Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5324

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
NL20.11402
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongegrond beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11402


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).


Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft middels een conference call plaatsgevonden op 8 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.J. Klunder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]

2. Eiser voert allereerst aan dat de verweerder eiser prematuur staande heeft gehouden op grond van artikel 50 Vw. Verweerder heeft eiser in het belang van de openbare orde eiser staande gehouden omdat sprake was van een orde verstoring in het asielzoekers centrum (AZC). Er is derhalve sprake van detournement de pouvoir.

2.1

Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat de staandehouding op grond van artikel 50 Vw heeft plaats gevonden op 26 mei 2020 om 06.30 uur in het AZC Den Helder omdat sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Uit het vertrekdossier van eiser blijkt namelijk dat bij besluit van 5 november 2019 de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Het hiertegen door eiser ingediende beroep is bij uitspraak van 21 april 2020 van de rechtbank Zwolle ongegrond verklaard (NL19.27240). Het hiertegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 13 mei 2020 ongegrond verklaard (kenmerk: 202002657/1/V3). Eisers vertrektermijn liep vervolgens op 20 mei 2020 af. Dat ook sprake was van een ordeverstoring in het AZC, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder zijn bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. De beroepsgrond faalt.

3. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Eiser is niet illegaal ingereisd. Hij verblijft al sinds 23 juli 2018 in Nederland en heeft hier een asielprocedure doorlopen. Voorts werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser niet heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. In het dossier bevindt zich immers een kopie van zijn paspoort. Ook heeft eiser niet te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Aan eiser is namelijk nooit medegedeeld dat hij Nederland moet verlaten.

3.1

In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2

Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser heeft zelf verklaard dat hij zonder paspoort, visum of inreisstempel met de boot, via Rotterdam, Nederland is ingereisd, zodat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnen gekomen. Dat eiser nadien een asielprocedure heeft doorlopen, maakt het voorgaande niet anders. Voorts heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij niet, dan wel onvoldoende, heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft immers ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit zelf geen documenten overgelegd. Eiser heeft zelfs verklaard dat hij nooit in het bezit is geweest van een nationaal paspoort. Ook heeft eiser hoogstwaarschijnlijk op 24 juli 2018 lijm op zijn vingertoppen gedaan zodat geen dactyloscopisch signalement kon worden vastgesteld. Dat later alsnog op 14 augustus 2018 wel succesvol vingerafdrukken van eiser zijn afgenomen en op grond daarvan in EU-VIS een kopie van eisers paspoort is aangetroffen, maakt het voorgaande niet anders. Aangezien twee zware gronden reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen, behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert aan dat de huidige omstandigheden in het detentiecentrum Rotterdam erg zwaar zijn door de corona-maatregelen. Verweerder diende daarom een lichter middel toe te passen.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat door eiser geen omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling, dient de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. Een klacht over de toepassing van het regime binnen die plaats of ruimte kan niet tot gegrondbevinding van het beroep leiden. Hoewel de rechtbank begrijp dat het vervelend is dat eisers bewegingsvrijheid verder wordt beperkt door de corona-maatregelen in het Detentiecentrum, kan hij daartegen een klacht in te dienen bij het centrum zelf. De beroepsgrond faalt.

5. Eiser voert aan dat geen sprake is van een zicht op uitzetting. Uit openbare bronnen op internet blijkt dat corona ook in Liberia aanwezig is en dat er veel doden zijn en de situatie verslechtert. De noodsituatie is verlengd tot 7 juni 2020 en er geldt een lockdown. Ook is de veiligheidssituatie in Liberia slecht. Er geldt een vertrekmoratorium, maar daarin is ook geen melding gemaakt van het corona-virus.

5.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat momenteel geen vluchten naar Liberia plaatsvinden in verband met een daar gelden lockdown, slechts een tijdelijke maatregel is dat niet met zich meebrengt dat geen zicht is op uitzetting. Voorts geldt momenteel geen vertrekmoratorium voor Liberia zodat ook de veiligheidssituatie daar niet dusdanig slecht is dat geen sprake is van een zicht op uitzetting. De beroepsgrond faalt.

6. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

6.1

Aan eiser is op 26 mei 2020 de maatregel van bewaring opgelegd. Blijkens het dossier is daarvoor, op 16 januari 2020 al een laissez-passer voor eiser aangevraagd. Of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, wordt echter pas getoetst vanaf het moment dat aan eiser de maatregel is opgelegd. Na de oplegging van de maatregel heeft verweerder voorts op 27 mei 2020 een vertrekgesprek met eiser gehouden. Niet is gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Ook deze grond slaagt daarom niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.