Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5217

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
NL20.11540
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring – in persoon horen van eiser over maatregel van bewaring is uitgangspunt – praktische problemen gemachtigden – toegang tot DTC Rotterdam - overleg met partijen over wijze behandelen van beroep.

Uitgangspunt in bewaringszaken is dat de gedetineerde vreemdeling in persoon wordt gehoord over zijn vrijheidsontneming. Uitsluitend als de vreemdeling afstand doet van dit recht of indien het in persoon horen feitelijk niet mogelijk is kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Dit kan laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn als (gedurende de gehele wettelijke termijn waarbinnen de behandeling van het beroep dient plaats te vinden) geen vervoer naar de rechtbank mogelijk is of horen met een beeld- of telefonische verbinding niet mogelijk is vanwege technische problemen of capaciteitsgebrek terwijl inspanningen worden geleverd om deze problemen te verhelpen.

Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de behandeling niet bij de rechtbank bij te willen wonen maar vanuit het Detentiecentrum Rotterdam (DTC) om zodoende geen gebruik te hoeven maken van het openbaar vervoer. De rechtbank heeft daarop aangegeven dat dit vanzelfsprekend akkoord is, maar dat de gemachtigde zelf zorg moet dragen voor het verkrijgen van toestemming van het DTC om de behandeling van het beroep vanuit het DTC bij te kunnen wonen. Anders dan de gemachtigde heeft betoogd probeert de rechtbank haar probleem hiermee niet tot het probleem van de gemachtigde te maken. De rechtbank is eenvoudigweg niet bevoegd om te beslissen wie wanneer en onder welke omstandigheden toegang heeft tot het DTC. Op de website van het DTC is overigens aangeven welke beperkende maatregelen in verband met het Corona-virus van kracht zijn en dat de gemachtigde toegang tot het DTC kan verkrijgen om de zitting te kunnen bijwonen door hiervoor telefonisch een afspraak te maken.

De rechtbank heeft gemachtigden medegedeeld dat het, gelet op de door beide gemachtigden aangegeven praktische bezwaren, ook mogelijk is om hun standpunten schriftelijk aan het dossier toe te voegen en dat de rechtbank op de aangekondigde tijd eiser in persoon zal horen. In overleg met beide partijen is uiteindelijk voor deze wijze van het behandelen van het beroep gekozen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11540


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1975, van Servische nationaliteit, eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Martens),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).


Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2020 heeft verweerder aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Omdat het door eiser ingestelde beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag bij uitspraak van 20 mei 2020 ongegrond is verklaard, is deze maatregel op 22 mei 2020 opgeheven. Aansluitend heeft verweerder bij besluit van 22 mei 2020 (het bestreden besluit) aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft partijen op 29 mei 2020 abusievelijk bericht dat zij in verband met de ontwikkelingen rondom de coronacrisis heeft besloten om de behandeling van de zaak schriftelijk voort te zetten en een fysieke zitting achterwege te laten. De gemachtigde van eiser heeft naar aanleiding van dit bericht dan ook terecht aangegeven dat niet zonder meer met een schriftelijke behandeling kan worden volstaan.

Uitgangspunt in bewaringszaken is dat de gedetineerde vreemdeling in persoon wordt gehoord over zijn vrijheidsontneming. Uitsluitend als de vreemdeling afstand doet van dit recht of indien het in persoon horen feitelijk niet mogelijk is kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Dit kan laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn als (gedurende de gehele wettelijke termijn waarbinnen de behandeling van het beroep dient plaats te vinden) geen vervoer naar de rechtbank mogelijk is of horen met een beeld- of telefonische verbinding niet mogelijk is vanwege technische problemen of capaciteitsgebrek terwijl inspanningen worden geleverd om deze problemen te verhelpen. In dit geval is hiervan geen sprake en kan eiser in beginsel worden gehoord. De rechtbank heeft gemachtigden geïnformeerd dat inspanningen geleverd zouden worden om –binnen de geldende wettelijke termijnen- een zitting te organiseren waarbij eiser via een telehoor-verbinding in persoon zal worden gehoord en beide gemachtigden de standpunten mondeling bij de rechtbank kunnen toelichten.

Nadat de rechtbank aan gemachtigden had medegedeeld op welke dag en tijdstip deze mondelinge behandeling (uitsluitend) kon plaatsvinden hebben beide gemachtigden aangegeven niet te kunnen deelnemen aan deze mondelinge behandeling van het beroep vanwege praktische problemen en dus niet ter zitting bij de rechtbank zullen verschijnen.

Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de behandeling niet bij de rechtbank bij te willen wonen maar vanuit het Detentiecentrum Rotterdam (DTC) om zodoende geen gebruik te hoeven maken van het openbaar vervoer. De rechtbank heeft daarop aangegeven dat dit vanzelfsprekend akkoord is, maar dat de gemachtigde zelf zorg moet dragen voor het verkrijgen van toestemming van het DTC om de behandeling van het beroep vanuit het DTC bij te kunnen wonen. Anders dan de gemachtigde heeft betoogd probeert de rechtbank haar probleem hiermee niet tot het probleem van de gemachtigde te maken. De rechtbank is eenvoudigweg niet bevoegd om te beslissen wie wanneer en onder welke omstandigheden toegang heeft tot het DTC. Op de website van het DTC is overigens aangeven welke beperkende maatregelen in verband met het Corona-virus van kracht zijn en dat de gemachtigde toegang tot het DTC kan verkrijgen om de zitting te kunnen bijwonen door hiervoor telefonisch een afspraak te maken.

De rechtbank heeft gemachtigden medegedeeld dat het, gelet op de door beide gemachtigden aangegeven praktische bezwaren, ook mogelijk is om hun standpunten schriftelijk aan het dossier toe te voegen en dat de rechtbank op de aangekondigde tijd eiser in persoon zal horen. In overleg met beide partijen is uiteindelijk voor deze wijze van het behandelen van het beroep gekozen.

Eiser is op 9 juni 2020, overeenkomstig het Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf zijn plaats van detentie per videoconferentie gehoord. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder hebben hun standpunten schriftelijk uiteengezet, waarna de mogelijkheid van re- en dupliek is geboden. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting is direct na de zitting toegevoegd aan het dossier zodat beide gemachtigden hiervan kennis hebben kunnen nemen en hierop hebben kunnen reageren. Na ontvangst van de standpunten, de re- en dupliek en het horen van eiser heeft de rechtbank zich voldoende voorgelicht geacht om het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen. De rechtbank heeft op 9 juni 2020 het onderzoek gesloten.

Op 10 juni 2020 heeft verweerder een bericht met bijlage toegevoegd aan het dossier waaruit blijkt dat de geplande vlucht van vrijdag 12 juni 2020 is geannuleerd. Eiser heeft daarop gereageerd en verzocht om dit bericht bij de beoordeling van het beroep te betrekken. De rechtbank heeft de berichten van eiser van 10 juni 2020 en 11 juni 2020 gekwalificeerd als een verzoek tot heropening van het onderzoek in deze zaak en heeft dit verzoek toegewezen. De rechtbank heeft dit aan partijen medegedeeld en aan verweerder – in het kader van hoor en wederhoor- de mogelijkheid geboden om te reageren op de berichten van eiser. Verweerder heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak op 12 juni 2020 gesloten.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. De beroepsgrond van eiser dat niet kan worden volstaan met een schriftelijke behandeling van het beroep behoeft geen bespreking omdat eiser in persoon is gehoord.

3. Wat eiser overigens heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Eiser heeft in de gronden aangevoerd dat de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i niet kunnen worden tegengeworpen. Ook zijn enkele lichte gronden betwist en wordt aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en daarbij aangegeven dat de grond 3a komt vervallen. Eiser heeft in repliek uitsluitend aangegeven dat grond 3i niet kan worden tegengeworpen en heeft de feitelijke situatie die ten grondslag ligt aan de lichte gronden en de zware gronden 3a, 3b en 3c niet langer betwist. Ten aanzien van het voortvarend handelen van verweerder heeft eiser enkel nog opgemerkt dat het hem bevreemdt dat zijn vertrek zal worden begeleid door escorts. Eiser heeft ter zitting verklaard zodanig ernstige medische problemen te hebben dat hij moet worden vrijgelaten.

4. De rechtbank overweegt dat verweerder alle zware gronden aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Eiser is na afwijzing van zijn eerste aanvraag met onbekende bestemming vertrokken, heeft het grondgebied van de lidstaten niet verlaten maar is naar Frankrijk vertrokken zonder hiervan mededeling te doen aan verweerder en zonder dit op rechtmatige wijze te kunnen doen en heeft bij oplegging van een eerdere maatregel aangegeven niet te willen voldoen aan zijn vertrekplicht. Dat eiser thans aangeeft dat hij gelet op de duur van de aaneengesloten opvolgende maatregelen van bewaring liever terugkeert naar Servië laat onverlet dat eiser zich hiervoor anders heeft geuit en overigens met zijn gedragingen heeft laten zien gedurende langer termijn niet te hebben willen voldoen aan zijn terugkeerplicht. Verweerder heeft naar aanleiding van de enkele verklaring van eiser dat hij nu wel zal vertrekken dan ook niet hoeven af te zien van oplegging van de maatregel. De lichte gronden behoeven geen verdere bespreking omdat de zware gronden samen de maatregel kunnen dragen.

5. Eiser heeft ter zitting aangegeven medische problemen te hebben en daarom moet worden vrijgelaten. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat zijn stelling dat hij detentie-ongeschikt is niet is onderbouwd met een verklaring van een arts en de rechtbank daarom er van uit gaat dat er geen medische beletsen zijn om eiser te detineren. Ook heeft de rechtbank aangegeven dat eiser in detentie toegang heeft tot medische en psychische zorg. Zijn stelling dat hij bij een eerdere maatregel niet onverwijld na het verzoek om psychische hulp een gesprek met een behandelaar heeft gekregen betekent niet dat in detentie onvoldoende medische zorg geboden wordt of de toegang daartoe niet is gewaarborgd. Deze grond slaagt dan ook niet.

6. Verweerder heeft aangeven juist zeer voortvarend te handelen omdat reeds twee dagen voor oplegging van de onderhavige maatregel een vlucht is aangevraagd voor 12 juni 2020. Uit het dossier blijkt weliswaar dat deze vlucht op 10 juni 2020 is geannuleerd. De vlucht heeft echter feitelijk wel plaats gevonden maar de luchtvaartmaatschappij heeft geen toestemming gegeven aan verweerder om de persoon van de escort om te boeken. Verweerder heeft daarop de vlucht van eiser geannuleerd. De opmerking van eiser dat het hem verbaast dat hij onder begeleiding moet vertrekken merkt de rechtbank niet aan als een zelfstandige beroepsgrond omdat dit aspect van de wijze van tenuitvoerlegging van de uitzetting niet ter toetsing voorligt. Verweerder heeft kenbaar gemaakt een nieuwe vlucht te zullen boeken voor 12 juni 2020. Eiser heeft daarop aangegeven “voor zover de rechtbank op het standpunt zou blijven staan dat de maatregel mocht worden opgelegd” in aanmerking te willen komen voor schadevergoeding omdat verweerder de verkeerde personen heeft aangemeld als escort voor de vlucht en hij daarom een week later kan vertrekken. De rechtbank overweegt dat de gronden tegen de maatregel niet slagen en dat voor zover de maatregel ambtshalve wordt getoetst geen onrechtmatigheden zijn geconstateerd. Dit betekent dat eiser reeds hierom niet in aanmerking komt voor schadevergoeding.

7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 juni 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.