Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5017

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
09/185543-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor wederspannigheid. Overweging over de rechtmatige uitoefening van de bediening van de politieagenten. Geen straf aan de verdachte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-185543-16

Datum uitspraak: 9 juni 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1944 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 7 november 2017, 9 maart 2018, 11 juli 2018, 27 november 2019 en 26 mei 2020 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. de Mos en van hetgeen de raadsman mr. R.P.A. Kint naar voren heeft gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 september 2016 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] ((respectievelijk) hoofdagent en/of brigadier(s) van Politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten bij de aanhouding van hem, verdachte, op verdenking van artikel 447E Wetboek van Strafrecht en/of artikel 34 lid 1 Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften, door

- zich los te rukken uit de greep van [verbalisant 1] en/of

- schoppende en/of slaande bewegingen te maken in de richting van die ambtena(a)r(en) en/of

- die [verbalisant 2] klap in/tegen het gezicht te geven en/of

- de bril van die [verbalisant 2] van zijn gezicht te slaan en/of

- die [verbalisant 3] een schop tegen een been te geven;

2.

hij op of omstreeks 9 september 2016 te 's-Gravenhage, niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafrecht;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en omdat deze door de verdediging niet zijn betwist, als vaststaand worden aangemerkt en zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de bewijsvraag dienen.

De verdachte heeft op 8 september 2016 in Den Haag zijn voertuig met twee wielen op de stoep geparkeerd, waarna motoragent [verbalisant 1] om zijn rijbewijs heeft gevraagd. De verdachte had zijn rijbewijs, of een ander legitimatiebewijs, niet bij zich.2 Nadat de agent tegen de verdachte heeft gezegd dat hij moest blijven staan, omdat hij mee moest naar het politiebureau, heeft de verdachte geweigerd mee te gaan. Bij de daaropvolgende aanhouding voor het niet kunnen tonen van een legitimatiebewijs, heeft de motoragent vervolgens pepperspray richting de verdachte gebruikt3 en is de verdachte de nabij gelegen coffeeshop [naam coffeeshop] ingegaan.45

Binnen in de coffeeshop heeft tussen verdachte en voornoemde [verbalisant 1] en meerdere andere politieambtenaren een handgemeen plaatsgevonden, waarbij ook de verdachte letsel heeft opgelopen.

De kernvraag die aan de rechtbank voorligt, is de vraag of de politieambtenaren tijdens het incident in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij stelt zich op het standpunt dat de politieambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Zij baseert zich daarbij op de beschikking van het hof in de artikel 12 Sv beklagprocedure d.d. 4 februari 2019, waarin het hof heeft geoordeeld dat het door de politieambtenaren gepleegde geweld voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en onder de gegeven omstandigheden ook gerechtvaardigd was. Tevens betrekt zij in haar standpunt de voorgeschiedenis op straat waarbij de verdachte recalcitrant was en verbalisant [verbalisant 1] juist heel rustig.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde wederspannigheid bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de ambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening hebben gehandeld doordat zij, in strijd met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, geweld hebben gebruikt tijdens de aanhouding van de verdachte.

Voor wat betreft het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 2

Op basis van de onder 3.1 genoemde bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden aan de motoragent als bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het onder feit 2 ten laste gelegde feit, wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 1

Verder staat vast dat de verdachte, nadat hem door motoragent [verbalisant 1] is gezegd dat hij was aangehouden, aanstalten maakte om weg te lopen. [verbalisant 1] heeft hem toen vastgepakt en heeft pepperspray gebruikt. De verdachte is vervolgens naar de nabijgelegen coffeeshop gelopen.

Camerabeelden

De camerabeelden van coffeeshop [naam coffeeshop] zijn door [verbalisant 4] gezien en beschreven. Hij beschrijft het volgende te hebben gezien. Een man, van wie de rechtbank begrijpt dat dit de verdachte is, loopt de coffeeshop binnen. Direct daarop komt een motoragent de coffeeshop binnen. De verdachte draait zich direct om richting de motoragent, balt van zijn linkerhand een vuist, strekt zijn hand en slaat in de richting van het gezicht van de motoragent.

De motoragent pakt vervolgens het trainingsjasje van de verdachte beet, en slaat vier maal in het gezicht van de verdachte met zijn rechterhand, en tweemaal met zijn linkerhand. De verdachte heft dan zijn rechterhand op. De motoragent duwt de verdachte hierop naar achteren en zet hem klem tegen de muur.

Vervolgens komt een tweede politieagent de coffeeshop binnen. Deze helpt de motoragent om de verdachte te fixeren tegen de wand. De tweede agent pakt de verdachte vast en slaat eenmaal in de richting van het gezicht van de verdachte. Deze agent doet een stap naar achteren, waarop de verdachte hem een trap in de richting van zijn benen geeft. De verdachte maakt met zijn arm een slaande beweging richting de tweede agent. De motoragent trekt de verdachte met draaiende beweging richting de muur. De verdachte trapt en slaat hierbij wild om zich heen en de motoragent komt klem te staan tussen de muur en de verdachte. De tweede agent probeert de verdachte bij zijn linkerarm beet te pakken, de verdachte maakt hierop wilde armbewegingen. Hierop slaat de tweede agent tweemaal met de rechterhand in het gezicht van de verdachte. De verdachte wordt bij zijn haren gepakt.

Vervolgens komt een derde agent de coffeeshop binnen. Deze derde agent probeert de verdachte vast te pakken.6 De verdachte slaat hierbij om zich heen, waardoor de tweede agent de grip over het haar van de verdachte verliest. De verdachte slaat de derde agent in het gezicht, waardoor de bril van deze agent op de grond valt. De derde agent geeft hierop een klap in het gezicht van de verdachte, de tweede agent pakt hierop de haren van de verdachte weer vast.

Dan komt een vierde agent de coffeeshop binnen. De verdachte pakt de vierde agent bij zijn borst vast. De vierde agent pakt de verdachte bij zijn schouders en nek beet, trekt de verdachte naar voren en brengt hem naar de grond. De verdachte werkt hierop heftig tegen, waardoor de vierde agent hem opnieuw moet vastpakken. Bij de derde trekkende beweging wordt de man naar de grond getrokken. De verdachte komt op zijn buik terecht en de agenten 2, 3 en 4 fixeren hem.7

Bevindingen politieambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 2]

[verbalisant 3] heeft beschreven dat de verdachte om zich heen bleef slaan en schoppen, en vervolgens tegen zijn onderbeen aan schopte. [verbalisant 2] heeft beschreven dat de verdachte hem een klap in het gelaat heeft gegeven, waardoor hij zijn bril verloor.8

Partiële vrijspraak losrukken uit de greep van [verbalisant 1]

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat de verdachte zich op straat heeft losgerukt uit de greep van [verbalisant 1] , zoals dat hem onder het eerste gedachtestreepje wordt verweten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Alleen motoragent [verbalisant 1] beschrijft deze handeling in het proces-verbaal van aanhouding. Bij de rechter-commissaris heeft [verbalisant 1] echter verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij de verdachte heeft vastgepakt. Bovendien beschrijft hij in een later proces-verbaal dat hij zich niet alles meer goed kon herinneren tijdens het opmaken van het proces-verbaal van aanhouding. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte door motoragent [verbalisant 1] is vastgegrepen, en dat hij zich hieruit heeft losgerukt. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Oordeel rechtbank met betrekking tot overige de feitelijkheden

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte schoppende en slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van ambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , dat hij [verbalisant 2] een klap in het gezicht heeft gegeven en daarmee de bril van [verbalisant 2] van zijn gezicht heeft geslagen, en dat hij aan [verbalisant 3] een schop tegen het been heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat dit handelingen van verzet zijn, gepleegd tegen de in de tenlastelegging genoemde politieambtenaren.

De rechtbank dient te beoordelen of deze ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden, en of de verdachte zich door zijn verzet schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid (feit 1).

Rechtmatige uitoefening van de bediening?

De rechtbank stelt voorop dat de politie beschikt over een wettelijk toegekend geweldsmonopolie en dat de politie bevoegd is geweld toe te passen indien dit voor de rechtmatige uitoefening van de politietaak noodzakelijk is. Het toegepaste geweld, moet worden getoetst aan de hand van subsidiariteit (was een minder verstrekkend geweldsmiddel ook mogelijk?) en proportionaliteit (ging het geweld niet te ver?).

Pepperspray

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde aanhouding van de verdachte op rechtmatige gronden is gebeurd en dat de verdachte heeft getracht zich aan die aanhouding te onttrekken. Ondanks het feit dat de verdachte op dat moment 72 jaar oud was, heeft de motoragent – gelet op de fysieke verschijning van verdachte – in de veronderstelling kunnen verkeren dat de verdachte niet ouder dan 65 jaar was. In dit soort gevallen is het gebruik van pepperspray volgens artikel 12a Ambtsinstructie voor de politie, geoorloofd. De rechtbank acht het gebruik van pepperspray, anders dan door de raadsman is betoogd, evenmin in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Geweld in de coffeeshop

De rechtbank heeft de camerabeelden van coffeeshop [naam coffeeshop] bekeken, en ziet geen aanleiding om de beschrijving van de beelden door [verbalisant 4] in twijfel te trekken en gaat dan ook van die beschrijving uit.

Op grond van de beschreven camerabeelden stelt de rechtbank vast dat de verdachte een slaande beweging maakte in de richting van het hoofd van motoragent [verbalisant 1] . De rechtbank is van oordeel dat motoragent [verbalisant 1] die beweging heeft kunnen en mogen opvatten als een slaande beweging naar zijn hoofd. De rechtbank is van oordeel dat de klappen die [verbalisant 1] daarop heeft gegeven om de aanhouding te kunnen voltooien, voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu het verzet van de verdachte niet werd gebroken.

Met betrekking tot het optreden van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] constateert de rechtbank dat de verdachte zich bleef verzetten tegen de aanhouding nadat zij ter plaatse waren in de coffeeshop, en dat het geweld dat door hen is gepleegd tegen de verdachte proportioneel, subsidiair en daarmee gerechtvaardigd was.

Het toegepaste geweld door [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] is naar oordeel van de rechtbank dan ook niet onrechtmatig geweest, zodat zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft gepleegd, en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid.

Nu de verklaringen van de [getuige] en de bevindingen van [verbalisant 1] niet tot het bewijs worden gebezigd, zal het door de verdediging gevoerde verweer over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van deze verklaringen niet worden besproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 8 september 2016 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hoofdagent en brigadiers van de politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten bij de aanhouding van hem, verdachte, op verdenking van artikel 447E Wetboek van Strafrecht en artikel 34 lid 1 Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften, door

- schoppende en slaande bewegingen te maken in de richting van die ambtenaren

- die [verbalisant 2] klap in het gezicht te geven

- de bril van die [verbalisant 2] van zijn gezicht te slaan

- die [verbalisant 3] een schop tegen een been te geven;

2.

hij omstreeks 9 september 2016 te 's-Gravenhage, niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft (ten aanzien van feit 2) verzocht aan de verdachte geen straf op te leggen, gelet op het toegepaste politiegeweld en het lange voortduren van dit strafproces.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Na een eenvoudige verkeersovertreding door de verdachte, heeft hij niet willen meewerken aan zijn staande houding en vervolgens zijn aanhouding. De verdachte heeft hiermee het werk van opsporingsambtenaren gehinderd. De situatie is daarna geëscaleerd en politieambtenaren hebben fors geweld gebruikt tegen de verdachte. De verdachte is hierbij gewond geraakt aan zijn gezicht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 mei 2020 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat pas na ruim 3,5 jaar na het plegen van het strafbare feit vonnis wordt gewezen. Ook weegt de rechtbank mee dat het op dit moment niet goed gaat met de verdachte. Hij is inmiddels 76 jaar oud en kampt sinds dit incident met psychische problemen. Daarbij komt dat de verdachte zijn echtgenote is verloren.

Daarbij overweegt de rechtbank nog als volgt. Alhoewel het geweld dat door de verbalisanten is uitgeoefend gerechtvaardigd was omdat de verdachte zich bleef verzetten, neemt dat niet weg dat ook de verbalisanten een andere werkwijze hadden kunnen hanteren. Als zij de-escalerend hadden opgetreden in de coffeeshop was het allemaal niet zo ver gekomen.

Dit alles afwegende acht de rechtbank het passend geen straf op te leggen aan de verdachte.

7 De vordering van de benadeelde partij

[verbalisant 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 315,80, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 95,80 aan materiële schade met betrekking op schade die is toegebracht aan een bril, en € 220,- aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geadviseerd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen. Voor het materiële gedeelte is de vordering toewijsbaar tot een bedrag van

€ 71,85, bestaand uit 30% van de nieuwprijs van de beschadigde bril, gelet op de leeftijd van de bril van 4,5 jaar. Ten aanzien van het immateriële gedeelte kan een - weliswaar lager dan gevraagd - bedrag worden toegewezen omdat het aannemelijk is dat de benadeelde partij pijn heeft geleden als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair is verzocht de vordering hierom af te wijzen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 71,85. Dit bedrag bestaat uit 30% van de nieuwwaarde van de 4,5 jaar oude bril van de benadeelde partij.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 71,85, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 september 2016, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal ten aanzien van dit bedrag aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat. Als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of het volledige bedrag niet op hem kan worden verhaald, zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 9a, 36f, 180 en 477e van het Wetboek van Strafrecht zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

wederspannigheid

ten aanzien van feit 2:

niet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 op de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat voor feit 1 en feit 2 geen straf zal worden opgelegd.

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 71,85 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 september 2016 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [verbalisant 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de schademaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 71,85 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 september 2016 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [verbalisant 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E. Perquin, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx, rechter,

mr. R.J. Wortelboer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Konings, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016251483, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, basisteam Segbroek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 47)

2 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, blz. 34

3 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, blz. 35

4 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, blz. 27

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 16, derde en vierde alinea, blz. 16

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 14

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 15

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 16