Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5178

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
NL20.8750
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie. Verzoek om aanhouding in afwachting EHRM afgewezen. Niet kwetsbaar. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Corona. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8750


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Slutsky).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Nyaku. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nigeriaanse te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft eerst op 25 februari 2019 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juli 2019 (zaaknummer NL19.14141) is het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens op 4 september 2019 overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten. Eiser is op 29 december 2019 Nederland weer ingereisd en heeft op 31 december 2019 opnieuw een asielaanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië op 3 februari 2020 een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vanaf 18

februari 2020 vaststaat.

4. Eiser voert allereerst aan dat onderhavige beroepsprocedure door de rechtbank dient te worden aangehouden totdat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) duidelijkheid is verschaft over de overdracht van kwetsbare vreemdelingen aan Italië. Eiser verwijst daarbij naar stukken die betrekking hebben op de zaak van zijn gemachtigde die momenteel bij het EHRM loopt, te weten V.A. v. THE NETHERLANDS AND ITALY. Verder voert eiser aan dat verweerder aan Italië individuele garanties dient te vragen met betrekking tot (opvang)voorzieningen omdat eiser als kwetsbaar dient te worden aangemerkt. Eiser is eerder aan Italië overgedragen met de toezegging dat hij zou worden opgenomen in de asielprocedure en hem opvang en voorzieningen zouden worden verstrekt. Eiser heeft echter op straat onder een viaduct moeten slapen en moeten bedelen. Eiser is zwaar getraumatiseerd. De kwetsbaarheid van eiser is vooral gelegen in humanitaire factoren, aldus eiser.

4.1

De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep aan te houden omdat de zaak V.A. v. THE NETHERLANDS AND ITALY waar eiser naar heeft verwezen ziet op een andere situatie. In die zaak betreft het namelijk bijzonder kwetsbaren (gezin met minderjarige kinderen). Eiser valt hier niet onder. Eiser is naar het oordeel van de rechtbank niet kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel t. Zwitserland van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) van het EHRM. De rechtbank ziet daarom ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval individuele garanties moet vragen zoals toegang tot de asielprocedure en opvang. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert voorts aan dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst daarbij naar het rapport van Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van 21 januari 2020 ‘Reception conditions in Italy. Updated report on the situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees in Italy’. Uit dat rapport blijkt volgens eiser dat er talrijke systematische tekortkomingen zijn in het Italiaanse opvangsysteem voor asielzoekers (waaronder Dublinterugkeerders) en statushouders. Ook hebben zij beperkte toegang tot een asielprocedure. Gezien het huidige hoge werkloosheidsniveau in Italië, is het voor asielzoekers en statushouders uiterst moeilijk om werk te vinden, waardoor zij kwetsbaar zijn voor uitbuiting zoals mensenhandel. Het opvangsysteem is gebaseerd op korte termijn noodmaatregelen en is sterk gefragmenteerd. Kwetsbare asielzoekers en statushouders lopen het risico dat hun rechten op grond van het internationale en Europese recht worden geschonden. SFH/OSAR beveelt lidstaten daarom aan af te zien van het terugsturen van kwetsbare asielzoekers naar Italië. Daarnaast dienen lidstaten een gedetailleerde individuele beoordeling te maken van de omstandigheden waarin teruggestuurde statushouders terecht zullen komen, om in elk afzonderlijk geval te kunnen beslissen over de wettigheid van het terugsturen van statushouders naar Italië.

Verder verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:987. De Afdeling heeft

in die uitspraak wel informatie uit de circulair letter van 8 januari 2019 betrokken en de zaak F.O. and others, maar gaat niet in op bepaalde onderdelen van het rapport van SFH/OSAR. Eiser voert tevens aan dat verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verweerder in zijn algemeenheid ervan mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit volgt ook uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 19 december 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) en 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987). Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is.

5.2

Hoewel eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Italië zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen en dat bij overdracht een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). In het door eiser aangehaalde rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020 ziet de rechtbank geen aanleiding om, in afwijking vaste jurisprudentie van de Afdeling, te oordelen dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986, punt 10.2 onderaan) waarin is geoordeeld dat uit het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020 geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren komt dan al bekend was ten tijde van haar uitspraak van 12 juni 2019. Het rapport biedt dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert tot slot aan dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn ontbreekt vanwege de maatregelen tegen het coronavirus. Eiser heeft

daarbij verwezen naar een lijst van landen waarop niet meer gevlogen wordt. Daarnaast heeft het coronavirus in Italië een impact op alles en iedereen. Wat voor invloed dit zal hebben op de opvang en voorzieningen in Italië voor Dublinterugkeerders moet nog in kaart worden gebracht. Een fact finding mission zou hier op zijn plaats zijn. Ook om die reden is aanhouding van het beroep op zijn plaats.

6.1

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de ontwikkelingen rondom het coronavirus. De omstandigheid dat eiser op dit moment niet kan worden overgedragen aan Italië is een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Italië als de verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat niet eraan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen. Voor zover eiser onder verwijzing naar de ‘Interactive Coronavirus (Covid-19) Travel Regulations Map’ heeft betoogd dat hij geen toegang meer heeft tot de asielprocedure in Italië omdat hij niet wordt toegelaten en ook niet kan reizen binnen Italië, is de rechtbank van oordeel dat dit ook tijdelijke belemmeringen betreft omdat uit datzelfde stuk blijkt dat de maatregelen tot 3 juni 2020 duren. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Pronk, griffier.

Deze uitspraak is gedaan:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.