Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5291

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
NL19.30080
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep ongegrond. ongeloofwaardig asielrelaas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.30080


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Nijnatten).


Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt staatloos Palestijn te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in zijn land problemen heeft ondervonden van de zijde van Hamas. De broer van eiser had een buitenechtelijke relatie met een meisje wiens familie tot Hamas behoort. De familie van het meisje wilde wraak nemen op zijn broer en diens familie en stuurden doodsbedreigingen. Zijn broer is vlak daarna uit het land gevlucht en heeft inmiddels een asielstatus in België gekregen. Eiser is in december 2016 door vier mannen van Hamas op straat in elkaar geslagen. Eiser heeft nog steeds last van zijn verwondingen. Naar aanleiding van dit incident is eiser naar zijn grootouders vertrokken waar hij vanaf december 2016 tot aan zijn vertrek op 14 oktober 2018 is ondergedoken. Eiser heeft gesteld dat hij na zijn vertrek uit de Gazastrook op 14 oktober 2018 twee berichten heeft ontvangen op Facebook waarin werd gesteld dat hij dood moet. Gelet op het voorgaande heeft eiser besloten om hier in Nederland een asielaanvraag in te dienen.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst

  • -

    Mishandeling in 2016 wegens probleem broer

  • -

    Bedreigingen na vertrek

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser niet als staatloos kan worden aangemerkt. Aan eiser zijn door verweerder een aantal herkomstvragen gesteld. Aan de hand van zijn antwoorden wordt eiser door verweerder vooralsnog gevolgd in zijn verklaringen afkomstig te zijn uit Khan Younis in de Gazastrook. De gestelde nationaliteit en identiteit van eiser worden derhalve door verweerder gevolgd. Eiser wordt door verweerder ook gevolgd in zijn verklaringen dat hij in 2016 is mishandeld uit wraak door vier mannen van Hamas naar aanleiding van het probleem van zijn broer. Verweerder acht het element dat eiser is bedreigd na zijn vertrek niet geloofwaardig. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

5. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat hij ten onrechte niet als stateloos Palestijn is aangemerkt door verweerder, maar heeft deze beroepsgrond op zitting ingetrokken zodat deze geen bespreking meer behoeft.

6. Verder voert eiser aan dat hij wel aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij zodanig bedreigd zou zijn dat hij moest vluchten.

7. Kort samengevat ligt het volgens verweerder niet in de rede dat deze personen eiser na drie jaar zouden willen vermoorden terwijl ze in 2016 tijdens de mishandeling daar al de kans toe hadden en eiser tevens van december 2016 tot 14 oktober 2018 bij zijn grootouders heeft gewoond zonder problemen te hebben ondervonden van de zijde van Hamas.

Immers, heeft eiser aangegeven geen problemen te hebben ondervonden tijdens zijn verblijf bij zijn grootouders. Voorts heeft eiser volgens verweerder voldoende bewegingsvrijheid gehad. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een dermate bovenmatige belangstelling voor hem was. De enkele stelling is van eiser in de zienswijze dat eiser ondergedoken zat, maakt dit volgens verweerder niet anders. Des te meer nu eiser in zienswijze zijn standpunten op geen enkele wijze met documenten heeft gestaafd, aldus verweerder.

8. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond van eiser een herhaling betreft van hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op eisers zienswijze. Nu eiser niet voldoende concreet heeft aangegeven op welke wijze het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan, kan een enkele herhaling van zetten niet tot enig resultaat leiden. De beroepsgrond slaagt reeds hierom niet.

9. Eiser stelt verder dat hetzelfde asielrelaas van zijn broer in België wel geloofwaardig is geacht. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel dient men ervan uit te gaan dat de landen die een gemeenschappelijke buitengrens hebben getrokken asielzoekers gelijk behandelen. Je kunt dan ook volgens eiser stellen dat deze landen de aanvragers gelijk zullen beoordelen. Zowel Nederland als België hebben het vluchtverhaal moeten beoordelen en dus ook of er reden was om te vluchten. Indien België aannemelijk acht dat de broer van eiser reden had om te vluchten is het volgens eiser aan verweerder om te vergelijken of Nederland dan ook niet moet nagaan waarom het in het buurland wel aannemelijk is geacht. Volgens eiser is het bestreden besluit daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.

10. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat iedere lidstaat een asielaanvraag volgens haar eigen wetgeving en binnen haar eigen nationale procedure behandeld. Daarbij komt dat iedere asielaanvraag op zijn eigen merites wordt beoordeeld. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser op basis van hetgeen bekend in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is bedreigd na zijn vertrek. De beroepsgrond kan reeds daarom niet slagen.

11. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

12. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.