Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5111

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4667
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

boeteoplegging wegens overtreding van de Arbowetgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4667

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2020 in de zaak tussen

[eisereres] , te [woonplaats] (Bulgarije), eiseres

(gemachtigde: mr. R.E. Betgen)

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 27.000,- wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen. Tevens heeft verweerder besloten de inspectiegegevens alsmede de opgelegde boetes openbaar te maken.

Bij besluit van 14 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Vanwege de uitbraak van het coronavirus en de getroffen strenge maatregelen om verdere uitbreiding daarvan te voorkomen, heeft de rechtbank partijen gevraagd of er voorkeur bestaat de behandeling van de zaak uit te stellen of dat de zaak kan worden afgedaan op de stukken. Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak op de stukken af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is een in Bulgarije gevestigd bedrijf met als hoofdactiviteit het goederenvervoer over de weg. Op 4 juli 2017 heeft de Inspectie SZW op het adres [weg] te [plaats] , alwaar de onderneming [bedrijf] is gevestigd, een controle verricht. Uit deze en daarna uitgevoerde controles is onder meer gebleken dat [bedrijf] met ingang van 1 juni 2016 voor een periode van drie jaar een Nederlandse trekker met het kenteken [kenteken] aan eiseres heeft verhuurd. Verder is geconstateerd dat twee personen (A en B) in de periode van 3 maart 2017 tot en met 24 maart 2017 ten behoeve van eiseres arbeid als vrachtwagenchauffeur dan wel als bijrijder met eerdergenoemd voertuig in Nederland hebben verricht. Deze personen ( [A] en [B] ) met respectievelijk de Albanese (A) en de Macedonische (B) nationaliteit, bleken vreemdeling zoals bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Uit de controles is verder gebleken dat de vreemdelingen niet in het bezit waren van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid en dat voor hen ook geen tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. Daarnaast is gebleken dat eiseres heeft nagelaten kopieën van identiteitsbewijzen van deze vreemdelingen te verstrekken aan de opdrachtgever [B.V.] . aan wie de chauffeurs via aanneming van werk ter beschikking waren gesteld. Ten aanzien van een derde persoon, te weten [C] (C), die evenals de andere twee arbeid heeft verricht, heeft eiseres nagelaten binnen 48 uren na vordering van de toezichthouder diens identiteit vast te stellen. De Inspectie heeft op 12 juni 2018 een boeterapport van de overtredingen opgemaakt. Op 21 augustus 2018 is een aanvullend boeterapport opgemaakt.

2 Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd van € 27.000,- wegens tweemaal overtreding van het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Wav, tweemaal overtreding van het verbod van artikel 15, eerste lid, van de Wav en eenmaal overtreding van artikel 15a van de Wav. Daarnaast heeft verweerder besloten de inspectiegegevens en de opgelegde boetes openbaar te maken. Bij het bestreden besluit zijn deze beslissingen gehandhaafd.

3.1

Eiseres betoogt in beroep, evenals in bezwaar, dat het bewijs voor de overtredingen onrechtmatig is verkregen. In de e-mail van 23 augustus 2017 vorderde de inspecteur de namen van de chauffeurs die op de trekker met kenteken [kenteken] hadden gereden. Eiseres heeft deze e-mail op 25 augustus 2017 beantwoord. Vanaf dat moment kon zij niet uitsluiten dat een boete of vervolging zou volgen. Eiseres verwijst naar de arresten Funke en Saunders en stelt, onder verwijzing naar het arrest Chambaz, dat het nemo tenetur beginsel onder deze omstandigheden ook in de controlefase inroepbaar is. Aangezien in ieder geval vanaf 25 augustus 2017 sprake was van een criminal charge en eiseres niet de cautie heeft gekregen kunnen de vanaf dat tijdstip verkregen verklaringen en informatie, waaronder het nadien opgestelde boeterapport, niet als bewijs voor de overtredingen dienen.

3.2

Ingevolge artikel 15a van de Wav is de werkgever verplicht is om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.

De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat de inspecteurs eiseres in het kader van hun toezichthoudende taak hebben gevorderd dan wel verzocht om opgave van de namen van de chauffeurs. Dit toezicht had betrekking op naleving van de Wav, er was op dat moment nog geen sprake van een onderzoek om een punitieve sanctie op te leggen. Er was nog geen sprake van een criminal charge zodat de cautie niet hoefde te worden verstrekt. Het betoogt faalt derhalve reeds hierom.

4.1

Eiseres betoogt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Met de constatering dat de bestuurderskaarten van vreemdeling A en arbeidskracht C zijn gebruikt staat niet vast dat zij daadwerkelijk arbeid hebben verricht. Voor de vaststelling dat overtredingen zijn verricht is vereist dat de uitkomsten van het analysesysteem worden gecontroleerd en nagerekend aan de hand van de administratie van het bedrijf. Eiseres verwijst hiervoor naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:3097). Aangezien een dergelijke controle in de vorm van rittenstaten of andere administratieve gegevens ten aanzien van vreemdeling A en arbeidskracht C ontbreekt, zijn de gestelde overtredingen niet vast komen te staan.

4.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder door de koppeling van de gegevens uit de bijlagen 5, 6 en 7 bij het boeterapport (het overzicht van de uitdraaien uit het geautomatiseerde analysesysteem van de inspecteur voor Leefomgeving en Transport en van de rittenstaten van de vreemdelingen A en B en arbeidskracht C) tot de conclusie is gekomen dat betrokkenen in de periode van 3 maart 2019 tot en met 2 april 2019 in Nederland arbeid hebben verricht. De juistheid van de inhoud van de bijlagen is niet door eiseres betwist. De rechtbank ziet geen reden aan de inhoud van de bijlagen te twijfelen. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2364) heeft als uitgangspunt te gelden dat degene op wiens naam de bestuurderskaart staat, geacht wordt als chauffeur op de desbetreffende vrachtauto te hebben gereden. Daarbij komt dat eiseres in het e-mailbericht van 4 april 2018 heeft verklaard dat arbeidskracht C door vreemdeling B is meegenomen in de trekker. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat de hiervoor genoemde personen arbeid hebben verricht als bestuurder van dan wel als bijrijder op de trekker terwijl de trekker zich in Nederland bevond. Niet valt in te zien op grond waarvan verweerder extra onderzoek had moeten verrichten. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3097) treft geen doel nu die zaak een geschil betreft inzake de Arbeidstijdenwet. Het betoog dat ten aanzien van vreemdeling A en arbeidskracht C geen bewijs is aangedragen dat zij daadwerkelijk arbeid hebben verricht aangezien slechts vaststaat dat hun bestuurderskaarten zijn gebruikt, slaagt niet

5.1

Eiseres betoogt dat van overtredingen op grond van de Wav geen sprake is nu er geen aantoonbare band is met Nederland. Artikel 2, eerste lid, van de Wav is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft, geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer. De enkele omstandigheid dat sprake is van een Nederlands kenteken is onvoldoende om de gestelde overtredingen aan eiseres toe te rekenen.

5.2

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: het Besluit) is de tewerkstellingsvergunningplicht niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer. In de nota van toelichting bij deze bepaling is het volgende vermeld: “De redactie is daarom zodanig gekozen dat personen die hetzij via hun woonplaats, hetzij via de vestigingsplaats van hun werkgever, hetzij via de registratie van het vervoermiddel een aantoonbare band met Nederland hebben, onder de vergunningplicht ingevolge de Wav blijven vallen”. Vast staat dat de vreemdelingen arbeid hebben verricht op een vrachtwagen met een Nederlands kenteken. Dit betekent dat deze vreemdelingen ten tijde van hun werkzaamheden een aantoonbare band met Nederland hadden en reeds daarom onder de vergunningplicht van de Wav vallen. De door eiseres gestelde omstandigheid dat zij geen invloed had op het voertuig omdat het voertuig en de vreemdelingen na de verhuur buiten haar beschikkingsmacht zijn gekomen, maakt de band met Nederland nog niet ongedaan. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3494. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij voldoet aan de criteria van artikel 1, eerste lid, sub b, van het Besluit.

Het betoog slaagt niet.

6.1

Eiseres betoogt tot slot dat de boete dient te worden gematigd nu zij binnen haar mogelijkheden alles heeft gedaan om de gestelde overtreding te voorkomen. Eiseres had niet zelf de beschikking over het voertuig en de inbreuk op de Nederlandse arbeidsmarkt is verwaarloosbaar nu de vreemdelingen slechts gedurende zeer korte momenten op Nederlands grondgebied hebben gereden.

6.2

De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15 van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Verweerder moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, zesde lid, van de Wav, heeft verweerder beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient verweerder in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, moet de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig worden vastgesteld dat deze evenredig is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1011).

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van verweerder met betrekking tot de boete voldoet aan de eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor indien de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij al wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen of dat sprake is van het geheel ontbreken of van een verminderde mate van verwijtbaarheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4694) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Niet is gebleken dat eiseres dit heeft gedaan. Gelet op die eigen verantwoordelijkheid, komen de gevolgen van onbekendheid met de verplichtingen van de Wav voor haar rekening.

Het betoog dat matiging zou moeten plaatsvinden omdat slechts op korte momenten in Nederland is gereden waardoor de inbreuk op de Nederlandse arbeidsmarkt verwaarloosbaar is, slaagt niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is matiging mogelijk indien de arbeid van geringe duur en omvang was, onbetaald en eenmalig. In dit geval was de arbeid niet onbetaald en heeft deze niet eenmalig plaatsgevonden zodat op grond daarvan geen reden voor matiging bestaat.

7 De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen de openbaarmaking geen beroepsgronden heeft aangevoerd zodat er geen aanleiding bestaat in te gaan op dat onderdeel van het besluit.

8 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2020 door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.