Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
NL20.6581
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AKT. Afwijzing asielaanvraag. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6581


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: P.A.L.A. van Ittersum).


Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Partijen hebben toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om in de zaak uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek vandaag, vóór het doen van de uitspraak, gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Guinese nationaliteit en is geboren op [1995] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij na het overlijden van zijn vader problemen heeft gekregen met zijn oom en stiefmoeder over de erfenis van zijn vader. Hij is toen naar [woonplaats] verhuisd. Daar heeft hij problemen gekregen vanwege de verschillende politieke standpunten van etnische groepen. Eiser behoort tot de Fula bevolkingsgroep, die wordt onderdrukt door de heersende Malinke bevolkingsgroep en vaak het doelwit is van geweld door de politie en het leger. Eiser heeft deelgenomen aan politieke demonstraties en is twee keer gearresteerd. Verder is zijn vriendin zwanger van hem geraakt, waardoor hij in de problemen is gekomen met haar vader die leger commandant is. Vanwege deze problemen heeft eiser Guinee verlaten.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

  • -

    dat eiser tot de Fula bevolkingsgroep behoort;

  • -

    dat eiser problemen heeft met zijn oom en stiefmoeder;

  • -

    dat eiser aan demonstraties heeft deelgenomen en daarom twee keer is gearresteerd

  • -

    dat eiser problemen had met de vader van zijn (destijds minderjarige) vriendin, omdat hij haar zwanger had gemaakt.

4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook gelooft verweerder dat eiser tot de Fula bevolkingsgroep behoort. De problemen van eiser met zijn oom en stiefmoeder vindt verweerder geloofwaardig, maar de daaruit door eiser ontleende vrees niet. De overige relevante elementen vindt verweerder niet geloofwaardig.

5. Eiser voert aan dat verweerder zich niet aan artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden. Volgens eiser werpt verweerder hem in het bestreden besluit ten onrechte tegen dat hij in de zienswijze niet heeft toegelicht op welke punten van zijn verklaringen hij niet in de gelegenheid is gesteld om uitleg te geven. Dat heeft hij wel gedaan door in de zienswijze te wijzen op zijn verklaringen over:
1) de demonstraties;

2) het al dan niet in de meerderheid zijn van de Malinke bevolkingsgroep;

3) de leeftijd van zijn vriendin en haar mogelijkheden hem vrij te krijgen;

4) de (in de ogen van verweerder) onwaarschijnlijke schuilplaats en hulp van de zuster van de vriendin van eiser.

Eiser stelt dat deze ongeloofwaardige aspecten niet in het nader gehoor met hem zijn besproken en dat verweerder hierover ook geen navraag heeft gedaan of uitleg heeft gevraagd. Volgens eiser blijkt dit ook niet uit de passages uit het verslag van het nader gehoor waar verweerder in het bestreden besluit op heeft gewezen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich aan artikel 3.113, tweede lid, van het Vb, heeft gehouden. In de zienswijze heeft eiser uitsluitend aangevoerd dat hij het niet eens is met de beoordeling van verweerder dat zijn verklaringen niet geloofwaardig zijn en dat hij het standpunt van verweerder niet kan volgen. Daarbij heeft eiser niet concreet aangegeven op welke punten verweerder verder had moeten door vragen of over welke aspecten verweerder uitleg had moeten vragen. Daar staat tegenover dat verweerder in het bestreden besluit – met verwijzing naar de betreffende pagina’s uit het nader gehoor – gemotiveerd heeft aangevoerd op welke onderdelen van eisers asielrelaas is doorgevraagd en dat eiser ook is geconfronteerd met tegenstrijdige verklaringen. Wat eiser stelt, kan de rechtbank dan ook niet volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert verder aan dat hij verweerders stellingen in het bestreden besluit op pagina’s 2 tot en met 5 niet kan volgen, omdat deze niet gemotiveerd of onderbouwd zijn.

8. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat het aan eiser is om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Het is dus niet aan verweerder om het tegendeel aannemelijk te maken.1 Voor zover eiser bedoelt te stellen dat verweerder de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas aannemelijk moet maken, is de rechtbank van oordeel dat die beroepsgrond niet slaagt.

Over de door eiser gestelde vrees voor zijn oom en stiefmoeder

9. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen onvoldoende zijn om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Guinee voor zijn oom en stiefmoeder heeft te vrezen. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser heeft verklaard dat zijn oom heeft gezegd dat hem hetzelfde zou overkomen als zijn vader. Eiser heeft vervolgens verklaard dat deze mededeling hem aan hekserij deed denken, omdat zijn vader – volgens sommige mensen – aan voodoo was overleden. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn vertrek naar [woonplaats] in 2015 geen enkele problemen van zijn oom heeft ondervonden. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat voornoemde verklaringen van eiser onvoldoende zijn om de door hem gestelde vrees voor zijn oom en stiefmoeder aannemelijk te achten. Eiser heeft in beroep uitsluitend herhaald wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Hiermee heeft eiser verweerders standpunt in het bestreden besluit niet gemotiveerd weerlegd of bestreden.

Over de demonstraties

10. Eiser betwist dat hij alleen in algemeenheden over de demonstraties in zijn land heeft verklaard. Eiser stelt dat hij gedetailleerd heeft beschreven wat zich heeft afgespeeld en wat hem voor, tijdens en na de demonstraties is overkomen. Deze verklaringen komen ook overeen met informatie uit openbare bronnen.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit element ongeloofwaardig is. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet weet – ook niet bij benadering – wanneer hij werd vastgehouden/gearresteerd, terwijl dit wel van hem verwacht mag worden. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser heeft verklaard dat de arrestatie een van de redenen was voor zijn vlucht en dat niet is gebleken dat eiser zich vanwege medische redenen geen data kan herinneren.

Verweerder heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij aan de demonstraties heeft deelgenomen. Zo heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze zijn huisgenoot hem heeft gemotiveerd om aan de demonstraties deel te nemen. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser vrij algemene verklaringen heeft afgelegd over het doel of de reden van zijn deelname aan de demonstraties. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser de behandeling van Fula in Guinee niet als reden voor zijn deelname heeft genoemd en dat zijn algemene informatie over de UFGD en de verkiezingen en gebeurtenissen in Guinee geen inzicht geven in de reden voor zijn deelname aan de demonstraties. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, is onvoldoende om verweerders standpunt te weerleggen.

Over de leeftijd van eisers vriendin en haar mogelijkheden om hem vrij te krijgen

12. Eiser voert aan dat verweerder heel subjectief stelt dat anderen best konden weten dat zijn vriendin minderjarig was, ondanks dat eiser dat niet meteen wist.

13. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee aanvoert dat verweerder zijn verklaringen over de problemen met de vader van zijn vriendin ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft het opmerkelijk kunnen vinden dat de vriendin van eiser hem bij het politiebureau vrij heeft kunnen krijgen, terwijl zij minderjarig was. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte overwogen dat het voor de politie heel eenvoudig was geweest om haar identiteit en leeftijd te achterhalen. Eiser heeft hier in beroep niet op gereageerd en hierover ook geen duidelijkheid verschaft. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser geen informatie over de vader van zijn vriendin heeft kunnen verstrekken. Dit terwijl eiser heeft verklaard dat de vader van zijn vriendin een rijke en machtige legercommandant is, die volgens hem gemakkelijk na te trekken is.

15. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser – op het moment dat zijn vriendin zwanger was – niet wist dat zij minderjarig was. De enkele stelling van eiser dat hij dat niet wist, is onvoldoende om verweerders standpunt te weerleggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser en zijn vriendin op dat moment al vier maanden een relatie hadden en dat het niet aannemelijk is dat eiser nooit naar haar leeftijd zou hebben gevraagd. Dit geldt te meer, nu eiser heeft verklaard dat seks hebben met een minderjarige in Guinee tot flinke problemen kan leiden. Verder heeft verweerder zich ook gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser zich gedurende drie weken in het huis van de zwager van zijn vriendin schuil heeft gehouden en dat eisers vriendin hem naar die schuilplaats heeft gebracht. Eiser heeft in beroep niet op deze standpunten gereageerd en daarmee dus ook niet het standpunt van verweerder weerlegd.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder al gelet op wat in rechtsoverwegingen 9 tot en met 15 is overwogen tot de conclusie heeft kunnen komen dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. Het overige wat eiser heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 augustus 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AL9034) en van 27 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:977).