Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
NL20.4623
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Oostenrijk, gestelde minderjarigheid, geregistreerd als meerderjarig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4623

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2004 .

Op 16 november 2019 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder op 16 mei 2016 in Hongarije en op 17 mei 2016 in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. De Oostenrijkse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 16 januari 2020, waarmee de verantwoordelijkheid van Oostenrijk volgens verweerder vaststaat.

Verweerder gaat uit van de meerderjarigheid van eiser.

3. Eiser voert aan dat hij minderjarig is en dat uit de Dublinverordening volgt dat Nederland om die reden verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.

Eiser stelt dat hij op 11-jarige leeftijd in Hongarije is aangekomen, maar dat hij zich in opdracht van de reisagent heeft uitgegeven als 15-jarige. De Oostenrijkse autoriteiten hebben getracht hem te claimen op Hongarije en hebben de door Hongarije verschafte gegevens overgenomen, terwijl hij in Oostenrijk de juiste gegevens heeft verschaft.

Dat verweerder navraag heeft gedaan naar zijn personalia bij Oostenrijk zegt om die reden niets. Eiser heeft in beroep een kopie van een taskera overgelegd. Eiser stelt dat uit de vertaling van het document blijkt dat een geboortedatum van [geboortedatum2] 2004 tot de mogelijkheden behoort. De echtheid van het document moet daarom worden onderzocht. Verder moet verweerder hem een leeftijdsonderzoek aanbieden. Tot slot voert eiser aan dat hem is aangezegd Oostenrijk te verlaten en dat hij gewoon heeft gedaan wat hem werd gezegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Omdat de conclusies van de medewerker van de IND die op 16 november 2019 het aanmeldgehoor AMV heeft afgenomen en die van de medewerker van de politie eenheid Noord-Nederland, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) niet overeenkwamen, heeft verweerder een navraag gedaan bij de Oostenrijkse autoriteiten op grond van artikel 34 van de Dublinverordening. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat eiser in Oostenrijk als (thans) meerderjarig staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum3] 2000, maar dat eiser ten tijde van de asielaanvraag in Oostenrijk nog minderjarig was en dat er een leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden.

Zoals ook is overwogen in het bestreden besluit, mag verweerder er hierom in beginsel van uitgaan dat eiser meerderjarig is, tenzij eiser aannemelijk maakt dat de in Oostenrijk geregistreerde geboortedatum onjuist is2. De taskera die eiser op 27 februari 2020 heeft overgelegd is daarvoor onvoldoende, omdat dit document geen geboortedatum bevat maar alleen de vermelding ‘een jaar oud in het jaar 2006 (Afghaans jaar: 1385) wat overeenkomt met 14 jaar oud in het jaar 2019 (Afghaans Jaar: 1398)’. Verder is onderzoek naar de echtheid van het document niet mogelijk, omdat het slechts een kopie is en geen origineel document. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder er bij deze stand van zaken van mocht uitgaan dat eiser meerderjarig is. Er was dan ook geen aanleiding voor verweerder om eiser een leeftijdsonderzoek aan te bieden.

5. Met het claimakkoord van 16 januari 2020 hebben de Oostenrijkse autoriteiten gegarandeerd om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen3. Verder heeft Oostenrijk het terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, wat wil zeggen dat de asielaanvraag van eiser nog in behandeling is.

De omstandigheid dat eisers asielaanvraag in eerste instantie is afgewezen en hem is aangezegd om Oostenrijk te verlaten, maakt dit niet anders. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Eiser heeft niet met documenten of anderszins aangetoond dat niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Ook met zijn persoonlijke relaas heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Oostenrijk ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij voorkomende problemen in de opvang en de asielprocedure dient eiser te klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk is.

6. Verweerder heeft in hetgeen door eiser is aangevoerd dan ook geen reden hoeven zien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 20 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:780 en 7 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2018:1910

3 Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn).