Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
NL20.7309
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel - Somalië/Kenia - dubbele nationaliteit - niet aannemelijk gemaakt dat Keniaans paspoort op frauduleuze wijze is verkregen - gestelde problemen niet aannemelijk gemaakt - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7309


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Op 24 september 2017 heeft hij een (eerste) aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaald tijd ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de bevolkingsgroep Hawiye, Gaaljecel en moslim is. Hij heeft in Somalië in 2007 problemen gehad met Al-Shabaab. Om die reden is eiser naar Kenia gevlucht, waar hij door middel van omkoping drie (opvolgende) Keniaanse paspoorten heeft verkregen. Eiser heeft meermaals gereisd met deze paspoorten. Omdat eiser in Kenia ook problemen heeft ondervonden met Al-Shabaab, is hij in september 2017 met het meest recente Keniaanse paspoort middels een Duits visum op legale wijze naar Duitsland gereisd.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- eiser heeft verklaard [naam] te zijn, geboren op [geboortedatum] 1987 en in het bezit te zijn van de Somalische nationaliteit. Eiser heeft verklaard dat hij behoort tot de

bevolkingsgroep Hawiye, Gaaljecel en moslim te zijn;

- eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gehad in Somalië in 2007, met Al-Shabaab;

- eiser heeft verklaard van 2007 tot 2017 in Kenia te hebben gewoond, alwaar hij met een niet rechtmatig verkregen paspoort heeft verbleven met de naam [A] ;

- eiser heeft verklaard dat hij Kenia heeft verlaten omdat hij problemen heeft ondervonden met Al-Shabaab.

4. Bij besluit van 19 april 2018 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich in dat besluit onder andere op het standpunt gesteld dat eiser niet wordt gevolgd in zijn verklaringen dat hij nog steeds de Somalische nationaliteit bezit, aangezien hij geen recente documenten heeft overgelegd waaruit dit blijkt. Omdat eiser heeft verklaard dat hij in het bezit is van een Keniaans paspoort sinds maart 2009, kan volgens verweerder hieruit worden opgemaakt dat eiser sindsdien enkel de Keniaanse nationaliteit bezit.

5. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld. Bij brief van 23 mei 2018 heeft verweerder het besluit van 19 april 2018 ingetrokken en meegedeeld dat opnieuw op de aanvraag zal worden beslist. Vanwege hetgeen in beroep is overgelegd heeft verweerder nader onderzoek willen doen en een aanvullend gehoor willen afnemen. Eiser heeft bij schrijven van 24 mei 2018 het beroep ingetrokken.

6. Bij het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn gestelde Somalische nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Tevens heeft verweerder overwogen dat eiser de beschikking heeft (gehad) over een Keniaans paspoort en derhalve ook de Keniaanse nationaliteit bezit. Eiser wordt gevolgd in zijn verklaringen dat hij in 2007 naar Kenia is gevlucht en hij daar heeft verbleven tot 2017. Met betrekking tot de gestelde problemen in Somalië wordt overwogen dat hieraan niet is getoetst nu wordt gesteld, noch is gebleken dat eiser recentelijk in Somalië heeft verbleven. Uit de verklaringen van eiser is immers gebleken dat hij na zijn vertrek uit Somalië in 2007 niet meer is teruggekeerd naar Somalië en is eveneens gebleken dat eiser de Keniaanse nationaliteit bezit en dat hij daar actief deelnam aan het dagelijkse leven. Verweerder stelt dat van eiser dan ook allereerst zou worden verwacht dat hij terugkeert naar Kenia, dan wel dat er wordt getoetst of een terugkeer naar Kenia voor eiser mogelijk is. De verklaringen van eiser over de problemen in Kenia heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Voor zover van belang wordt in het navolgende ingegaan op hetgeen namens eiser tegen het bestreden besluit is aangevoerd.

8. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

(…)

c. de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden;

d. de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan;

(…)

h. de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst;

10. De rechtbank overweegt als volgt.

Zorgvuldigheid en motivering

10.1.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de personalia bovenaan de eerste pagina van de bestreden besluitvorming niet correct zijn weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit echter op een kennelijke verschrijving, nu verweerder op de overige pagina’s van de bestreden besluitvorming deze onjuistheden in de personalia van eiser en zijn alias niet heeft herhaald. Ten aanzien van de informatie uit EUVIS die verweerder aan zijn bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, overweegt de rechtbank dat verweerder de schermafdrukken uit EUVIS pas bij zijn verweerschrift heeft overgelegd. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, nu niet aannemelijk is geworden dat eiser hierdoor is benadeeld.

Keniaanse nationaliteit

10.2.

De rechtbank stelt vast dat op grond van de informatie uit EUVIS, door verweerder geraadpleegd op 15 januari 2020, is gebleken dat eiser op basis van een Keniaans paspoort (nummer C023573, geldig van 18 januari 2013 tot 17 januari 2023) driemaal in het bezit is gesteld van een in Kenia door de Duitse autoriteiten afgegeven Schengenvisum. Omdat een visum enkel in persoon kan worden aangevraagd en op basis van een origineel paspoort wordt afgegeven, mag verweerder van de authenticiteit van dit paspoort uitgaan. Dat het voornoemde paspoort niet beschikbaar was voor onderzoek dient voor risico van eiser te komen, nu eiser bij zijn aankomst in Duitsland in september 2017 dit Keniaanse paspoort heeft weggegooid (verslag eerste gehoor, pagina 5). Eiser heeft het voor verweerder hierdoor immers onmogelijk gemaakt onderzoek te doen naar de authenticiteit van dit paspoort.

10.3.

Voor zover eiser stelt dat aan dit Keniaanse paspoort geen waarde kan worden gehecht omdat het op frauduleuze wijze is verkregen, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om dit aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De omstandigheid dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk bij een visumaanvraag in 2012 een ander Keniaans paspoort van eiser ‘falsely obtained’ hebben bevonden vanwege een valse geboorteakte die is gebruikt om het document aan te vragen, maakt dit niet aannemelijk nu dit niet ziet op het meest recente Keniaanse paspoort. De enkele stelling van eiser dat hij sinds 2009 de beschikking zou hebben gehad over drie elkaar opvolgende, niet authentieke Keniaanse paspoorten, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. Dat er andere personalia op het Keniaanse paspoort staan, doet bovendien niet af aan het feit dat verweerder op basis van de informatie uit EUVIS heeft kunnen vaststellen dat tot driemaal toe het meest recente Keniaanse paspoort echt is bevonden door de Duitse autoriteiten. Ook de door eiser overgelegde regelgeving over het verkrijgen van de Keniaanse nationaliteit en artikelen afkomstig uit digitale bronnen over het verkrijgen van valse identiteitsdocumenten, leiden niet tot een ander oordeel. Hiermee heeft eiser immers niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een paspoort dat op frauduleuze wijze is verkregen. Eiser heeft verder geen documenten overgelegd van de Keniaanse autoriteiten waaruit blijkt dat hij niet de Keniaanse nationaliteit heeft dan wel dat het paspoort op frauduleuze wijze is verkregen.

10.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser naast de Somalische nationaliteit, ook de Keniaanse nationaliteit bezit. Het betoog van eiser dat hij niet twee nationaliteiten kan hebben, doet daar niet aan af. De omstandigheid dat de Keniaanse wetgeving het hebben van een dubbele nationaliteit zou verbieden, vormt blijkens de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1003) geen reden om eraan te twijfelen dat eiser de Keniaanse nationaliteit heeft, omdat niet kan worden uitgesloten dat de Keniaanse autoriteiten niet bekend zijn met - ook - de Somalische nationaliteit van eiser. Van belang is dat eiser in het bezit is geweest van een geldig nationaal Keniaans paspoort en door eigen toedoen niet meer de beschikking over dit paspoort heeft.

Gestelde problemen in Somalië en Kenia

10.5.

Ten aanzien van de verklaringen van eiser over zijn gestelde problemen met Al-Shabaab in Somalië, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij deze problemen niet behoefde te toetsen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag kunnen leggen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij na zijn vertrek in 2007 niet meer naar Somalië is teruggekeerd. Gelet op hetgeen onder 10.4. is overwogen heeft verweerder zich daarnaast niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser de Keniaanse nationaliteit bezit en uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij in Kenia tot aan zijn vertrek in 2017 actief deelnam aan het dagelijkse leven. Verweerder heeft dan ook van eiser mogen verwachten dat hij terugkeert naar Kenia en derhalve terecht getoetst of eiser als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt bij terugkeer naar Kenia. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd en overgelegd ten aanzien van zijn gestelde problemen in Somalië, doet daar niet aan af.

10.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde problemen in Kenia niet aannemelijk heeft gemaakt.

Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Kenia problemen heeft gehad met de politie vanwege het ontbreken van documenten dan wel omdat hij de taal niet goed zou beheersen. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat eiser heeft verklaard dat hij door middel van Keniaanse paspoorten actief heeft kunnen deelnemen aan het dagelijks leven in Kenia en toegang had tot de arbeids- en woningmarkt. Voorts heeft verweerder de verklaringen van eiser over de bedreigingen van Al-Shabaab niet ten onrechte summier, tegenstrijdig en bevreemdend geacht. Zo heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser in 2011 door een lid van Al-Shabaab, Abu Abdullahi, is benaderd en bedreigd om 10.000 dollar te betalen aan Al-Shabaab. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat het bevreemdingwekkend is dat eiser heeft verklaard dat hij heeft toegezegd het bedrag te zullen betalen, maar hier onderuit is gekomen enkel door niet meer te gaan werken bij plaatsen waar Al-Shabaab aanwezig was. Eiser heeft immers verklaard dat hij nog steeds bleef werken bij het vluchtelingenkamp en heeft daarnaast gesteld dat Al-Shabaab overal onzichtbaar aanwezig is. Verweerder heeft verder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat Al-Shabaab het hotel waarin eiser zou hebben verbleven in 2011 heeft aangevallen om eiser te doden, nu eiser niet nader heeft onderbouwd waarom deze aanval op hem gericht zou zijn. Dat de hoteleigenaar dit aan eiser zou hebben verklaard, is daartoe onvoldoende.

Voorts heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser enkele jaren later opnieuw problemen met Al-Shabaab zou hebben ondervonden, doordat hij op 4 december 2016 per toeval Abu Abdullahi tegenkwam waardoor deze erachter kwam dat eiser ondanks de aanval op het hotel nog in leven was. Dat er een paar dagen later zou zijn ingebroken in het appartement van eiser door onbekende mannen in opdracht van Abu Abdullahi terwijl eiser niet thuis was, is niet nader onderbouwd waardoor verweerder eiser hier niet ten onrechte niet in heeft gevolgd. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat niet valt in te zien dat de inbrekers niets hebben meegenomen, nu eiser heeft verklaard dat Al-Shabaab hem zouden willen doden voor geld. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn huisvesting in de periode na de inbraak. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat hij na de inbraak uit angst niet meer alleen thuis durfde te verblijven en daarom een vriend heeft gevraagd om bij hem in te trekken (verslag nader gehoor, pagina 9) en heeft eiser vervolgens verklaard dat hij bij vrienden verbleef (verslag nader gehoor, pagina 22), hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Dat eiser in beroep informatie over Al-Shabaab afkomstig uit een algemene bron heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel nu de verklaringen van eiser over zijn gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht.

Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hij op doorreis was naar het Verenigd Koninkrijk en niet de intentie had om in Nederland asiel aan te vragen, verder afbreuk doet aan de gestelde behoefte van eiser aan internationale bescherming. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich, bij een oprechte en dringende behoefte aan bescherming, bij binnenkomst in Europa bij de eerst beschikbare autoriteiten meldt met het verzoek om hulp en/of bescherming, hetgeen eiser niet heeft gedaan.

10.7.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

Kennelijk ongegrond

10.8.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden de aanvraag van eiser krachtens artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d en h, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Dat verweerder niet expliciet in het bestreden besluit heeft opgenomen dat de aanvraag ook krachtens artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is afgewezen, doet daar niet aan af. Uit de bestreden besluitvorming blijkt immers dat de afwijzing ook een standpunt van verweerder omvat van de door hem verrichte inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.

Terugkeerbesluit

10.9.

De rechtbank is met verweerder in het verweerschrift van oordeel dat hoewel er geen termijn is gekoppeld aan het terugkeerbesluit, dit niet afdoet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

11. De conclusie van het voorgaande luidt dat het beroep ongegrond is.

12. In hetgeen onder 10.1. is overwogen zie de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.