Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:513

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2020
Datum publicatie
24-01-2020
Zaaknummer
C-09-586928-KG ZA 20-49
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:978, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van eiser tot schorsing van zijn detentie afgewezen.

Op grond van het verdrag tussen Nederland en Thailand moet de Staat het restant van 10 jaar en 8 maanden ten uitvoer te leggen. Van de Staat kan niet worden verwacht dat hij eenzijdig eiser onmiddellijk dan wel kort na zijn overbrenging naar Nederland in vrijheid stelt.

Volgens eiser is voortzetting van de detentie echter onrechtmatig. Want volgens het rapport van de Ombudsman hebben de overheidsinstanties onzorgvuldig gehandeld bij hun optreden in Thailand. Voor zover de rechter in een nog te voeren bodemprocedure tot het oordeel komt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, zullen de negatieve gevolgen voor eiser zich dan laten vertalen in de vorm van een schadevergoeding.

Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het hoogst waarschijnlijk is dat zijn gratieverzoek wordt toegewezen. Het is echter maar zeer de vraag of eiser in zijn verzoek tot gratie kan worden ontvangen. Op grond van het verdrag kan namelijk niet worden uitgesloten dat Thailand het recht om gratie te verlenen aan eiser uitsluitend aan zichzelf heeft voorbehouden. Een kort geding procedure leent zich niet voor beantwoording van die vraag. Daarvoor dient de gratieprocedure.

Voor klachten over het medisch beleid binnen de gevangenis of een verzoek om strafonderbreking voor medisch onderzoek dient eiser de daarvoor in de Penitentiaire beginselenwet en Penitentiaire maatregel voorgeschreven procedure te volgen.

De vordering van eiser is daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/586928 / KG ZA 20-49

Vonnis in kort geding van 24 januari 2020

in de zaak van

[eiser],

verblijvende in de penitentiaire inrichting [X] te [plaats],

eiser,

advocaat mr. G.G.J.A. Knoops te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van [eiser] van 16 januari 2020, met productie;

- de brief van de Staat van 17 januari 2020, met producties;

- het e-mailbericht van [eiser] van 17 januari 2020, met productie;

- de op 17 januari 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

1.3.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft [eiser] - bij e-mailbericht van 17 januari 2020, 16.05 uur - nog een productie doen toekomen aan de voorzieningenrechter. Deze zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat na het sluiten van de zitting geen kennis meer mag worden genomen van processtukken, tenzij daarover afspraken zijn gemaakt op de mondelinge behandeling. Dit laatste is niet het geval. Integendeel, op de zitting heeft de voorzieningenrechter - na kennisneming van het standpunt van de Staat - al aangegeven dat de betreffende productie niet meer in het geding mag worden gebracht.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] - die de Nederlandse nationaliteit bezit - is in 2008 verhuisd naar Thailand, waar hij is getrouwd met [A], die de Thaise nationaliteit heeft.

2.2.

In 2011 is het Openbaar Ministerie (hierna 'het OM') een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin [eiser] is aangemerkt als (mede-)verdachte.

2.3.

Na een PowerPointpresentatie op 23 november 2013 en een rechtshulpverzoek in juni 2014 van het OM, alsmede een brief van het Korps landelijke politiediensten van 14 juli 2014, zijn de Thaise autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] gestart. Dit heeft geleid tot de arrestatie van [eiser] en zijn echtgenote op 23 juli 2014. Sindsdien zijn beiden gedetineerd.

2.4.

Bij vonnis van 10 november 2015 is [eiser] door het Thaise Criminal Court veroordeeld tot een gevangenisstraf van 103 jaar wegens vijftien gevallen van het medeplegen van witwassen. Ook zijn echtgenote werd veroordeeld tot een gevangenisstraf.

2.5.

Het Court of Appeal heeft die veroordelingen bij uitspraak van 2 maart 2017 bevestigd, met dien verstande dat aan [eiser] een gevangenisstraf van 75 jaar, ofwel 20 jaar effectief, is opgelegd en aan diens echtgenote een gevangenisstraf van zeven jaar en vier maanden.

2.6.

In een op 27 april 2017 ondertekende verklaring heeft [eiser] verzocht om overbrenging naar Nederland.

2.7.

Op 23 november 2018 hebben [eiser] en zijn echtgenote de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden en lijden als gevolg van het onrechtmatige handelen van (onderdelen van) de Staat, dat heeft geleid tot hun strafrechtelijke vervolging en veroordeling in Thailand. De Staat heeft die - vermeende - aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8.

De Nationale ombudsman heeft naar aanleiding van een klacht van [eiser] en zijn echtgenote een onderzoek verricht naar de wijze waarop het OM, het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Nederlandse politie hebben gehandeld nadat bleek dat de Thaise autoriteiten niet op het gewenste moment gevolg zouden geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek van het OM. Naar aanleiding daarvan heeft hij op 11 maart 2019 een rapport uitgebracht. Voor zover hier van belang luidt dit:

"(…)

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het vereiste van evenredigheid is geschonden. De overheidsinstanties hebben onzorgvuldig gehandeld. Zij hebben verzuimd af te wegen of de gekozen middelen in evenredige verhouding stonden tot het beoogde doel. De klacht over het handelen van het OM, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de politie is gegrond.

(…)

Conclusie

Alles overziend komt de ombudsman tot de conclusie dat de Nederlandse overheidsinstanties die betrokken waren bij de acties die volgden op het rechtshulpverzoek aan Thailand onvoldoende oog hebben gehad voor het perspectief van verzoekers.

De klacht over het handelen van het Openbaar Ministerie, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de politie na het uitbrengen van een rechtshulpverzoek aan Thailand is gegrond."

2.9.

Bij uitspraak van 6 juni 2019 heeft het Thaise Supreme Court de beslissing van 2 maart 2017 van het Court of Appeal ten aanzien van [eiser] bekrachtigd.

2.10.

[eiser] heeft op 29 augustus 2019 aan de minister van Justitie en Veiligheid (hierna 'de minister van JenV') verzocht in te stemmen met de overdracht van de tenuitvoerlegging van de hem door de Thaise rechter opgelegde gevangenisstraf op grond van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen ('WOTS') en daartoe een verzoek in te dienen bij de Thaise autoriteiten.

2.11.

Op 7 november 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - overeenkomstig de procedure ex artikel 43 WOTS - geoordeeld dat er geen weigeringsgronden bestaan zoals bedoeld in de WOTS of het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen (hierna 'het Verdrag'), alsmede dat de aan [eiser] door de Thaise rechter opgelegde gevangenisstraf moet worden aangepast tot tien jaren en acht maanden, met aftrek van voorarrest en daarmee gelijk te stellen perioden van vrijheidsbeneming.

2.12.

Bij brief van 11 november 2019 heeft de minister van JenV - in reactie op een brief van de Thaise autoriteiten van 11 september 2019 - overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van het Verdrag aan de Thaise autoriteiten laten weten dat in geval van overname van de aan [eiser] opgelegde straf een gevangenisstraf van tien jaar en acht maanden ten uitvoer zal worden gelegd, alsmede dat [eiser] na het ondergaan van tweederde deel van de straf voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld. De Thaise autoriteiten hebben daarmee op 7 januari 2020 ingestemd.

2.13.

Op 9 januari 2020 heeft de minister voor Rechtsbescherming (hierna 'de minister voor Rb') gelast dat de verdere tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland zal plaatsvinden, op welke vrijheidsbenemende sanctie de Nederlandse regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is, en bepaald dat de straf (verder) zal worden ten uitvoer gelegd in een penitentiaire inrichting (hierna 'PI') in Nederland.

2.14.

Op 15 januari 2020 is [eiser] door de Thaise autoriteiten overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten, waarna hij op 16 januari 2020 feitelijk is overgebracht naar Nederland. Na aankomst op Schiphol is hij onmiddellijk overgebracht naar de [PI X].

2.15.

Op 16 januari 2020 heeft [eiser] gratie verzocht van het resterende deel van zijn gevangenisstraf. Tegelijkertijd heeft hij aan de minister voor Rb verzocht de tenuitvoerlegging van het strafrestant te schorsen c.q. op te schorten, zolang niet op het gratieverzoek is beslist.

2.16.

De datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] is bepaald op 28 augustus 2021.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert de Staat te bevelen de voortgezette tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, die hij thans in de [PI X] ondergaat, met onmiddellijke ingang te schorsen c.q. op te schorten voor onbepaalde tijd totdat in de te voeren bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist over de aansprakelijkheid van de Staat dan wel totdat zal zijn beslist op zijn gratieverzoek, althans voor een in goede justitie vast te stellen periode, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] als nuancering van zijn vorderingen geopperd dat primair de voortgezette tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt opgeschort in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure, dan wel de beslissing op het gratieverzoek en subsidiair dat de voortgezette tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt opgeschort voor de duur van twee maanden teneinde hem in de gelegenheid te stellen zich medisch en mentaal te doen herstellen onder supervisie van een team van gespecialiseerde medici, waarna opnieuw zal worden geëvalueerd of met de voortgezette tenuitvoerlegging van de straf zal kunnen worden voortgegaan. Daarnaar gevraagd heeft [eiser] aangegeven daarmee geen eiswijziging te beogen, aangezien die nuancering volgens hem past binnen de bandbreedte van de in de dagvaarding geformuleerde vorderingen.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vorderingen voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

3.2.1.

De Staat handelt onrechtmatig door de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf verder te executeren, ook al is de straf aangepast naar Nederlandse maatstaven.

3.2.2.

Daarvoor is allereerst van belang dat de strafvervolging en de daaruit voortvloeiende veroordeling in Thailand hun oorzaak vinden in het handelen van de Staat. Uit - met name - het rapport van de Nationale ombudsman van 11 maart 2019 blijkt dat dit handelen onrechtmatig was. Daar komt bij dat de minister van JenV in de Tweede Kamer heeft aangegeven de conclusie van dat rapport te delen. Daarmee moet de verdere tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland ook als onrechtmatig worden aangemerkt. [eiser] zal tegen de Staat een bodemprocedure aanhangig maken, waarin hij zal vorderen (i) te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en (ii) de Staat te veroordelen tot een nader bij staat op te maken schadevergoeding. Gelet op het rapport van de Nationale ombudsman en de uitlating van de minister van JenV moet ervan worden uitgegaan dat die vorderingen zullen worden toegewezen. In afwachting van de uitkomst van die bodemprocedure dient de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te worden gestaakt. Dit beperkt ook de schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden.

3.2.3.

Daarnaast volgt uit een brief van de advocaat van de Staat van 16 januari 2020 naar aanleiding van het verzoek van [eiser] om een (zeer) spoedige behandeling van dit kort geding dat het verzoek van [eiser] om de tenuitvoerlegging van het strafrestant te schorsen c.q. op te schorten zolang niet op het gratieverzoek is beslist, zal worden afgewezen. In redelijkheid kan de minister voor Rb niet tot die beslissing komen, aangezien hoogstwaarschijnlijk is dat het gratieverzoek van [eiser] zal worden toegewezen.

3.2.4.

Een en ander rechtvaardigt de spoedige toewijzing van de vorderingen. Dat klemt te meer nu [eiser] lijdt aan zeventien medische aandoeningen, waarvan de oorzaak is gelegen in zijn detentie in Thailand. Een aantal van die klachten kan leiden tot een levensbedreigende situatie. In verband hiermee moet hij zo spoedig mogelijk naar een academisch ziekenhuis. Bovendien wenst hij - na het drama dat hij heeft meegemaakt in Thailand - een menswaardige behandeling. In het uiterste geval dienen hem enkele weken te worden gegund om - al dan niet onder toezicht - in vrijheid bij te komen van wat hij heeft meegemaakt.

3.3.

De Staat voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat voortzetting van zijn detentie onrechtmatig is en dat hij daarom - al dan niet tijdelijk - onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld.

4.2.

Als eerste verweer heeft de Staat aangevoerd dat de vorderingen van [eiser] reeds afstuiten op het Verdrag, dat (mede) van toepassing is op de overbrenging van [eiser] naar Nederland. Dit verweer treft doel, waarvoor het navolgende van belang is.

4.3.

Voor zover hier relevant luidt het Verdrag:

"Artikel 4 Procedure van overbrenging

(…)

5 De overdragende Staat stelt de ontvangende Staat desgewenst in de gelegenheid voorafgaand aan de
overbrenging te onderzoeken, met behulp van een door deze Staat aangewezen functionaris, of de
gevonniste persoon of de persoon die namens hem mag optreden, vrijwillig en volledig bewust van de
rechtsgevolgen de voor de overbrenging noodzakelijke toestemming, bedoeld in artikel 3, onderdeel g,
van dit Verdrag, heeft gegeven.

(…)

Artikel 5 Behoud van rechtsmacht

Ten aanzien van sancties die ingevolge dit Verdrag ten uitvoer gelegd worden, behoudt de overdragende Staat exclusieve rechtsmacht ten aanzien van de vonnissen van zijn rechters, de door hen opgelegde sancties en alle procedures voor herziening, wijziging of herroeping van door zijn rechters opgelegde sancties. Na in kennis te zijn gesteld van een herziening, wijziging of herroeping van deze vonnissen of sancties, geeft de ontvangende Staat daaraan uitvoering.

Artikel 6 Procedure voor tenuitvoerlegging van veroordelingen

1 Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, vindt de voortgezette tenuitvoerlegging van de aan de
overgebrachte dader opgelegde sanctie plaats in overeenstemming met het recht en de administratieve
of gerechtelijke procedures van de ontvangende Staat. De overdragende Staat behoudt daarnaast het
recht de gevonniste persoon gratie te verlenen of diens sanctie te wijzigen, en de ontvangende Staat
geeft, na door de overbrengende Staat van een gratie of strafvermindering in kennis te zijn gesteld,
hieraan uitvoering.

(…)"

4.4.

De Toelichtende Nota bij het Verdrag (Kamerstuk 29807-(R1769) A: nr. 1 van 1 oktober 2004), waarin onder meer zijn opgenomen de gang van zaken bij de totstandkoming van het Verdrag en een artikelsgewijze toelichting, vermeldt onder andere:

" Algemeen

(…)

Alvorens op de totstandkoming en de inhoud van het onderhavige verdrag in te gaan, hecht de regering eraan hier op te merken dat elk verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen ertoe strekt Nederlanders die in het buitenland zijn veroordeeld het restant van hun straf in Nederland te laten ondergaan. Hetzelfde geldt voor de in Nederland veroordeelde onderdanen van de andere verdragspartij. Deze verdragen worden niet opgesteld met het doel veroordeelde personen voordat zij de hen opgelegde straf hebben ondergaan naar hun thuisland over te brengen met het oog op hun onmiddellijke vrijlating aldaar. Dat stond ook bij de onderhavige onderhandelingen voor beide verdragspartijen voorop en is van Thaise zijde zelfs een aantal malen expliciet naar voren gebracht. Dat ten gevolge van dit uitgangspunt mogelijk niet alle gedetineerden kunnen worden overgebracht, moet dan ook niet worden gezien als een gebrek van het verdrag, maar als gevolg van de natuurlijke grenzen van het instrument van overbrenging.

Mede naar aanleiding van de verwijzing in deze motie naar het feit dat andere EU-lidstaten al een verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen (voortaan: WOTS-verdrag) met Thailand hadden gesloten, is ter voorbereiding van de onderhandelingen met Thailand bij alle EU-partners navraag gedaan naar het bestaan en de werking van een WOTS-verdrag met Thailand. (…) Daarnaast dragen alle verdragen van de EU-partners een duidelijk Thais stempel. Het meest opvallende is de voorwaarde dat, indien de wet van de staat van veroordeling dat voorschrijft, een veroordeelde eerst een bepaald deel van zijn straf moet ondergaan, voordat hij voor overbrenging in aanmerking kan komen. (…)

De EU-partners gaven verder aan dat de Thaise autoriteiten staan op een adequate tenuitvoerlegging van het strafrestant na de overbrenging. Zo bleek dat bij het bestaan van een zeer lang strafrestant, vrijlating op een vroegtijdig tijdstip na de overbrenging, geen optie te zijn, ook al gebeurde dat conform de wetgeving van de ontvangende staat. Voor een aantal EU-lidstaten leidde dit tot problemen met en soms zelfs tot het (tijdelijk) stopzetten van de toepassing van het bilaterale verdrag door Thailand. (…)

(…)

Artikelsgewijze toelichting

(…)

Artikel 5

De in dit artikel vastgelegde regeling behoort tot de standaardbepalingen van een verdrag over overbrenging van gevonniste personen. Het bevat het beginsel dat het in de overdragende staat gewezen vonnis onaantastbaar is in de ontvangende staat. Dat ligt ook voor de hand, omdat de overbrenging enkel strekt tot de verdere tenuitvoerlegging van de straf. Verder dient bedacht te worden dat het vonnis in de overdragende staat onherroepelijk is geworden. Latere wijziging van een dergelijk vonnis kan in het algemeen slechts via bijzondere procedures en derhalve in uitzonderlijke gevallen. De herziening is daarvan de meest bekende. (…)

Artikel 6

Aangezien tijdens de onderhandelingen bleek dat voor de Thaise autoriteiten de procedure van omzetting van de straf niet aanvaardbaar was, is in het eerste lid van dit artikel vastgelegd dat de procedure van de voortgezette tenuitvoerlegging moet worden gevolgd. (…)

(…)

Uit het eerste lid blijkt verder dat de ontvangende staat gerechtigd is op de over te nemen straf de regels voor strafvermindering toe te passen. Op de Nederlandse regeling voor vervroegde invrijheidsstelling is al ingegaan in het algemeen deel van deze nota.

Zoals in het algemeen deel is opgemerkt, leert de ervaring van EU-partners dat de Thaise autoriteiten erg hechten aan een adequate tenuitvoerlegging van het strafrestant na overbrenging. In Thailand is in de wet expliciet voorzien dat men een overbrenging kan weigeren om de enkele reden dat het na de overbrenging ten uitvoer te leggen strafrestant korter is, dan wanneer de straf in Thailand ten uitvoer zou worden gelegd."

4.5.

Ingevolge artikel 5 van het Verdrag is de aan [eiser] in Thailand opgelegde gevangenisstraf onaantastbaar en dient deze - na de overbrenging - volledig te worden geëxecuteerd, met dien verstande dat die straf - naar Nederlandse maatstaven - is teruggebracht tot tien jaar en acht maanden en dat de Nederlandse regeling betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is, waartoe artikel 6 van het Verdrag de mogelijkheid biedt. De Thaise autoriteiten hebben daarmee uitdrukkelijk ingestemd. Blijkens de Toelichtende Nota hecht Thailand zwaar aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de volledige resterende straf (zoals teruggebracht door Nederland) en vormde de zekerheid dat dit ook zou gebeuren voor haar een essentiële voorwaarde voor het sluiten van het Verdrag. Gelet hierop heeft Nederland zich jegens Thailand gecommitteerd om het volledige restant van de aan [eiser] opgelegde - naar Nederlandse maatstaven aangepaste - gevangenisstraf geheel ten uitvoer te leggen. In dit verband wordt ook gewezen op de brief van de (toenmalige) minister van Justitie van 6 april 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 200 VI, nr. 131). Gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 5 van het Verdrag moet worden aangenomen dat [eiser] zich van het voorgaande ook volledig bewust is geweest en daarmee ook heeft ingestemd.

4.6.

Op grond van het voorgaande kan van de Staat niet worden verwacht hij - eenzijdig - [eiser] onmiddellijk dan wel kort na zijn overbrenging naar Nederland, al dan niet tijdelijk, in vrijheid stelt om welke reden dan ook. In het licht van het bovenstaande kan - in het beperkte bestek van dit kort geding - in ieder geval niet worden aangenomen dat de voortgezette detentie in Nederland als (onmiskenbaar) onrechtmatig moet worden aangemerkt vanwege de door [eiser] aangevoerde redenen.

4.7.

Met het oog op de onder 3.2.2 vermelde grondslag is het gevolg van het bovenstaande dat - voor zover in een door [eiser] aanhangig te maken bodemprocedure zou worden geoordeeld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] ter zake van diens strafvervolging in Thailand en dat op grond daarvan de detentie in Thailand en (na de overbrenging) in Nederland ook als onrechtmatig moet worden beschouwd - de negatieve gevolgen daarvan voor [eiser] zich laten vertalen in de vorm van een schadevergoeding.

4.8.

Met betrekking tot de onder 3.2.3 vermelde grondslag wordt allereerst nog opgemerkt dat de brief van de advocaat van de Staat van 16 januari 2020 niet kan worden aangemerkt als een afwijzing van de minister voor Rb van het verzoek van [eiser] om de tenuitvoerlegging van het strafrestant te schorsen c.q. op te schorten zolang niet op zijn gratieverzoek is beslist. Dat verzoek loopt op zichzelf nog steeds. Gelet op artikel 6 lid 1 van het Verdrag, in samenhang met artikel 5 van het Verdrag, is het echter zeer de vraag of [eiser] kan worden ontvangen in zijn onder 2.15 vermelde gratieverzoek. Op grond van de inhoud en strekking van het Verdrag en de Toelichtende Nota kan niet worden uitgesloten dat Thailand het recht om gratie te verlenen aan [eiser] uitsluitend aan zichzelf heeft voorbehouden. Daaruit volgt immers dat de Thaise autoriteiten - behoudens voor zover het de aanpassing van de straf naar Nederlandse maatstaven en de toepasselijkheid van de Nederlandse regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling betreft - met het sluiten van het Verdrag niet hebben beoogd dat ook Nederland eenzijdig kan ingrijpen in een door de Thaise rechter opgelegde - onherroepelijke - straf. Hieraan doet niet af dat artikel 6:7:1 lid 2 onder b van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat gratie kan worden verleend ter zake van een door een buitenlandse rechter opgelegde gevangenisstraf, aangezien een Verdrag in rangorde een hogere plaats inneemt dan een wet in formele zin. Een kort geding leent zich niet voor beantwoording van voormelde vraag. Daarvoor dient de gratieprocedure.

4.9.

Voor zover [eiser] in verband met de onder 3.2.3 vermelde grondslag een beroep doet op zijn medische situatie en hij zich niet kan vinden in het met het oog daarop door de PI gevoerde beleid, heeft te gelden dat hij de in de Penitentiaire beginselenwet en Penitentiaire maatregel voorgeschreven weg dient te bewandelen. Dit geldt ook voor het geval dat [eiser] om medische of andere redenen strafonderbreking wenst, waarop de subsidiaire nuancering van zijn vorderingen, zoals opgenomen onder 3.1, in feite neerkomt. De in die wet en maatregel voorgeschreven procedure, die gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 1 van het Verdrag niet is uitgesloten, betreft blijkens vaste rechtspraak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.

4.10.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.

jvl