Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5173

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
AWB 19/9656
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv / verblijf bij echtgenoot / geen ontheffing inburgeringsplicht / beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/9656

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde: F. Ben-Saddek,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie-of gezinslid bij haar echtgenoot, [naam2] (verder te noemen: referent) afgewezen.

In het kader van het daartegen ingediend bezwaar, is eiseres op 15 oktober 2019 op de Nederlandse ambassade te Rabat, Marokko, telefonisch gehoord.

Bij besluit van 15 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres is op 1 juli 1988 met referent gehuwd en heeft eerder, op 16 juni 2015, een aanvraag om een mvv voor verblijf bij referent ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste en er geen aanleiding bestond ontheffing te verlenen van dit vereiste. Bij besluit van 11 november 2016 heeft verweerder het daartegen door eiseres ingediend bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 maart 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, is het daartegen ingediend beroep ongegrond verklaard1.

2. Op 29 mei 2018 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend en opnieuw verzocht om ontheffing van het inburgeringsvereiste. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een medische verklaring van 29 november 2018 van de aangewezen arts (dr. Gagné-Lamghabbar) overgelegd, en een verklaring van de geraadpleegde deskundige (psychiater dr. M. Paes), van dezelfde datum. Verder heeft eiseres een verklaring van een opleidingsinstituut l’école Le Message van 1 februari 2018 overgelegd.

3. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen en die beslissing in het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, terwijl er onvoldoende redenen zijn om haar van deze verplichting te ontheffen. Dat uit de verklaring van de deskundige van dr. Paes blijkt dat de cognitieve vaardigheden van eiseres zeer beperkt zijn, betekent volgens verweerder niet dat zij het examen niet kan afleggen of geen (passende) inspanningen kan leveren ter voorbereiding op het basisexamen inburgering. Er is een gratis zelfstudiepakket beschikbaar dat ook studiemateriaal bevat voor analfabeten, zoals eiseres. Dit studiepakket is ook beschikbaar in de taal van eiseres. Verweerder vindt dat eiseres niet voldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat zij zich lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat mogelijk is in haar situatie om zich voor te bereiden op het examen en om het examen af te leggen. Daarnaast is de weigering om aan eiseres een mvv te verlenen volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft ontheven van het inburgeringsvereiste. Eiseres verwijst hiervoor naar het rapport van deskundige dr. Paes van 29 november 2018, waarin hij heeft geoordeeld dat zij zeer beperkt is in cognitieve zin. Deze zeer beperkte cognitieve vaardigheden verklaren de onmogelijkheid van eiseres om door middel van het volgen van lessen of anderszins haar resultaten op het examen te verbeteren. Dit geldt temeer nu de achteruitgang in haar cognitieve vaardigheden onder meer verband houden met het feit dat al haar gezinsleden in Nederland verblijven en zij als enige in Marokko verblijft. Eiseres stelt dat verweerder het oordeel van dr. Paes niet had mogen passeren, zonder zich te baseren op een oordeel van een andere medisch deskundige. Op zijn minst had verweerder zijn conclusie aangaande de verklaring van dr. Paes eerst aan deze deskundige dienen voor te leggen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak K. en A. van 9 juli 20152, de daaropvolgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 20153 volgt dat een inburgeringsplichtige vreemdeling moet worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste als blijkt dat dit vereiste de uitoefening van het recht op gezinshereniging in zijn of haar geval onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Daarbij moet rekening worden gehouden met één of meer omstandigheden die er objectief aan in de weg staan dat het examen (met goed gevolg) kan worden afgelegd. Het Hof noemt hierbij specifiek leeftijd, opleidingsniveau, financiële situatie of gezondheidstoestand (ook van de betrokken gezinsleden van de gezinshereniger).

6. Naar aanleiding van dit arrest en deze uitspraken heeft verweerder zijn beleid, zoals neergelegd in paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), gewijzigd (WBV 2015/22, Staatscourant 23 december 2015, nr. 45363). Blijkens dit nieuwe beleid spelen in de beoordeling van de bijzondere individuele omstandigheden de getoonde wil van de vreemdeling om voor het examen te slagen en de nodige inspanningen die daartoe zijn gedaan een belangrijke rol.

7. Tussen partijen is niet in geschil is dat eiseres inburgeringsplichtig is en dat zij het basisexamen inburgering buitenland niet heeft behaald. In geschil is de vraag of verweerder eiseres had moeten ontheffen van het inburgeringsvereiste. Meer in het bijzonder moet de vraag worden beantwoord of verweerder inspanningen van eiseres mag verlangen en of verweerder genoeg rekening heeft gehouden met relevante bijzondere individuele omstandigheden, die zijn vermeld in paragraaf B1/4.7 van de Vc.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat van eiseres geen (passende) inspanningen kunnen worden gevergd om zich voor te bereiden op het examen en om (onderdelen van) het examen af te leggen. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiseres ter voorbereiding gebruik kan maken van een gratis studiepakket dat geschikt is voor analfabeten. Eiseres heeft niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat dit pakket voor haar niet adequaat is. De door eiseres overgelegde verklaring van dr. M. Paes van 29 november 2018 heeft verweerder niet tot een ander besluit hoeven brengen. In deze verklaring concludeert dr. Paes dat de cognitieve vaardigheden van eiseres momenteel zeer beperkt zijn vanwege haar

persoonlijkheid, haar onderwijs en sociale omstandigheden, niet vanwege medische omstandigheden. Aanvullend heeft dr. Paes aangegeven dat de situatie van eiseres ongeveer hetzelfde is als tijdens zijn onderzoek van haar in 2015. De reden dat hij haar cognitieve vaardigheden nu typeert als zeer beperkt in plaats van enigszins beperkt heeft te maken met de herbeoordeling van de invloed van haar sociale, familie- en leefomstandigheden op haar affectieve en intellectuele ontwikkeling.

Uit deze verklaringen van dr. Paes blijkt echter niet dat van eiseres in het geheel geen inspanningen gevergd kunnen worden dan wel dat het voor haar onmogelijk is om binnen een redelijke termijn voor het inburgeringsexamen te slagen. De rechtbank volgt niet de stelling van eiseres dat verweerder zijn conclusie over de verklaring van dr. Paes eerst aan de deskundige had dienen voor te leggen. Het is immers aan eiseres zelf om de door haar gestelde bijzondere omstandigheden te onderbouwen. Daarnaast bevat het rapport een heldere, niet medische beschrijving van de problematiek van eiseres. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder ook de leeftijd van eiseres, haar analfabetisme, haar gebrek aan onderwijs, haar familie- en sociale omstandigheden en de medische situatie van referent in zijn beoordeling heeft betrokken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RBROT:2017:2064.

2 ECLI:EU:C:2015:453.

3 ECLI:NL:RVS:2015:3655 en ECLI:NL:RVS:2015:3656.