Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5335

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
NL20.10814
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Zweden, 8:54 Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL20.10814


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn.

2. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

3. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om op grond van artikel 8:54 Awb uitspraak te doen zonder zitting.

4. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft dit verzoek aanvaard.

5. Eiser voert aan dat hij in bewijsnood verkeert om aan te tonen dat in Zweden sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Juist vanwege de systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn er geen instanties die kunnen en willen bevestigen dat deze systeemfouten bestaan, laat staan dat de verantwoordelijke instanties willen bevestigen dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor die systeemfouten. Verweerder had daarnaast op grond van eisers persoonlijke relaas, in samenhang met het feit dat reisbewegingen zo veel mogelijk beperkt dienen te worden in verband met het coronavirus, aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.

6. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Zweden uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Zweden sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat hij een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, zodat eiser niet kan worden overgedragen aan Zweden. De enkele stelling van eiser dat hij dit ook niet aannemelijk kan maken omdat hij in bewijsnood verkeert, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Ook uit het persoonlijk relaas van eiser kan niet worden afgeleid dat ten aanzien van Zweden niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, nu eiser hetgeen hij gesteld heeft niet heeft onderbouwd. Het ligt bovendien op de weg van eiser om, als hij in Zweden problemen ervaart of meent dat Zweden zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn, zich te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten in Zweden dan wel geëigende instanties. Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat eiser op dit moment ten gevolge van de corona-crisis mogelijk niet kan worden overgedragen aan Zweden, een tijdelijke belemmering is en niets afdoet aan de rechtmatigheid van de verantwoordelijkheidsbepaling van Zweden in het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op en openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.