Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
AWB 19/9923 en AWB 19/9924
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

beroep en vovo, intrekking verblijfsvergunning, artikel 8 EVRM, belangenafweging, ouders van geworteld minderjarig kind met een zelfstandige verblijfsvergunning, ontwikkeling van het kind, overige omstandigheden, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/9923 (beroep)

AWB 19/9924 (voorlopige voorziening)

[V-Nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1952, eiser,

[eiseres 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1976, eiseres, en

[appellante] , geboren op [geboortedatum 3] 2005,

allen van Marokkaanse nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M. Terpstra),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

In drie verschillende besluiten van 7 januari 2019 (de primaire besluiten) heeft verweerder de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd van eisers ingetrokken met ingang van 13 mei 2014. Verweerder heeft de daartegen gemaakte bezwaren in het besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eisers hebben op 18 december 2019 een beroepschrift ingediend. Ze hebben daarbij verzocht om, bij wijze van voorlopige voorziening, te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure niet mogen worden uitgezet. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Verder was aanwezig M. El Majdoubi, tolk in de Arabische taal.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser en eiseres zijn afkomstig uit Marokko. Ze zijn in 1994 met elkaar getrouwd. In 1996 is hun zoon [naam] geboren. Ze zijn naar Spanje gegaan en hebben daar een verblijfsvergunning gekregen. In 2005 is in Spanje hun dochter [appellante] geboren. In 2009 is het gezin naar Nederland vertrokken.

1.2.

Eiser heeft met ingang van 31 december 2009 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gekregen onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’, omdat hij een eenmanszaak als schoonmaker had. Eiseres en de kinderen hebben met ingang van dezelfde datum een verblijfsvergunning gekregen om bij hun man/vader te verblijven.

1.3.

In het primaire besluit ten aanzien van eiser heeft verweerder zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat uit door eiser overgelegde stukken bleek dat hij vanaf 13 april 2014 niet meer als zelfstandige heeft gewerkt, maar in loondienst. Hij voldeed daarmee niet aan de beperking van zijn verblijfsvergunning. Verweerder heeft de verblijfsvergunningen van eiseres en van [appellante] ook ingetrokken, omdat die afhankelijk waren van de verblijfsvergunning van eiser. [naam] was ten tijde van de primaire besluiten inmiddels meerderjarig en had al de Nederlandse nationaliteit verkregen.

1.4.

Met ingang van 18 februari 2019 heeft verweerder aan [appellante] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ verleend. [appellante] heeft dan ook rechtmatig verblijf in Nederland en hoeft Nederland dus niet meer te verlaten. Zij heeft nog wel belang bij dit beroep, omdat zij een verblijfsgat heeft als gevolg van de intrekking van haar eerdere verblijfsvergunning. Voor eiser en eiseres betekent de intrekking van hun verblijfsvergunningen dat zij Nederland moeten verlaten.

Beroepsgronden eisers

2. Eisers betogen dat de intrekking van hun verblijfsvergunningen in strijd is met artikel 8 van het EVRM,1 omdat de intrekking tot gevolg heeft dat eiser en eiseres Nederland moeten verlaten, terwijl [appellante] en [naam] in Nederland mogen blijven. Er is daarom sprake van inmenging in hun gezinsleven. Eisers vinden dat hun belangen bij het continueren van hun gezinsleven in Nederland zwaarder moeten wegen dan het belang dat verweerder heeft bij de intrekking van hun verblijfsvergunningen.

Standpunt verweerder

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunningen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en deze is op goede gronden in het nadeel van eisers uitgevallen.

Beoordeling rechtbank

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit in het kader van artikel 8 van het EVRM onvoldoende aandacht voor de belangen van [appellante] heeft gehad. In het verweerschrift heeft verweerder opnieuw een belangenafweging gemaakt en uiteen gezet waarom het bestreden besluit volgens verweerder niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft daarbij de belangen van [appellante] wel betrokken. Verweerder heeft in de aanvullende motivering in het verweerschrift weliswaar gesteld dat het belang van [appellante] centraal is gesteld en daaraan aanzienlijk gewicht toekomt, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat onvoldoende kenbaar gedaan. Verweerder heeft daarom alsnog onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eisers uitvalt.

4.2.

De rechtbank overweegt dat [appellante] vanaf haar derde levensjaar met een verblijfsvergunning in Nederland heeft gewoond en nu 14 jaar oud is. In de jaren daarvoor heeft zij in Spanje gewoond. Zij is in Nederland opgegroeid en gaat hier naar school. Ze is dus een in Nederland geworteld kind. Daar komt bij dat zij met ingang van 18 februari 2019 een zelfstandige verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen vanwege niet-tijdelijke humanitaire gronden. Zij mag daarom in Nederland blijven wonen.

4.3.

De aan [appellante] verstrekte verblijfsvergunning is echter zinledig, als haar verzorgende ouders niet bij haar in Nederland mogen blijven. Ook verweerder stelt thans in het verweerschrift dat van een 14‑jarig kind niet kan worden verwacht dat zij zonder haar ouders in Nederland blijft, en stelt zich daarmee op het standpunt dat [appellante] haar ouders naar Marokko zal moeten volgen, ondanks het feit dat zij vorig jaar een verblijfsvergunning heeft gekregen met een geldigheidsduur van vijf jaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende oog gehad voor bedreiging die een dergelijke stap kan veroorzaken in de ontplooiing en ontwikkeling van [appellante] . Verweerder heeft in dit verband gewezen op de primaire verantwoordelijkheid van eisers; volgens verweerder dienen zij er mede voor te zorgen dat [appellante] zich in Marokko verder kan ontwikkelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het maar de vraag in hoeverre dit van [appellante] , die zoals reeds is overwogen, diep in de Nederlandse samenleving is geworteld, daadwerkelijk gevergd kan worden. Verweerder heeft dit aspect onvoldoende in de belangenafweging betrokken.

4.4.

Daarbij is van belang dat de gemachtigde van verweerder op de zitting niet heeft kunnen uitleggen waarom de ouders van een kind dat op een andere grond een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ krijgt, zoals op grond van het vroegere Kinderpardon of de daarbij behorende Afsluitingsregeling, wel een afgeleide verblijfsvergunning krijgen. Ook de ouders van een kind dat een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ bijvoorbeeld krijgt vanwege een ondertoezichtstelling in Nederland, krijgen een afgeleide verblijfsvergunning. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom dat niet het geval is wanneer de vergunning, zoals in het geval van [appellante] , wordt verleend op grond van artikel 3.50 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4.5.

Daarnaast blijkt uit verweerders belangenafweging niet op welke wijze verweerder de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft meegewogen. Uit het dossier blijkt dat de intrekking uitsluitend heeft plaatsgevonden omdat eiser niet aan verweerder had gemeld dat hij in loondienst ging werken. Er was geen sprake van fraude of misleiding. Eiser was op het moment dat hij in loondienst ging werken vrij op de arbeidsmarkt, dus hij mocht in loondienst werken met behoud van zijn verblijfsvergunning. Hij had het enkel tijdig aan verweerder moeten laten weten, zodat verweerder de beperking van de verblijfsvergunning kon wijzigen. Als hij het wel tijdig aan verweerder had laten weten, was zijn verblijfsvergunning destijds niet ingetrokken, maar had verweerder de beperking gewijzigd van ‘arbeid als zelfstandige’ naar ‘arbeid in loondienst’. Verweerder heeft deze omstandigheden niet kenbaar in de belangenafweging betrokken.

4.6.

Verder heeft verweerder in het verweerschrift in het nadeel van eisers de medische omstandigheden van eiser betrokken. Ook het feit dat eisers een AOW-pensioen en een AIO‑aanvulling ontvangen, wegen volgens verweerder in het nadeel van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt op grond waarvan deze omstandigheden in het nadeel van eisers moeten worden betrokken. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de bescherming van het economisch belang en gesteld dat de gezondheidszorg en collectief ouderdomspensioen daar onder vallen. Hoewel dat op zichzelf juist is, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom dit aspect in dit specifieke geval zo zwaar moet meewegen.

Conclusie

5.1.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van een draagkrachtige motivering is voorzien. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5.2.

De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Er is geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank in deze uitspraak op het beroep heeft beslist.

5.3.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 19/9923,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 19/9924,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 348,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.