Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5481

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
NL20.11304
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

volgberoep bewaring, zicht op uitzetting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11304


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 april 2020 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd en partijen hebben hun reacties ingezonden.

De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten op 3 juni 2020.


Overwegingen

1. Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om eiseres te horen.

2. De gemachtigde van eiseres heeft aangevoerd dat het niet horen van eiseres ter zitting , in strijd is met bepalingen uit het EVRM. De rechtbank volgt dit betoog niet. De rechtbank wijst er in dit verband nadrukkelijk op dat uit artikel 96 van de Vw 2000 noch uit enig andere wettelijke bepaling voortvloeit dat bij de behandeling van een beroep tegen het voortduren van de maatregel van inbewaringstelling, zoals bedoeld in artikel 96 van de Vw 2000, de vreemdeling in persoon dient te verschijnen voor de rechtbank teneinde te worden gehoord. De wetgever heeft in artikel 96, eerste lid, laatste volzin van de Vw 2000, bepaald dat, in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank zonder toestemming van partijen kan bepalen dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Dit met het oog op de aard van het beroep over de voortzetting van de maatregelen en de daaraan gekoppeld toets die hoofdzakelijk ziet op voortgang in de voorbereidingen van de daadwerkelijke uitzetting en het zicht op die uitzetting. Daarbij heeft de wetgever betrokken dat een beroep over de voortzetting van de maatregel elk moment gedurende de maatregel en dus ook kort na elkaar kan worden ingesteld waarbij er in de tussentijd weinig veranderd kan zijn (TK 2002-2003, 28 749).

3. De rechtbank heeft voorts – conform artikel 8.5 van het Procesreglement Bestuursrecht 2017 – het (tijdig ingediende) verzoek van eiseres om haar in persoon op te roepen in behandeling genomen, maar geen aanleiding gezien om hieraan tegemoet te komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het verzoek van eiseres om in persoon te worden gehoord een algemeen betoog betreft en dit verzoek niet of in onvoldoende mate is toegelicht en/of geconcretiseerd naar deze concrete maatregel van bewaring. Voorts is in aanmerking genomen dat mag worden aangenomen dat de belangen van eiseres door haar gemachtigde – zijnde een professionele rechtsbijstandverlener – genoegzaam kunnen worden behartigd. Voor zover eiseres meent dat haar recht op een procedure op tegenspraak is geschonden, volgt de rechtbank dit niet. Eiseres en haar gemachtigde hebben voldoende gelegenheid gehad om gronden in te dienen tegen het voortduren van de bewaring en om te reageren op de door verweerder ingestuurde voortgangsgegevens. De verwijzing van eiseres naar diverse rechterlijke uitspraken leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu deze betrekking hebben beroepen als bedoeld in artikel 94 van de Vw 2000.

4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 mei 2020 (in de zaak NL20.9632 en NL20.9651) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 14 mei 2020) de maatregel van bewaring rechtmatig is.

6. Eiseres voert aan dat uit de voortgangsrapportage niet blijkt waarom de vlucht van 23 mei 2020 door de luchtvaartmaatschappij is geannuleerd, dat de annulering niet verschoonbaar is en dat verweerder daarom met onvoldoende voortvarendheid werkt aan de uitzetting van eiseres. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit de voortgangsgegevens van verweerder blijkt dat de vlucht van 23 mei 2020 is geannuleerd door de luchtvaartmaatschappij. Wat hiervan ook de reden is (verweerder heeft aangegeven hierin geen inzicht te hebben), vast staat dat het annuleren van de vlucht niet verwijtbaar is aan verweerder noch aan eiseres. Van belang is voorts dat uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder na de annulering van de vlucht direct een nieuwe vlucht heeft geboekt voor eiseres, namelijk voor 1 juli 2020. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat verweerder in dit verband met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiseres werkt.

7. Eiseres voert voorts aan dat door de annulering van de vlucht en de datum van de geplande uitzetting op 1 juli 2020 niet gezegd kan worden dat nog sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Dat verweerder niet eerder dan voor 1 juli 2020 een nieuwe vlucht heeft kunnen boeken hangt samen met de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) over zicht op uitzetting in bewaringszaken gedurende de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus, volgt dat een gesloten luchtruim op het moment van de uitspraak nog een tijdelijke belemmering was. De rechtbank ziet nu geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft verweerder na de annulering van de vlucht van 23 mei 2020 direct een nieuwe vlucht geboekt voor 1 juli 2020. Niet gezegd kan worden dat al duidelijk is dat deze vlucht zal worden geannuleerd en dat thans moet worden geconcludeerd dat uitzetting niet binnen een redelijke termijn zal kunnen plaatsvinden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat er inmiddels enig vooruitzicht is op de opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, gelet op de versoepeling van de beperkingen die door diverse landen al zijn doorgevoerd.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 3 juni 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.