Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5016

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
09/124778-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring diefstal, mishandeling, twee vernielingen en twee bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/124778-18

Datum uitspraak: 8 juni 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,

[verblijfadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 mei 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.K. Schoep en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 februari 2018 te Gouda een geldbedrag van ongeveer EUR 200,-, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen.

2.

hij op of omstreeks 21 mei 2018 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk de (onder)ruit van de voordeur en/of het raam van de achterdeur van de woning aan de [adres ] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 2] en/of

woningscooperatie [naam woningcooperatie] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3.

hij op of omstreeks 20 april 2018 te Gouda [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Jij kankerlijer van de [straatnaam] jij heb toen die tijd aangifte gedaan, ik sla je helemaal dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4.

hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Gouda [aangever 2] heeft mishandeld door met zijn vingers in de ogen van die [aangever 2] te prikken en/of te drukken en/of die [aangever 2] (met kracht) aan de mondhoek te trekken en/of (met kracht) met de vuist tegen het hoofd van die [aangever 2]

te slaan.

5.

hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van de woning aan de [adres ] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 2] en/of woningscooperatie [naam woningcooperatie] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

6.

hij op of omstreeks 2 juni 2019 te Gouda [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 2] (via internetbankieren) dreigend de woorden toe te voegen "Kom nooit in mijn kk buurt, laatste x in je leven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 3 en 6 ten laste gelegde bepleit, omdat er in beide gevallen geen sprake is van bedreiging. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging bepleit om de verdachte partieel vrij te spreken, in die zin dat de ten laste gelegde vuistslag niet bewezen kan worden verklaard. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten

Aangezien de verdachte deze tenlastegelegde feiten heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

Feit 1:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, blz. 9;

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 mei 2020.

Feit 2:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, blz. 56;

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 mei 2020.

Feit 5:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, blz. 5;

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 mei 2020.

Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde

Op 25 april 2018 heeft [aangever 3] aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte op 20 april 2018 aan de [straatnaam] te Gouda. Aangever heeft verklaard dat de verdachte hem toeriep: “Jij kankerlijer van de [straatnaam] , jij hebt toen die tijd aangifte gedaan, ik sla je helemaal dood.”2 Aan het proces-verbaal van bevindingen van 27 juni 20183 is de getypte verklaring van [naam] gehecht. Zij schrijft daarin dat [aangever 3] op 20 april 2018 werd bedreigd door een Marokkaanse jongen.4 In tegenstelling tot de verdediging ziet de rechtbank geen beletsel om de inhoud van deze verklaring voor het bewijs te gebruiken. Alhoewel [naam] niet nader door de politie is gehoord, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van haar verklaring. Zij heeft immers desgevraagd aan de politie verklaard dat zij haar verklaring zelf heeft opgesteld en ondertekend. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de uitlating, zoals ten laste gelegd, heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat bij [aangever 3] , gelet op de aard van de uitlating en de omstandigheden waaronder deze is gedaan, de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.

Ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde

Op 5 juni 2019 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte, gepleegd op 5 juni 2019 te Gouda. Aangeefster verklaart dat de verdachte met twee vingers in haar ogen prikte en probeerde met zijn vingers diep in haar oogkas te drukken. Aangeefster voelde dat de verdachte met zijn vingers erg hard aan haar mondhoek trok en dat de verdachte met zijn vuist hard op de rechterzijde van haar hoofd sloeg.5 In het proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2019 verklaart [naam verbalisant] dat op 5 juni 2019 foto’s zijn gemaakt van het letsel van aangeefster. De verbalisant verklaart dat op de foto’s te zien is dat aangeefster een bloeduitstorting onder het linkeroog, een bloeduitstorting op de linker oogbol en een bloeduitstorting op het hoofd heeft.6 Gelet op de aangifte en het geconstateerde letsel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder feit 6 ten laste gelegde

Op 25 juni 2019 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte. Aangeefster verklaart dat de verdachte meermaals een klein geldbedrag naar haar rekeningnummer heeft overgemaakt en daar – onder meer – het bericht ‘kom nooit in mijn kk buurt, laatste x in je leven’ heeft geplaatst.7 In het proces-verbaal van bevindingen van 12 juni 2019 zijn screenshots van de internetrekening van aangeefster toegevoegd, waarin het hierboven genoemde bericht is opgenomen.8 Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dit bericht naar aangeefster te hebben verstuurd. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlating een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert, gelet op de aard van de uitlating en de omstandigheden waaronder deze is begaan. De bewoordingen zelf zijn bedreigend van aard, tussen de verdachte en aangeefster bestond een conflict in de relationele sfeer en het bericht via internetbankieren op 2 juni 2019 maakt deel uit van een reeks berichten van diezelfde dag die telkens vijandig en dreigend van aard zijn (“wacht maar”, “je gaat zien”, “kom nog 1 x in Mn leven en dan zal je zien hoe

snel je kk huis kwijt raakt”). In de gegeven omstandigheden kon bij aangeefster de redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 6 ten laste gelegde heeft gepleegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 4 februari 2018 te Gouda een geldbedrag van ongeveer EUR 200, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.

hij op 21 mei 2018 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk de (onder)ruit van de voordeur en het raam van de achterdeur van de woning aan de [adres ] , dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan woningcooperatie [naam woningcooperatie] toebehoorde, heeft vernield.

3.

hij op 20 april 2018 te Gouda [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Jij kankerlijer van de [straatnaam] jij heb toen die tijd aangifte gedaan, ik sla je helemaal dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4.

hij op 5 juni 2019 te Gouda [aangever 2] heeft mishandeld door met zijn vingers in de ogen van die [aangever 2] te prikken en/of te drukken en die [aangever 2] (met kracht) aan de mondhoek te trekken en (met kracht) met de vuist tegen het hoofd van die [aangever 2]

te slaan.

5.

hij op 5 juni 2019 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van de woning aan de [adres ] , die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan woningcooperatie [naam woningcooperatie] toebehoorde, heeft vernield.

6.

hij op 2 juni 2019 te Gouda [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 2] (via internetbankieren) dreigend de woorden toe te voegen "Kom nooit in mijn kk buurt, laatste x in je leven".

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname) en het opvolgen van de aanwijzingen van de Stichting Humanitas.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank een deels voorwaardelijke straf oplegt, de proeftijd te beperken tot één jaar. De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, mishandeling, twee vernielingen en twee bedreigingen. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen en de lichamelijke integriteit van anderen. Bovendien is de verdachte er niet voor teruggeschrokken anderen te bedreigen met misdrijven tegen het leven gericht. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien aan dat [aangever 2] meermaals het slachtoffer is geworden van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft vernielingen aangericht aan de woning van [aangever 2] en haar ’s nachts mishandeld in haar eigen huis, de plek waar zij zich bij uitstek veilig dient te kunnen voelen. Aan de mishandeling op 5 juni 2019 is kort daarvoor de bedreiging via internetbankieren vooraf gegaan, hetgeen de angstgevoelens van [aangever 2] zal hebben versterkt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte d.d. 4 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dat heeft hem er niet van weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. Over de verdachte is een Pro Justitia rapportage opgemaakt door de GZ-psycholoog R. Zwaan, d.d. 4 juni 2019. Hieruit blijkt dat er bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, paranoïde en narcistische trekken. De verdachte heeft weinig empathisch vermogen en legt de verantwoordelijkheid voor zijn handelen veelal buiten zichzelf. Gelet op de aard van de persoonlijkheidsproblematiek, die zeer moeilijk te beïnvloeden is, moet de mogelijkheid om het risico van delictgedrag in de toekomst te verminderen als gering worden beschouwd. Langdurige begeleiding door de reclassering is aangewezen om de verdachte in het gareel te houden.

Uit het door de reclassering opgestelde advies van 22 mei 2019 en het voortgangsbericht van 20 mei 2020 blijkt dat er, ondanks meerdere reclasseringstrajecten, geen structurele gedragsverandering is opgetreden. De moeilijk behandelbare persoonlijkheidsproblematiek en het gebruik van middelen leiden er toe dat de verdachte delictgedrag kan vertonen, waarbij het dan met name gaat om agressiedelicten. Het risico op recidive en letselschade wordt als hoog ingeschat, het risico op onttrekking als gemiddeld. De reclassering adviseert, indien tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf wordt gekomen, aan de verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht op te leggen, ambulante behandeling (met de mogelijkheid van een kortdurende opname) en het zich houden aan de aanwijzingen van de Stichting Humanitas.

De rechtbank is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Daarbij overweegt de rechtbank dat het van belang is dat de verdachte geruime tijd in beeld blijft bij de reclassering en dat er – binnen de daartoe beschikbare mogelijkheden – wordt getracht de verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Daarom zal de rechtbank voorbijgaan aan het pleidooi van de raadsman om de proeftijd te bepalen op één jaar.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 200,-,

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is door de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 4 februari 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dat feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,-. Als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of het volledige bedrag niet op hem kan worden verhaald, zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 57, 285, 300, 310, 350 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 4:

mishandeling

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

ten aanzien van feit 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 42 (tweeënveertig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland GGZ Reclassering Fivoor, Witte Singel 8 te Leiden of een soortgelijke instelling op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich onder ambulante behandeling stelt bij een forensische polikliniek of een polikliniek van de GGZ, met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie voor de duur van maximaal zeven weken ter observatie en/of diagnostiek;

- zich houdt aan de aanwijzingen van Stichting Humanitas;

geeft opdracht aan Reclassering GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever 1] een bedrag van € 200,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2018 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 4 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.C.J. Vriend, voorzitter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

mr. P.G. Salvadori, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Özsoy, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juni 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018033157, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, (doorgenummerd blz. 1 t/m 98).

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , blz. 47.

3 Blz. 50;

4 Schriftelijk bescheid, blz. 50.

5 Proces-verbaal met registratienummer PL1500-2019151572-l van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, basisteam Gouda: Proces-verbaal van aangifte, blz. 5;

6 Idem, proces-verbaal van bevindingen, blz. 8.

7 Idem, proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , blz. 20.

8 Idem, schriftelijk bescheid, blz. 31