Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:512

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
C/09/542425 / HA ZA 17-1154
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gerechtvaardigd vertrouwen mededeling voorzitter kennisgroep belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-02-2020
FutD 2020-0373 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/0562 met annotatie van Eddo Hageman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/542425 / HA ZA 17-1154

Vonnis van 29 januari 2020

in de zaak van

TULP HYPOTHEKEN B.V., te Utrecht,

eiseres,

procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

behandelend advocaat: mr. M.J. Pelinck te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN, DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST), zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Partijen worden hierna Tulp en de Staat genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 oktober 2017 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 28 februari 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 maart 2019 gehouden comparitie van partijen, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. De Staat heeft van die gelegenheid bij brief van 27 maart 2019 gebruik gemaakt. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van die opmerkingen gelezen.

1.3.

Partijen hebben gedurende een periode van een aantal maanden na de comparitie van partijen geprobeerd met elkaar een minnelijke regeling te treffen. Bij bericht van

20 augustus 2019 hebben partijen aan de rechtbank laten weten dat zij hierin niet zijn geslaagd.

1.4.

Voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.

1.5.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tulp is een hypotheekverstrekker. Bestuurders van Tulp zijn de heren [bestuurder I] en [bestuurder II] (hierna: “ [bestuurder I] ” respectievelijk “ [bestuurder II] ”).

2.2.

Binnen de Belastingdienst wordt gewerkt met zogeheten kennisgroepen. Een kennisgroep bewaakt de eenheid in beleid en uitvoering in de rechtstoepassing bij de uitleg van het belastingrecht. Kennisgroepen adviseren over rechtsvragen, bereiden het uitvoeringsbeleid voor en signaleren risico’s op hun aandachtsterrein. Een van de kennisgroepen was “de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Eigen Woning”. In 2015 is deze kennisgroep gesplitst in “de Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting” en “de Kennisgroep Onroerende Zaken”. Kwesties die te maken hebben met de eigen woning werden tot 2015 behandeld door de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Eigen Woning en worden sinds 2015 behandeld door de Kennisgroep Onroerende Zaken. In het hiernavolgende zal worden gesproken van “de Kennisgroep”, waarmee op zowel “de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Eigen Woning” wordt gedoeld als op “de Kennisgroep Onroerende Zaken”.

2.3.

Begin 2014 heeft Tulp een nieuw hypotheekproduct ontwikkeld, de zogeheten “Optimaal Hypotheek”. De Optimaal Hypotheek zag er kort gezegd als volgt uit: het product bestond uit twee leningdelen. Het eerste leningdeel zou een looptijd van dertig jaar hebben, waarop gedurende de eerste vijftien jaar niet zou worden afgelost. De aflossing hierop zou na het 15de jaar starten. Dat deel zou 60% van de marktwaarde van de te financieren woning beslaan. Het tweede leningdeel zou een looptijd van vijftien jaar hebben en zou in vijftien jaar annuïtair worden afgelost. De leningdelen zouden apart worden gefinancierd.

2.4.

Bij e-mail van 16 mei 2014 heeft Tulp het concept van de Optimaal Hypotheek aan de Kennisgroep voorgelegd, teneinde na te gaan of de hypothecaire lening die klanten conform de Optimaal Hypotheek zouden afsluiten kwalificeert als eigenwoningschuld in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), waarvan de rente binnen het bestaande belastingstelsel aftrekbaar is. Kern van de vraag aan de Kennisgroep was, of – gegeven het feit dat op het eerste leningdeel gedurende de eerste 15 jaar niet zou worden afgelost – het geheel niettemin in aanmerking zou komen voor hypotheekrenteaftrek. Op grond van artikel 3.119a Wet IB is immers alleen de rente op de eigenwoningschuld aftrekbaar indien wordt voldaan aan de aflossingseis als bedoeld in voormeld artikel. Die aflossingseis houdt in dat de lening ten minste annuïtair in 360 maanden wordt afgelost. Dat is bij het eerste leningdeel van de Optimaal Hypotheek niet het geval.

2.5.

Tulp heeft in dit verband in haar e-mail van 16 mei 2014 het volgende – voor zover hier relevant – aan de Kennisgroep geschreven:

“(…)

We hebben de afgelopen vier weken een aantal relevante stakeholders gesproken om ons product uit te leggen en opmerkingen en aanbevelingen op te halen. Inmiddels zijn we onder andere bij de AFM, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geweest. Daarnaast hebben wij intensief overleg met diverse beleggers.

Graag willen wij in deze fase met de Belastingdienst in gesprek over ons nieuwe hypotheekproduct. Vooral om te kunnen uitleggen dat de Optimaal Hypotheek voor de consument tot een hogere aflossingssnelheid leidt en tot een lagere te betalen hypotheekrente. En om definitief te toetsen dat consumenten die straks kiezen voor de Optimaal Hypotheek in aanmerking komt voor de aftrek van de betaalde hypotheekrente onder de huidige voorwaarden binnen het belastingstelsel.

De Optimaal Hypotheek biedt een integrale oplossing die zowel aan de zijde van de consument als aan de zijde van de belegger voordelen kent ten opzichte van huidige hypotheekproducten. Tevens leidt de Optimaal Hypotheek tot een groter risico bewustzijn bij consumenten. Met de Optimaal Hypotheek schatten wij in dat de aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van de Nederlandse Hypotheekmarkt zal verruimen.

Het onderscheidende aan het ontwerp van dit hypotheekproduct is dat zowel de consument als de beleggers/investeerders met dit product hun wensen ten aanzien van de pricing van de hypotheek gehonoreerd zien. De verhouding risico en rendement/rente is op de juiste manier in relatie gebracht met elkaar. Waarbij deze relatie volkomen transparant is voor alle partijen en er geen ondoorzichtige structuren worden opgetuigd.

(…)

Met de inmiddels opgestelde productvoorwaarden en acceptatie-criteria hebben we beleggers benaderd. De beleggers zijn zowel partijen die beleggingen zoeken die laag risico kennen, als partijen die hoog risico willen. Vooralsnog ziet dit er goed uit. Het lijkt dat we serieuze interesse kunnen opwekken. Gesprekken over concreet samenwerken zijn gepland eind mei.

(…)

Graag willen wij in gesprek de Optimaal Hypotheek aan u voorleggen. Onze ervaringen met de AFM en de beide Ministeries is dat we daarvoor ongeveer anderhalf uur nodig hebben.

(…).”

2.6.

Vervolgens heeft Tulp aan de Kennisgroep een presentatie met berekeningen toegestuurd. Bij brief van 15 juli 2014 heeft Tulp de Kennisgroep gevraagd of de Optimaal Hypotheek kwalificeert als eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001. Verder heeft Tulp in die brief geschreven:

“(…)

Fiscale analyse

De beide leningscomponenten zijn dusdanig verweven dat zij in feite een geheel vormen. Voor de vraag of wordt voldaan aan het vereiste van artikel 3.119a, eerste lid onderdeel b om bij het aangaan van een schuld voor de eigen woning contractueel overeen te komen dat de schuld ten minste annuitair en in ten hoogste 360 maanden volledig wordt afgelost, dient de Optimaal Hypotheek als geheel en dus de leningscomponenten gezamenlijk bezien te worden.

Indien u met de fiscale analyse kunt instemmen, zouden wij graag van u bevestiging ontvangen.

(…)”

2.7.

Daarna hebben er verschillende besprekingen plaatsgevonden tussen Tulp en de Kennisgroep.

2.8.

Het concept van de Optimaal Hypotheek is door de toenmalige voorzitter van de Kennisgroep, de heer [A] (hierna: [A] ) en de toenmalige vicevoorzitter, mevrouw [B] (hierna: [B] ), beoordeeld. In augustus 2014 hebben er besprekingen plaatsgevonden met Tulp en deze leden van de Kennisgroep. In die besprekingen is in verband met de aflossingseis door de Kennisgroep aan de orde gesteld of de Optimaal Hypotheek zou kunnen worden vormgegeven als één lening. Tulp heeft laten weten dat dit niet mogelijk is, waarna Tulp en de Kennisgroep hebben gesproken over het toevoegen van een zogeheten “verbindingsclausule” aan de Optimaal Hypotheek, waarmee tot uitdrukking zou worden gebracht dat de consument het product alleen als één geheel kan afnemen. Bij e-mail van 3 september 2014 heeft [A] aan [bestuurder I] laten weten:

“(…)

zoals u weet gaat onze voorkeur uit naar een vormgeving zonder verbindingsclausule. Ik heb begrepen dat het ivm de zekerheidsrechten noodzakelijk is om 2 separate geldleningen te kunnen onderscheiden. Uitgaande van dit gegeven vraag ik mij toch af of het niet mogelijk is om de volgende tussenweg te bewandelen.

In de overeenkomst wordt primair 1 geldlening geformuleerd met 1 rentepercentage. Deze geldlening geeft de civieljuridische verhouding aan tussen de klant en Optimaal. Voorts wordt in de overeenkomst aangegeven dat met het oog op de twee te vestigen rechten van hypotheek en de berekening van het rentepercentage, deze geldlening wordt onderscheiden in 2 gedeelten (de 60/40 –gedeelten). En dat op elk van deze gedeelten 1 recht van hypotheek komt te rusten.

Als deze weg uitgesloten is en primair en alleen twee geldleningen dienen te worden geformuleerd, is het fiscaal noodzakelijk dat de twee geldleningen een verbindingsclausule hebben die uitdrukt dat beide geldleningen niet zonder elkaar kunnen bestaan (uitgezonderd uiteraard de positie dat de 40%-geldleningen volledig is afgelost).

(…)

Noodzakelijk is tenslotte dat duidelijk wordt dat de annuïteit berekend wordt op basis van het totale leenbedrag. Niet relevant is hierbij dat in de eerste 15 jaar wordt gerekend met een hogere aflossingscomponent dan fiscaal noodzakelijk is.

Mijn voorstel zou zijn dat wij als eerste de op het bovenstaande betrekking hebbende contractuele bepalingen ter beoordeling ontvangen.

(…)”

2.9.

Tulp heeft vervolgens een verbindingsclausule in het product opgenomen. Bij

e-mail van 19 september 2014 heeft Tulp aan [A] en [B] een fictieve offerte toegestuurd met daarin de tussen haar en de Kennisgroep besproken verbindingsclausule. Die mail luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

“(…)

Als vervolg op onze gesprekken in augustus en begin september, vindt u bijgaand de concepttekst voor de verbindingsclausule. Daarnaast vindt u een eerste voorlopige opzet van de offertetekst. De offerte wordt na ondertekening door de klant de lening overeenkomst. Deze offerte zal zeker nog aan enkele redactieslagen onderworpen worden, mede op basis van de terugkoppeling die wij mogelijk vanuit u krijgen.

De tekst van de verbindingsclausule laten we zowel in de offerte/leningovereenkomst als in de akte terugkomen. Zodat klanten hiervoor op twee moment bewust voor tekenen.

De tekst zoals NautaDutilh deze voorstelt, en zoals wij die hebben opgenomen in de offerte luidt (art1.3):

“Leningsovereenkomst 1 en leningovereenkomst 2 zijn twee afzonderlijke met elkaar verbonden leningen en zijn samenhangende overeenkomsten. Dat betekent dat de leningovereenkomsten alleen gezamenlijk kunnen voortbestaan, tenzij één van de leningen is afgelost. De leningvoorwaarden van leningovereenkomst 1 en leningovereenkomst 2 zijn identiek met uitzondering van de rentevasteperiode, het rentepercentage, de boete bij extra aflossing, het aflossingsschema en de rangorde van de hypotheekrechten. Het bedrag van uw annuïteit, het bedrag dat uw maandelijks aan aflossing en rente moet betalen, wordt berekend over het totale uitgeleende bedrag onder leningovereenkomst 1 en leningovereenkomst samen.”

Naast de verbindingsclausule is in de offerte expliciet opgenomen dat de annuïteit, en daarmee de rentebetaling en aflossing, wordt bepaald op basis van het leningbedrag. En dat de aflossing van het gehele leningbedrag binnen de duur van het contract valt. In dit voorbeeld is dat 30 jaar (art. 1.2).

Verder is in de offerte/leningovereenkomst duidelijk opgenomen hoe de volgorde van de hypotheekrechten is (art.3.6). Als laatste toelichting op de offerte, we hebben duidelijk opgenomen dat de aflossing op leningcomponent 2 boetevrij is (art.2.2).

Wij hopen dat deze informatie en de bijgevoegde concept offerte/leningovereenkomst u voldoende inzicht geeft. En dat u op basis hiervan een voorlopige kwalificatie kan geven.

Wij kunnen dan concreet en binnen een duidelijk kader met onze potentiële partners overleggen over hoe we de Optimaal Hypotheek verder kunnen operationaliseren. Daarnaast hebben wij dan een heldere leidraad voor de redactie van de definitieve documentatie.

(…)”

2.10.

Bij e-mail van 9 oktober 2014 heeft [A] namens de Kennisgroep aan Tulp het volgende – voor zover hier relevant – bericht:

“(…)

Een kenmerkend element van de Optimaal Hypotheek is dat de aan de klant verstrekte geldlening ten behoeve van de verwerving van de eigen woning rekenkundig wordt onderscheiden in twee gedeelten met een verschillend risicoprofiel en een dito verschillende rente die de klant is verschuldigd. Oogmerk is echter om aan de klant de rente in rekening te brengen volgens één gewogen, gemiddeld rentepercentage over het totale leenbedrag. Ook bij de thans in de markt zijnde reguliere hypotheekvormen wordt uiteraard bij de vaststelling van het rentepercentage rekening gehouden met de hoogte van de geldlening in relatie tot de waarde van de woning.

(…)

U heeft medegedeeld dat het in verband met de zekerheid die moet worden geboden aan de kapitaalverschaffers voor de Optimaal Hypotheek noodzakelijk is gebleken om de hiervoor genoemde rekenkundige leningdelen elk primair civielrechtelijk vorm te geven als een geldlening op zich. Op ieder van deze geldleningen wordt dan ook door de klant het recht van hypotheek verstrekt aan “Optimaal Hypotheek”.

(…)

Voorts wordt om te benadrukken dat materieel sprake is van één geldlening, beide geldleningen voorzien van een verbindingsclausule op grond waarvan elke geldlening niet kan bestaan zonder het bestaan van de andere geldlening (…).

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden – met name de verbindingsclausule – ben ik van oordeel dat als de overeenkomsten uiteindelijk aldus worden vormgegeven, in fiscale zin de beide leningdelen tezamen kunnen worden aangemerkt als één geldlening. Om ter zake van deze geldlening te voldoen aan de minimum-aflossingseis van artikel 3.119c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, dient derhalve de in die bepaling omschreven annuïteit te worden berekend over het leenbedrag van beide leningdelen tezamen en naar één gewogen, gemiddeld rentepercentage. Uiteraard is het fiscaal mogelijk een hogere aflossing met de klant overeen te komen.

Ik hoop u hiermee voorlopig voldoende te hebben geïnformeerd. De definitieve fiscale kwalificatie van de Optimaal Hypotheek is uiteraard afhankelijk van de concrete vormgeving van de relevante overeenkomsten. Gaarne zal de Kennisgroep die overeenkomsten beoordelen.

(…)”

2.11.

In de periode daarna heeft Tulp het hypotheekproduct verder ontwikkeld.

2.12.

In het najaar van 2015 is [B] [A] opgevolgd als voorzitter van de Kennisgroep. [A] was toen geen lid meer van de Kennisgroep.

2.13.

Op 5 januari 2016 heeft Tulp de definitieve documentatie aan de Kennisgroep toegezonden. Het concept als zodanig zoals dat hiervoor onder 2.3 kort is beschreven met daaraan toegevoegd de verbindingsclausule, is evenwel niet gewijzigd.

2.14.

Op 26 januari 2016 is de Optimaal Hypotheek in de voltallige kennisgroep besproken. Op 31 maart 2016 heeft [B] aan Tulp telefonisch laten weten dat de Kennisgroep voornemens was te oordelen dat de rente op de Optimaal Hypotheek niet volledig aftrekbaar zou zijn, omdat het product volgens de Kennisgroep niet aan alle wettelijke vereisten voor aftrekbaarheid voldeed. Redengevend hiervoor was dat de leningdelen als twee schulden kwalificeren en de leningdelen – zowel wanneer zij elk afzonderlijk worden bezien als wanneer zij tezamen worden bezien – niet aan de voorwaarden voor aftrekbaarheid voldoen, nu op een van beide leningdelen niet wordt afgelost.

2.15.

In de periode daarna hebben er verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen Tulp en de Kennisgroep, teneinde na te gaan of aanpassingen aan het product ertoe zouden kunnen leiden dat alsnog aan de aflossingseis kan worden voldaan. Om de rente volledig aftrekbaar te laten zijn, zou volgens de Kennisgroep een wetswijziging nodig zijn. De Kennisgroep heeft vervolgens ook wetgevingsjuristen van het Directoraat-Generaal Fiscale Zaken van Financiën geconsulteerd.

2.16.

Bij brief van 1 juli 2016 heeft de Kennisgroep aan Tulp laten weten dat er vanuit beleidsmatig oogpunt geen ruimte bestaat om goedkeuring te verlenen en dat de betrokken departementen geen aanleiding zien voor een wetswijziging.

2.17.

Tulp kon zich met die beslissing niet verenigen en was van mening dat het product wel aan de aflossingseis voldeed en verder dat de Staat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen had gewekt dat het product aan de wettelijke eisen voldeed. Daarop hebben verschillende overleggen plaatsgevonden. Ook hebben partijen gesproken over de mogelijkheid tot het voeren van een proefprocedure, waarbij een klant een lening overeenkomstig de Optimaal Hypotheek zou afsluiten en de beslissing ten aanzien van de mogelijkheid tot renteaftrek aan de belastingrechter zou worden voorgelegd. Hiervan is uiteindelijk afgezien, omdat – kort gezegd – zich geen concrete casus voordeed en het te ver voerde om een casus te creëren.

2.18.

Op 31 mei 2017 hebben op verzoek van Tulp voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden. Daarbij zijn als getuige gehoord [A] en [B] .

3 Het geschil

3.1.

Tulp vordert dat de rechtbank bij vonnis:

  1. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door met de instemming van 9 oktober 2014 legitieme verwachtingen bij eiseres te wekken maar deze niet te honoreren;

  2. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens haar handelt door een onjuiste interpretatie te hanteren van het begrip “schuld” in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001, en voor recht verklaart dat de twee leningen waaruit de Optimaal Hypotheek is opgebouwd gelden als één schuld;

  3. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens haar handelt door zich te baseren op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent, althans behoort te kennen, en door de verregaande onzorgvuldigheid bij zijn besluitvorming daarin gelegen dat hij relevante elementen bij de (her)beoordeling van zijn besluit buiten beschouwing blijft laten;

  4. de Staat veroordeelt tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat.

Een en ander met veroordeling van de Staat tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Aan haar vorderingen heeft Tulp ten grondslag gelegd dat de Kennisgroep bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de twee leningdelen die behoren bij de Optimaal Hypotheek zouden worden aangemerkt als één schuld, waarmee de klanten die de Optimaal Hypotheek zouden afsluiten in aanmerking zouden komen voor renteaftrek. Door vervolgens te oordelen dat die leningdelen niet als één schuld worden aangemerkt, heeft de Kennisgroep dat gewekte vertrouwen geschonden en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens Tulp. Verder stelt de Staat zich ten onrechte op het standpunt dat de twee leningdelen niet als één schuld in de zin van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt. De schade die Tulp door dit alles lijdt, dient door de Staat te worden vergoed, aldus Tulp.

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De Staat heeft een ontvankelijkheidsverweer gevoerd, dat erop neerkomt dat de beoordeling van de Optimaal Hypotheek is voorbehouden aan de belastingrechter, nu het een fiscale kwestie betreft die bij de fiscale rechter thuishoort. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals de Staat ter zitting ook heeft erkend, zou de Optimaal Hypotheek enkel en alleen door de belastingrechter kunnen worden beoordeeld indien een potentiële klant bereid zou worden gevonden hierover een proefprocedure te voeren. Tulp heeft zelf geen rechtsingang bij de belastingrechter. Reeds om die reden gaat het verweer van de Staat niet op en kan Tulp bij de burgerlijke rechter worden ontvangen.

Gerechtvaardigd vertrouwen

4.2.

Als eerste dient de vraag te worden beantwoord of de Belastingdienst bij Tulp het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de beide leningdelen waaruit de Optimaal Hypotheek bestaat als één schuld in de zin van artikel 3.119a Wet IB 2001 zouden worden aangemerkt.

4.3.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient sprake te zijn van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen van de zijde van het tot beslissen bevoegde orgaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De rechtbank is van oordeel dat zich een dergelijk geval hier voordoet. Ter toelichting dient het volgende.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het belang van Tulp bij het oordeel dat beide leningdelen uit de Optimaal Hypotheek als één schuld kunnen worden aangemerkt is gelegen in de mogelijkheid voor een consument die de Optimaal Hypotheek afneemt om de rente op de lening af te trekken. Op grond van artikel 3.119, eerste lid, Wet IB 2001 wordt een lening ten behoeve van de aanschaf van een eigen woning alleen als eigenwoningschuld aangemerkt indien er een contractuele verplichting bestaat die lening in ten hoogste 30 jaar ten minste volgens een annuïtair aflossingsschema volledig af te lossen. Alleen in dat geval is de rente volledig aftrekbaar. In het geval van de Optimaal Hypotheek zou daar alleen sprake van zijn, indien beide leningen samen als één lening zouden worden aangemerkt, nu voor leningdeel 1 heeft te gelden dat daarop gedurende de eerste 15 jaar niet wordt afgelost. Indien echter de leningen van de Optimaal Hypotheek niet als één schuld kunnen worden aangemerkt, kan die lening ook niet als eigenwoningschuld worden aangemerkt en is de rente die wordt betaald in verband met die lening ook niet aftrekbaar.

4.5.

Bij de introductie van de aflossingseis in 2013 heeft de wetgever de mogelijkheid opengesteld dat aanbieders van leningen zoals Tulp vooraf een product ter goedkeuring kunnen voorleggen aan de Belastingdienst. Die beoordeelt aan de hand van de door de aanbieder verstrekte gegevens of de leningvorm voldoet aan de voorwaarden en in aanmerking kan komen voor renteaftrek (zie de memorie van toelichting, TK 2012/13, 33 4054, nr. 4, blz. 3-4).

4.6.

Tulp heeft deze route bewandeld en heeft zich in dat kader met de Optimaal Hypotheek tot de Kennisgroep gewend. De Optimaal Hypotheek was op dat moment weliswaar nog niet geheel doorontwikkeld, maar de vormgeving was wel al gereed en het was juist die vormgeving waarover Tulp de goedkeuring wenste te verkrijgen voordat zij het product verder zou gaan ontwikkelen en ermee de markt op zou gaan.

4.7.

Het concept van de Optimaal Hypotheek is in juli 2014 uitvoerig besproken met de toenmalige voorzitter van de Kennisgroep – [A] – en Tulp heeft met hem naar mogelijkheden gezocht om de twee leningdelen van de Optimaal Hypotheek gezamenlijk als eigenwoningschuld aan te merken. [A] heeft in zijn e-mail van 9 oktober 2014 (hiervoor weergegeven onder 2.10) aan Tulp laten weten dat als de overeenkomst met een potentiële klant wordt vormgegeven zoals door Tulp gepresenteerd – te weten twee aparte leningdelen maar met een verbindingsclausule – hij van oordeel is dat beide leningdelen in fiscale zin kunnen worden aangemerkt als één geldlening. De e-mail van [A] is op dat aspect onvoorwaardelijk en met stelligheid geformuleerd. Ter gelegenheid van de voorlopige getuigenverhoren heeft [A] ook verklaard dat hij het product kon beoordelen op basis van de voorlopige stukken en dat Tulp het gebruikelijke proces had gevolgd zoals dat al 17 jaar door de Belastingdienst wordt toegepast.

4.8.

De rechtbank is – anders dan de Staat heeft betoogd – van oordeel dat in de e-mail van [A] geen voorbehoud valt te bespeuren. [A] heeft ter gelegenheid van de getuigenverhoren ook verklaard dat het geen voorlopig oordeel was: het was een definitief oordeel ten aanzien van een concept-product. Aan dat concept als zodanig heeft Tulp evenwel niets gewijzigd. Weliswaar was de Optimaal Hypotheek nog gedeeltelijk in ontwikkeling, maar de nadere vormgeving zag niet – zo staat tussen partijen ook vast – op het concept, te weten twee leningdelen met ieder een eigen aflossingstermijn en eigen rentevoorwaarden in combinatie met de verbindingsclausule. Ter zitting is door de Staat erkend dat die beoordeling op basis van de in oktober 2014 door Tulp aan de Kennisgroep aangeleverde stukken ook toen al ten nadele van Tulp had kunnen uitvallen, indien [A] zich niet in zijn eentje maar met de voltallige Kennisgroep daarover zou hebben gebogen.

4.9.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Kennisgroep met de e-mail van [A] van 9 oktober 2014 bij Tulp de legitieme verwachting heeft gewekt dat de beide leningen waaruit de Optimaal Hypotheek bestaat als één schuld in de zin van artikel 3.119a Wet IB 2001 zou worden aangemerkt. De Kennisgroep heeft in dit verband te gelden als de autoriteit op dit gebied en Tulp mocht dus ook afgaan op hetgeen [A] als voorzitter van die Kennisgroep aan haar meedeelde.

4.10.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat Tulp door deze toezegging ertoe is overgegaan het product verder te ontwikkelen. Doordat deze toezegging niet gestand kon worden gedaan – zoals hierna aan de orde komt – heeft Tulp tevergeefs kosten gemaakt ten behoeve van de doorontwikkeling van de Optimaal Hypotheek. Indien de Kennisgroep reeds in oktober 2014 tot het oordeel was gekomen dat hypothecaire leningen afgesloten overeenkomstig de Optimaal Hypotheek niet als één schuld zouden kunnen worden aangemerkt en daarmee niet voor renteaftrek in aanmerking zouden komen, dan hadden deze kosten Tulp bespaard kunnen blijven. Door bij Tulp de legitieme verwachting te wekken dat de leningdelen van de Optimaal Hypotheek konden worden aangemerkt als één schuld en de daaraan gekoppelde rente dus voor aftrek in aanmerking komt, heeft zij Tulp op het verkeerde been gezet en daarmee heeft zij onrechtmatig tegenover haar gehandeld. De schade die daaruit voor Tulp voortvloeit dient voor rekening van de Staat te komen.

Eigenwoningschuld

4.11.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de leningdelen waaruit de Optimaal Hypotheek is opgebouwd hebben te gelden als eigenwoningschuld in de zin van de Wet IB 2001. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.12.

Artikel 3.119a Wet IB 2001 bepaalt dat onder “eigenwoningschuld” wordt verstaan “het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige die zijn aangegaan in verband met een eigen woning (sub a), ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c (sub b) en ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis, sub c).” Artikel 3.119c Wet IB 2001 gaat over de aflossingseis en wijst vervolgens terug naar het begrip “eigenwoningschuld” uit artikel 3.119a Wet IB 2001.

4.13.

In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 3 (MvT)) is het volgende vermeld ten aanzien van artikel 3.119a en artikel 3.119 c Wet IB 2001:

“(…)

De voorwaarden gelden per leningdeel. Een voorbeeld ter illustratie:

Indien een belastingplichtige ter aankoop van zijn eigen woning van (stel) € 200 000 twee leningdelen aangaat van (stel) € 50 000 (leningdeel I) respectievelijk € 150 000 (leningdeel II), worden beide leningdelen afzonderlijk bezien. Het kan hierdoor zo zijn dat óf geen eigenwoningschuld bestaat (omdat beide leningdelen niet voldoen aan de eisen), óf een eigenwoningschuld van € 50 000, € 150 000 of € 200 000 bestaat (omdat alleen leningdeel I, alleen leningdeel II onderscheidenlijk beide leningdelen voldoen aan de eisen).

(…)

Wanneer een eigenwoningschuld is verdeeld in verschillende schulden of leningdelen, dan moet elke schuld en elk leningdeel afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor fiscale renteaftrek.

Indien een zelfstandig deel van een woning kwalificeert als werkruimte in de zin van artikel 3.111, tiende lid, van de Wet IB 2001 kan de schuld in verband met dit pand kwalificeren als eigenwoningschuld voor het deel dat ziet op de woning indien of het gehele pand gefinancierd worden met een annuïtaire aflossingslening (deel van de rente dat ziet op het eigenwoningdeel van die lening is aftrekbaar) ofwel de lening wordt gesplitst in twee schulden, waarvan de schuld met betrekking tot het eigen woningdeel voldoet aan de aflossingseis en het deel dat ziet op de werkruimte niet.

(…)”

4.14.

Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat om een schuld te kunnen aanmerken als eigenwoningschuld, deze onder meer moet voldoen aan de voorwaarde dat de schuld contractueel en feitelijk in ten hoogste 360 maanden ten minste annuïtair wordt afgelost en dat als een eigenwoningschuld uit meerdere schulden bestaat, deze eis per schuld moet worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de bedoeling van de wetgever - de beide leningdelen van de Optimaal Hypotheek op zichzelf staande leningen zijn, die niet als één lening zijn aan te merken in de zin van artikel 3.119a en 3.119c Wet IB 2001. Het gaat om verschillende leningbedragen, met verschillende rentepercentages, verschillende aflossingsschema’s en verschillende boeteregelingen bij vervroegd aflossen. Nu op het eerste leningdeel gedurende de eerste vijftien jaar niet wordt afgelost, voldoet leningdeel 1 niet aan de aflossingseis en kan leningdeel 1 niet als eigenwoningschuld worden aangemerkt. De verbindingsclausule maakt dit niet anders.

4.15.

Daarmee ligt de vordering onder ii) voor afwijzing gereed. De vordering onder iii) deelt in dat lot.

4.16.

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure voor de begroting van de schade die Tulp heeft geleden in verband met de mededelingen van de Kennisgroep in oktober 2014 (vordering i). De rechtbank merkt nu vast op dat het – zoals de Staat ook heeft aangevoerd – alleen kan gaan om ontwikkelkosten die zich ná 9 oktober 2014 hebben voorgedaan, tot het moment dat het voor Tulp alsnog duidelijk werd dat de leningdelen uit haar product niet als één schuld zouden worden aangemerkt (31 maart 2016, zie hiervoor onder 2.14). De kosten die Tulp heeft gemaakt vóór 9 oktober 2014 komen voor rekening van Tulp zelf, nu zij die kosten hoe dan ook had moeten maken. Ook de eventuele winst die Tulp met het product had kunnen behalen komt niet voor vergoeding in aanmerking. Indien de Kennisgroep al in oktober 2014 aan Tulp te kennen had gegeven dat de leningdelen niet als één schuld zouden worden aangemerkt, had Tulp het product immers ook niet op de markt gebracht en er dus ook geen winst mee kunnen maken.

4.17.

In de omstandigheid dat partijen over en weer op belangrijke punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens Tulp heeft gehandeld doordat zij met de e-mail van 9 oktober 2014 legitieme verwachtingen bij haar heeft gewekt die zij niet heeft waargemaakt,

5.2.

veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door Tulp als gevolg van het onrechtmatig handelen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde,

5.4.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft, mr. E.E. Schotte en mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.