Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5339

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
C/09/594273 / KG ZA 20-520
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Mondelinge uitspraak ex art. 30p Rv. Verbod fotograaf om aanwezig te zijn bij het ruimen van nertsenfokkerijen waar besmetting van nertsen met het Coronavirus is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/594273 / KG ZA 20-520

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 12 juni 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M. Herens te Hilversum,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. S.M. Kingma en J.S. Bierens te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door J.W. van Leeuwen, griffier.

Verschenen zijn:

- [eiser] , bijgestaan door mr. M. Herens;

- de heer [teamleider] , teamleider bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, namens de Staat, bijgestaan door mrs. S.M. Kingma en J.S. Bierens.

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De gronden van de beslissing

1.1.

Tussen partijen is in geschil of [eiser] , als professioneel fotograaf, door de Staat dient te worden geïnformeerd over de eerstvolgende nertsenfokkerij die zal worden geruimd wegens besmetting van één of meer zich daar bevindende nertsen met het virus Sars-CoV-2 (het 'Coronavirus') en over de plaats en de datum van die ruiming, zodat [eiser] - na het maken van werkafspraken - een fotoreportage kan maken van het gehele ruimingsproces. Volgens [eiser] dient hem ontheffing te worden verleend van het bezoekersverbod zoals neergelegd in ministeriële regelingen.

1.2.

De daartoe strekkende - door de Staat gemotiveerd bestreden - vorderingen van [eiser] komen niet voor toewijzing in aanmerking. Daarvoor is het volgende redengevend.

1.3.

Allereerst is van belang dat op de Staat - mede rekening houdend met de belangen van derden, onder wie de eigenaren van de betreffende bedrijven op wier privéterrein mogelijke ruimingen zullen plaatsvinden - geen rechtens afdwingbare plicht rust om [eiser] te informeren over de plaats en het moment waarop eventuele ruimingen zullen plaatsvinden.

1.4.

Daar komt bij dat de civiele rechter - te meer die in kort geding - zich zeer terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat ter zake van de hier aan de orde zijnde kwestie, te weten de uitvoering van het in ministeriële regelingen neergelegde bezoekersverbod. Meer concreet betreft het hier het verbod om - behoudens (i) ingeval van specifiek omschreven omstandigheden en (ii) ten aanzien van speciaal aangewezen (groepen van) personen, waartoe fotografen niet behoren - (besmette) nertsenhouderijen te betreden.

1.5.

Geoordeeld moet worden dat de Staat - na een alleszins redelijke belangenafweging - tot een dergelijk bezoekersverbod, waarvoor een grondslag is te vinden in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, heeft kunnen beslissen. Als gevolg van de verspreiding van het Coronavirus is Nederland onlangs in een acute crisissituatie beland. Het virus - dat mensen op elkaar kunnen overbrengen, wat zich wereldwijd ook heeft voorgedaan met substantiële dodenaantallen tot gevolg - is aangemerkt als een besmettelijke dierziekte, terwijl gebleken is dat nertsen er zeer gevoelig voor zijn. Bovendien - maar zeker niet in de laatste plaats - is het virus een zoönose, ofwel een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. Met name dit laatste brengt mee dat sprake is van een (zeer) uitzonderlijke situatie die zich niet laat vergelijken met de - door [eiser] aangevoerde - gevallen waarbij fotograferen wel was toegestaan, zoals het vergassen van ganzen bij Schiphol, afschieten van damherten bij Amsterdam en in de Oostvaardersplassen, verplaatsen van paarden uit de Oostvaardersplassen en doden van varkens na de uitbraak van de varkenspest. Een en ander betekent dat besmette nertsen enorme risico's meebrengen voor zowel soortgenoten als mensen, wat - mede met het oog op de inperking van het (grote) gevaar voor de volksgezondheid - noopt tot uitzonderlijke maatregelen, waaronder begrepen een (maximale) beperking van de aanwezigheid van personen op het terrein van de nertsenfokkerijen en dus ook bij de ruiming ervan.

1.6.

Op grond van het voorgaande kan niet worden aangenomen dat het bezoekersverbod een schending van artikel 10 EVRM meebrengt, ondanks het belang van een vrije nieuwsgaring en de functie van de pers als publieke waakhond. De Staat handelt dan ook niet onrechtmatig jegens [eiser] door hem - als fotograaf - niet te informeren over en te weren bij ruimingen van (besmette) nertsenfokkerijen. In de gegeven omstandigheden kan dat niet als disproportioneel worden aangemerkt, noch als een buitengewoon chilling effect op de persvrijheid en de controlefunctie die de pers in een democratische samenleving vervult. Niet valt in te zien dat het weren van [eiser] een afschrikkend effect heeft op de pers in het algemeen en de totstandkoming van toekomstige publicaties/reportages door journalisten frustreert. Het voorgaande staat overigens nog los van de vraag of [eiser] ter zake van de door hem gevorderde ontheffing bij de civiele rechter wel aan het juiste adres is en of hij zich daarvoor - zoals de Staat in feite onweersproken heeft aangevoerd – niet tot de bestuursrechter had moet wenden.

1.7.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

2.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

J.W. van Leeuwen mr. S.J. Hoekstra-van Vliet