Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5200

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
NL20.2680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen gegrond. Beslistermijn van 4 weken opgelegd, er is reeds gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaak tussen


[eiseres] geboren op [geboortedatum] , van [land van herkomst] nationaliteit, eiseres

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Vries),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 30 januari 2020 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel van 26 september 2018.

Verweerder heeft op 17 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft op 26 mei 2020 de stand van zaken weergegeven.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

5. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient, voor zover hier van belang, een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn.

6. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) geldt voor aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een beslistermijn van zes maanden.

7. Eiseres heeft op 26 september 2018 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op 25 maart 2019 op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is verstreken.

8. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres verweerder bij brief van 18 september 2019 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

9. Verweerder is van mening dat het beroep terecht is ingediend, omdat de wettelijke beslistermijn is verstreken en de ingebrekestelling van 18 september 2019 geldig is.

10. Het beroep is kennelijk gegrond.

11. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Volgens het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

12. Verweerder heeft in het verweerschrift van 17 februari 2020 uitvoerig toegelicht wat de stand van zaken is rondom het wegwerken van de capaciteitsproblemen die aan tijdige besluitvorming in de weg staan en wat in de uitvoeringspraktijk, onder de huidige omstandigheden, een haalbare en realistische maatwerkvoorziening of -termijn is. De hoger dan verwachte instroom, de diversiteit in de populatie van de asielzoekers en de snelheid waarmee nieuw personeel kan worden geworven en worden ingewerkt levert een bijzonder geval op zoals volgens verweerder inmiddels door alle zittingsplaatsen van de rechtbank wordt aangenomen. Met name het asielrecht onderscheidt zich van andere bestuursrechtelijke deelgebieden vanwege de afwijkende regels voor de vaststelling van feiten.

13. Verweerder heeft voorts op 26 mei 2020 de huidige stand van zaken weergegeven.

Op 1 mei 2020 is een voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag uitgebracht. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na ontvangst van het voornemen haar zienswijze op het voornemen te geven, waarbij nog rekening gehouden wordt met een postweek. Namens eiseres is nog geen zienswijze ingediend. De termijn voor het indienen van een zienswijze is nog niet verstreken. Indien verweerder de zienswijze heeft ontvangen, dan tracht verweerder zo snel als mogelijk, getracht wordt binnen twee weken, op de asielaanvraag van eiseres te beslissen. Naar aanleiding van de ingebrekestelling van
19 september 2019 is aan eiseres bij besluit van 10 maart 2020 een dwangsom toegekend van € 1.442,-.

De rechtbank overweegt als volgt

14. Gelet op het bericht van verweerder van 26 mei 2020 ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op de asielaanvraag te nemen.

15. De rechtbank ziet voortaan in beginsel aanleiding om te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. De aanvrager kan, indien de dwangsomperiode is verstreken zonder dat verweerder een besluit op de aanvraag heeft genomen, opnieuw beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

16. Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke

dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.