Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5323

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
AWB 19/6628
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten bezwaar. Geen herroeping als gevolg van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Bezwaar gegrond omdat uit nieuwe stukken blijkt van voldoende inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Vwr hoefde niet te wachten met bob tot aangekondigde stukken zouden zijn aangeleverd. Niet om uitstel verzocht, geen tijdsindicatie gegeven door eiser waarop stukken zouden worden overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/6628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde: R. van den Berg .

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid als zelfstandige afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Partijen hebben de rechtbank de toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is met ingang van 29 april 2011 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid als zelfstandige, geldig tot 29 april 2019. Op 21 maart 2019 heeft eiser een verlengingsaanvraag ingediend. Eiser is één van de twee vennoten van [naam bedrijf] [adres bedrijf] gevestigd sinds 1 juni 2018 in Amsterdam.

2. Aan het primaire besluit legt verweerder ten grondslag dat uit de overgelegde gegevens niet blijkt dat eiser uit zijn bedrijf voldoende middelen van bestaan genereert.

Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat uit de in bezwaar overgelegde gegevens inmiddels blijkt dat eiser uit zijn bedrijf voldoende middelen genereert. Omdat dit pas in de bezwaarfase is gebleken, wordt het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de aangekondigde financiële informatie over het jaar 2018 niet af te wachten alvorens het primaire besluit te nemen. Dit betekent, zo vat de rechtbank deze beroepsgrond op, dat volgens eiser ten onrechte een proceskostenveroordeling in bezwaar is nagelaten, omdat het primaire besluit immers is herroepen als gevolg van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, tweede lid, van de Awb). Deze beroepsgrond faalt.

3.1.

Verweerder heeft eiser op 18 april 2019 verzocht om aanvullende informatie ter onderbouwing van zijn verleningsaanvraag. Specifiek betrof het een uittreksel uit de Kamer van Koophandel (KvK) waaruit blijkt dat [naam bedrijf] [adres bedrijf] daar is ingeschreven en een kopie van de winst- en verliesrekening van het afgelopen jaar en informatie waaruit blijkt dat aan het inkomensvereiste wordt voldaan, zoals een bewijs van belastingaangifte. Eiser heeft op 2 mei 2019 het gevraagde KvK-uittreksel overgelegd en gemeld dat de inkomensgegevens van de onderneming over de jaren 2016-2017 binnen twee weken werden verwacht en overgelegd. De inkomensgegevens over het jaar 2018 waren nog niet klaar, aldus eiser toen.

3.2.

Op 21 mei 2019 heeft eiser de inkomensgegevens van de onderneming over de jaren 2016-2017 overgelegd en aangegeven dat de inkomensgegevens over het jaar 2018 nog niet waren ontvangen en eerst nadat ze zouden zijn ontvangen, zouden worden overgelegd. Een concrete datum waarop deze gegevens verwacht konden worden heeft eiser toen niet genoemd. Eiser heeft verweerder ook niet om uitstel verzocht voor het indienen van de ontbrekende stukken. De overgelegde email van 9 juli 2019, die eerst in beroep is overgelegd, kan hieraan niet afdoen, omdat deze email niet voorafgaande aan het primaire besluit is overgelegd en omdat eiser niet heeft aangetoond waarom niet eerder dan in de in die brief genoemde week kon worden begonnen aan het opstellen van de cijfers over het jaar 2018. Ook heeft eiser niet gesteld dat de ontvlechting van zijn vorige onderneming eraan in de weg heeft gestaan om binnen de in de brief van 18 april 2019 gestelde termijn van 2 weken, dan wel spoedig daarna, inkomensgegevens over 2018 over te leggen. Ook dit maakt dus niet dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te wachten op die gegevens alvorens het primaire besluit te nemen. Gezien deze omstandigheden heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld door het primaire besluit te nemen voordat de gevraagde inkomensgegevens over 2018 waren overgelegd. Van een besluit dat is herroepen als gevolg van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid is dus in dit geval geen sprake.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers-Heins, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd de de rechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.