beantwoorden of hij eiseres per de in dit geding van belang zijnde datum (1 november 2017) al dan niet beperkt acht ten aanzien van onderdeel 3.6 (stof, rook, gassen en dampen).

8. De deskundige heeft het dossier bestudeerd en eiseres lichamelijk onderzocht waarbij diverse longfunctietesten zijn verricht. Uit het rapport van de deskundige volgt dat hij op longfunctiegebied heeft geconstateerd dat sprake is van dyspnoe bij roken en overgewicht. Er zijn geen aanwijzingen voor COPD. De deskundige heeft uiteengezet dat mogelijk sprake is van heel lichte astma. Hierbij heeft hij opgemerkt dat de PD20 methacholinetest slechts marginaal afwijkend is, hetgeen betekent dat er slechts een minimale hyperreactiviteit aantoonbaar is. Astma is daarmee niet geheel uitgesloten.

De belangrijkste oorzaak van de dyspnoe is toch vooral het forse overgewicht, aldus de deskundige. Het roken kan tevens enige bronchiale hyperreactiviteit veroorzaken. De deskundige heeft het vermoeden uitgesproken dat de situatie op de datum in geding vergelijkbaar was met de situatie ten tijde van zijn onderzoek. De deskundige stelt zich met betrekking tot de belastbaarheid van eiseres onder meer op het standpunt dat het gezien de klachten en de geringe bronchiale hyperreactiviteit, niet verstandig is om te verkeren of werken onder omstandigheden met grote temperatuurverschillen of hoge luchtvochtigheid. Met betrekking tot de vraag van de rechtbank of eiseres per 1 november 2017 al dan niet beperkt is te achten ten aanzien van onderdeel 3.6, heeft de deskundige aangegeven dat dit omstandigheden zijn die enigszins prikkelend kunnen werken op de luchtwegen, hetgeen beter vermeden kan worden.

9. Verzekeringsarts b&b A.W. Lechner heeft gereageerd op het deskundigenrapport. Uit zijn rapport van 19 februari 2020 volgt dat hij van mening is dat de deskundige zijn aanbevelingen, waarmee de verzekeringsarts b&b bedoelt de aanbevelingen met betrekking tot het (niet) verkeren of werken onder omstandigheden met grote temperatuurverschillen of hoge luchtvochtigheid en het (beter) vermijden van stof, rook, gassen en dampen, vanuit zijn specialisme als longarts om gezondheidsredenen en in dat kader vanuit zijn positie als behandelaar heeft gedaan. De verzekeringsarts b&b ziet in de bedoelde aanbevelingen van de deskundige geen aanleiding om eiseres beperkt te achten op onderdeel 3.6 van de FML. Hij heeft bij die conclusie mede aandacht besteed aan het feit dat eiseres, ondanks de marginale bronchiale hyperactiviteit waarvan sprake is, een pakje sigaretten per dag rookt. Het betoog van verzekeringsarts b&b Lechner komt er op neer dat temperatuurverschillen en luchtvochtigheid minder reactief zullen zijn dan de leefwijze van eiseres (het roken van 25 sigaretten per dag) en mogelijk verdwijnen als het roken wordt gestaakt. Ook heeft hij opgemerkt dat een normale werkomgeving rookvrij is. Daarbij komt dat de longklachten geen onderdeel hebben uitgemaakt van de claimklachten van eiseres bij melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

10. De rechtbank komt tot de navolgende beoordeling.

11. Volgens vaste rechtspraak1 dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een beslissend advies te geven.

12.1

De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenrapport blijkt geeft van een zorgvuldig onderzoek. Ook heeft de deskundige zijn conclusies inzichtelijk en consistent gemotiveerd. Het deskundigenrapport biedt de rechtbank echter onvoldoende concrete aanknopingspunten om eiseres beperkt te achten voor de belastende elementen die bij onderdeel 3.6 van de FML staan vermeld. De rechtbank leidt uit het rapport af dat de longklachten van eiseres licht van aard zijn, hetgeen onder meer blijkt uit één van de longfunctietesten waarbij een zeer geringe bronchiale hyperreactiviteit naar voren kwam. Deze situatie was op de datum in geding min of meer vergelijkbaar, zo blijkt uit het rapport van de deskundige. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de aanbeveling die de deskundige heeft gedaan, er op neerkomend dat eiseres stof, rook, gassen en dampen beter kan vermijden omdat die enigszins prikkelend kunnen werken, als een beperking te beschouwen. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat ook de leefwijze van eiseres (het roken) haar longklachten in negatieve zin kunnen beïnvloeden, hetgeen ook kan worden afgeleid uit het rapport van de deskundige.

12.2

De rechtbank is tevens van oordeel dat de overige beperkingen van eiseres in voldoende mate in kaart zijn gebracht. Er zijn zowel met betrekking tot de psychische klachten als de knieklachten diverse beperkingen aangenomen in de FML. Het door eiseres in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts/medisch adviseur [adviseur] leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat er met betrekking tot de knieklachten meer beperkingen in de FML hadden moeten worden vastgelegd. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] verwoord in haar rapport van 13 augustus 2019 op dit punt. Dit standpunt komt er op neer dat verzekeringsarts/medisch adviseur [adviseur] geen objectieve en overtuigende medische feiten naar voren heeft gebracht die relevant zijn voor het belastbaarheidsoordeel. Hij heeft in zijn rapport vermeld dat de belastbaarheid zoals die door de verzekeringsartsen van verweerder is weergegeven, op sommige aspecten niet overtuigend is, maar hij heeft niet nader geconcretiseerd op grond waarvan hij tot die conclusie is gekomen. Dit geldt ook voor de aanvullende beperkingen die hij van toepassing acht op eiseres. Een medische onderbouwing hiervoor heeft verzekeringsarts/medisch adviseur [adviseur] evenmin gegeven.

12.3

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank uitgaat van de beperkingen zoals deze door de verzekeringsartsen van verweerder in de FML zijn vastgelegd. De rechtbank onderschrijft daarom de medische grondslag van het bestreden besluit.

De arbeidskundige beoordeling.

13.1

De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de FML een aantal functies voor eiseres geselecteerd. Het betreffen de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk) (SBC-code 264122) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). De arbeidsdeskundige b&b is op basis van de (door de verzekeringsarts b&b aangepaste) FML van 24 januari 2019 tot de conclusie gekomen dat deze functies passend voor eiseres zijn.

13.2

Uit het rapport van de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] volgt dat hij twee van de geduide functies niet passend vindt voor eiseres. Met betrekking tot de functie productiemedewerker industrie brengt hij naar voren dat er bij de uitoefening van deze functie sprake is van een persoonlijk risico, waarmee hij bedoelt het hanteren van een soldeerbout. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] wijst er op dat eiseres beperkt is geacht voor werk met een verhoogd persoonlijk risico, waarbij het gaat om machinegebruik vanwege medicatie. Het argument van de arbeidsdeskundige b&b dat het gaat om een soldeerbout ter grootte van een pen en dat het risico vermeden kan worden door ‘goed’ op te letten heeft volgens arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] geen relevantie met de beschreven beperking omdat eiseres vanwege het medicijngebruik oplettendheid mist. Hierdoor is het risico op letsel onevenredig groot. Daarbij komt dat de werkzaamheden een blootstelling aan soldeerdampen kennen, mede omdat de luchtafzuiging niet alles wegzuigt en de betrokken werknemer hele dagen bezig kan zijn met solderen. Deze belasting is een ruime overschrijding van de belastbaarheid van eiseres vanwege haar longklachten.

13.3

De rechtbank stelt voorop dat zij het uitgangspunt hanteert dat de klachten van eiseres door de verzekeringsartsen juist zijn gewaardeerd en in passende beperkingen zijn vertaald. Dit volgt uit hetgeen zij hiervoor onder de punten 12.1 tot en met 12.2 heeft vermeld. Op basis van die FML heeft de arbeidsdeskundige de functies geduid, welke door de arbeidsdeskundige b&b goed zijn bevonden. Omdat arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] bij de beoordeling van de geduide functies de aanvullende beperkingen geduid door verzekeringsarts/medisch adviseur [adviseur] betrokken heeft, kan de rechtbank reeds op grond hiervan aan het rapport van [arbeidsdeskundige] niet die waarde toekennen die eiseres hieraan toegekend wenst te zien. De beperkingen die verzekeringsarts/medisch adviseur [adviseur] heeft geduid, acht de rechtbank niet van toepassing en kunnen daarom bij de beoordeling van de geduide functies geen rol van betekenis spelen. Dit geldt met name ook voor onderdeel 3.6 van de FML waarvoor geen beperking per de datum in geding geldt. De beroepsgrond dat eiseres de functie productiemedewerker industrie niet kan verrichten vanwege de blootstelling aan soldeerdampen, hetgeen niet te verenigen is met haar longklachten, zal de rechtbank reeds op grond hiervan niet volgen.

13.4

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de functie productiemedewerker industrie niet geschikt voor eiseres te achten. De signaleringen die in deze functie voorkomen zijn afdoende gemotiveerd in de Resultaat functiebeoordeling, het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 19 februari 2019 en het aanvullende rapport van 11 september 2019. De arbeidsdeskundige b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank in dit laatste rapport ook afdoende toegelicht waarom er geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van eiseres ten aanzien van onderdeel 1.9.9. (persoonlijk risico). De rechtbank vindt hierbij van belang dat de signalering die op dit punt voorkomt, alsnog is besproken met de verzekeringsarts b&b. Uit dit gesprek kwam naar voren dat de beperking op onderdeel 1.9.9 is aangegeven vanwege machinegebruik, waarbij het gaat om gevaar voor bewegende delen waar de werknemer op dat moment geen invloed op kan uitoefenen. In dat geval is een andere alertheid nodig dan bij het werken met een soldeerbout. De werknemer pakt de soldeerbout namelijk zelf uit de houder, werkt er kortdurend mee en plaatst de bout weer terug in de houder. Daarbij is ook naar voren gekomen dat eiseres niet beperkt is geacht voor het gericht houden van de aandacht op een informatiebron, aldus de arbeidsdeskundige b&b. Hieruit vloeit voort dat eiseres met voldoende aandacht kan werken met een soldeerbout. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om dit standpunt onjuist te achten.

13.5

Met betrekking tot de functie medewerker tuinbouw stelt arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] zich namens eiseres op het standpunt dat de werkzaamheden die voorkomen (500 meeldraden per uur uit bloemen verwijderen en 60 planten per uur schoonmaken) worden verricht in een hoog handelingstempo. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] heeft zijn bevreemding uitgesproken over het feit dat de arbeidskundig analist de werkzaamheden niet als zodanig heeft omschreven. Deze mate van handelingstempo is volgens arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] niet in overeenstemming met de belastbaarheid van eiseres. Ook kennen de werkzaamheden volgens hem een blootstelling aan damp, stof en stuifmeelpollen. Dit vormt een onverenigbare belasting met de longklachten van eiseres.

13.4

De rechtbank ziet geen aanleiding om deze beroepsgronden te volgen. De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn aanvullende rapport van 11 september 2019 afdoende gemotiveerd waarom de arbeidskundig analist in de functie medewerker tuinbouw geen kenmerkende belasting op het onderdeel handelingstempo (onderdeel 1.9.8) heeft aangenomen. Een dergelijke kenmerkende belasting wordt alleen aangenomen in het geval in een functie sprake is van handelingen die continu in een tempo worden uitgevoerd dat beduidend hoger ligt dan het gebruikelijke handelingstempo in gangbare arbeid. Uit de gegeven motivering van de arbeidsdeskundige b&b volgt duidelijk dat hiervan in de functie medewerker tuinbouw geen sprake is. Ook wijst de rechtbank nogmaals op het feit dat er geen beperking geldt voor stof, rook, gassen en dampen. Er is daarom geen aanleiding om de functie niet passend voor eiseres te achten. De signaleringen die in deze functie voorkomen zijn afdoende gemotiveerd in de Resultaat functiebeoordeling en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 19 februari 2019.

13.5

Deze laatste overweging geldt tot slot ook voor de functie machinaal metaalbewerker. Uit het vorenstaande volgt dat de drie geduide functies op goede gronden zijn gebruikt voor de schatting door verweerder.

14. Verweerder heeft daarom terecht en op goede gronden de WGA-vervolguitkering niet met ingang van 1 november 2017 verhoogd.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2020 door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van S.J.W. Stort, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3822).