Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5116

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
NL20.8503
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nigeriaanse nationaliteit, Dublin Italië, SFH januari 2020, Corona, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8503


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Drenth),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Op 31 december 2019 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Uit informatie uit Eurodac blijkt dat eiser in Italië asiel heeft gevraagd. Nederland heeft daarom Italië verzocht om eiser terug te nemen2. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat. Volgens verweerder staan er geen feiten of omstandigheden in de weg aan overdracht van eiser aan Italië.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij gewezen op het in januari 2020 verschenen rapport van SFH/OSAR3 ‘Reception conditions in Italy en door het EHRM4 getroffen ‘interim measures’5. Vanwege de Corona-uitbraak is het voor eiser ook feitelijk onmogelijk om naar Italië te reizen. Verweerder heeft daarom ten onrechte de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag niet aan zich getrokken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling6 blijkt dat ten aanzien van Italië tot op heden nog steeds onverkort kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en ook dat Dublin-terugkeerders in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang7. De informatie over Italië uit het rapport van SFH/OSAR heeft de Afdeling betrokken in haar uitspraak van 8 april 2020. Hieruit blijkt weliswaar dat er tekortkomingen zijn, maar niet dat er sprake is van zodanige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen dat moet worden geconcludeerd dat deze aan de overdracht van Dublin-terugkeerders in de weg staan. Met de enkele verwijzing naar de door het EHRM getroffen interim measures heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hij in Italië geen adequate opvang zal krijgen. Uit paragraaf 4.5 van het rapport van SFH/OSAR blijkt ook dat Dublin-terugkeerders recht hebben op opvang in eerstelijns (CARA) of tijdelijke (CAS) opvangcentra. Dat sprake is van een fictieve aanvaarding van het terugnameverzoek werpt geen ander licht op de zaak. Verweerder heeft in zijn verweerschrift terecht overwogen dat een fictief claimakkoord gelijkgesteld is aan een expliciet claimakkoord en Italië op grond hiervan garandeert het asielverzoek in behandeling te nemen8. Voor zover eiser na overdracht aan Italië problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang of met andersoortige problemen te maken krijgt, kan hij daarover klagen bij de daartoe aangewezen Italiaanse autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of dat de Italiaanse autoriteiten hem daarbij niet kunnen of willen helpen.

6. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Italië van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken9.

7. De rechtbank overweegt ten slotte nog dat de omstandigheid dat de overdracht op dit moment, ten gevolge van (de maatregelen die zijn getroffen vanwege) het coronavirus, niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 202010.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

2 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3 Schweizerische Flüchtlingshilfe/Organisation suisse d’aide aux réfugiés

4 Europees Hof voor de rechten van de mens

5 M.T. v. Nederland van 6 september 2019 (no. 46595/19) en S.O. v. Nederland van 24 september 2019 (no. 49569/19)

6 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

7 zie uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 29 april 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1395), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) en 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986)

8 zie hiervoor artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening

9 op grond van artikel 17 van de Dublinverordening

10 ECLI:NL:RVS:2020:1032