Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5015

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
NL20.6016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asiel, Dublin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.6016


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de uitbraak van het coronavirus en om het besmettingsgevaar zoveel mogelijk in te perken, heeft de rechtbank op 25 maart 2020 partijen gevraagd of zij deze zaak louter schriftelijk of (mede) via een telefonische verbinding willen laten behandelen. De telefonische behandeling vindt dan plaats door middel van een zogenoemde conference call. Eiser heeft op 1 april 2020 aangegeven dat een telefonische zitting gewenst is. Verweerder heeft op 31 maart 2020 hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.6017, in de vorm van een conference call plaatsgevonden op 29 mei 2020. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N.H. Ibiris. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

2. Verweerder heeft primair, zoals nader toegelicht ter zitting, verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden en de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. De overdrachtstermijn van zes maanden op grond van de Dublinverordening zal namelijk in deze zaak op 11 augustus 2020 verstrijken. De overdracht van asielzoekers in het kader van de Dublinverordening is door het corona-virus echter tijdelijk opgeschort. Het gaat om een tijdelijk beletsel voor de feitelijke overdracht en de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit (en de reeds tot stand gekomen verantwoordelijkheidsvaststelling tussen de lidstaten) wordt in zoverre hierdoor niet geraakt. De Dublinverordening voorziet echter niet in de mogelijkheid om in buitengewone omstandigheden, zoals de onderhavige, van de voorgeschreven overdrachtstermijnen af te wijken. Door het toewijzen van de voorlopige voorziening en het aanhouden van het beroep wordt de overdrachtstermijn echter gestuit, zodat verweerder, als de feitelijke overdracht weer mogelijk is, eiser aan Duitsland kan overdragen.

2.1

Aangezien eiser ter zitting zijn verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.6017, heeft ingetrokken zal de rechtbank die niet beoordelen.

2.2

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af. Vooropgesteld dient te worden dat in de considerans van de Dublinverordening (de punten 4 en 5) wordt aangegeven dat het doel van de Dublinverordening met name is om snel te kunnen vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen. Voorts heeft de Europese Commissie in de “Mededeling van de Commissie – COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging” van 17 april 2020 (2020/126/02) het volgende aangegeven: “Wanneer een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, verschuift de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de Dublinverordening naar de lidstaat die om de overdracht heeft verzocht. De verordening bevat geen bepaling die toestaat van deze regel af te wijken in een situatie zoals die welke als gevolg van de COVID-19-pandemie is ontstaan.” Daarmee is niet te verenigen dat het beroep, en dus de beoordeling van het overdrachtsbesluit, wordt aangehouden enkel om de overdrachtstermijn te stuiten terwijl de omvang van het geschil verder duidelijk is en verweerder zich ook op het standpunt stelt dat het besluit rechtmatig is en inhoudelijk kan worden beoordeeld. De rechtbank zal het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

3. Eiser voert (samengevat) aan dat hij na overdracht aan Duitsland geen adequate opvangvoorzieningen en toegang tot medische voorzieningen zal krijgen. Eiser vreest ook dat hij in Duitsland geen zorgvuldige asielprocedure kan krijgen, waardoor hij zijn asielaanspraken niet waar kan maken en hij na overdracht aan Duitsland doorgeleid dreigt te worden naar zijn land van herkomst, zodat sprake zal zijn van refoulement. Ook vreest eiser dat hij niet de mogelijkheid zal krijgen om tegen een afwijzende asielbeslissing een effectief

rechtsmiddel in te stellen, omdat hij in Duitsland geen gelegenheid zal hebben om een advocaat in de arm te nemen. Toegang tot gratis rechtsbijstand bij een beroepsprocedure is in Duitsland moeilijk en niet gewaarborgd, hetgeen in strijd is met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser meent daarom dat hier sprake is van concrete aanwijzingen dat Duitsland zich niet zal houden aan haar verplichtingen op grond van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Verweerder is hieraan geheel ten onrechte voorbij is gegaan in zijn beslissing.

3.1

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Daar is eiser niet in geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanige tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen dat verweerder ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan. Duitsland heeft door middel van het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld in overeenstemming met de geldende Europese richtlijnen. Een risico op (indirect) refoulement is dan ook niet aan de orde. Het is aan de Duitse autoriteiten om te oordelen over de asielaanvraag van eiser en zijn stelling dat hij niet kan worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Voorts is Duitsland ook op grond van de Europese richtlijnen gehouden de nodige (medische) verzorging en opvang te verlenen aan eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze opvang en zorg voor hem niet beschikbaar zou zijn indien hij deze nodig zou hebben. Ten aanzien van eisers vrees voor schending van artikel 13 EVRM overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 20, tweede lid van de Richtlijn 2013/32 (de Procedurerichtlijn) is bepaald dat lidstaten kunnen voorzien in kosteloze rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging in de asielprocedure in eerste aanleg. Van een verplichting daartoe is echter geen sprake. Voorts biedt artikel 20, derde lid van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Het systeem in Duitsland is in overeenstemming met de Procedurerichtlijn. De beroepsgrond faalt daarom.

4. Eiser meent dat als gevolg van de corona pandemie, waarmee ook Duitsland zwaar is getroffen, reisbewegingen tot een onaanvaardbaar risico van besmetting leiden. Ook een overdracht zal grote besmettingsrisico's met zich meebrengen. Nu - voor zover dezerzijds bekend - nog geen geneesmiddel tegen het corona-virus bestaat en de ziekte als gevolg van het corona-virus zelfs dodelijk kan zijn, is overdracht dan ook in strijd met artikel 3 EVRM.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit punt ziet op de feitelijke overdracht en niet op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is in het kader van de Dublinverordening. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.