Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
19_4143
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Paspoortwet. De rechtbank leest hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.10.6 van de uitspraak van 19 mei 2017 heeft overwogen zo dat pas na het beëindigen van de bigame situatie een erkenning van een kind dat is geboren uit het bigame huwelijk kan plaatsvinden op grond waarvan met toepassing van artikel 4 van de RWN het Nederlanderschap kan worden verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4143

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige

[minderjarige] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.Th. van Maurik).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de paspoortaanvraag van eiser niet in behandeling genomen (lees: afgewezen).

Bij besluit van 27 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was T. Cetinkaya als tolk aanwezig.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [minderjarige] is op [geboortedatum] 2006 geboren in [geboorteplaats] , [geboorteland] . Zijn vader ( [eiser] , eiser) verkreeg door geboorte de Iraakse nationaliteit. Aan eiser is bij Koninklijk Besluit per 20 januari 1999 het Nederlanderschap verleend. De moeder van [minderjarige] ( [moeder] ) bezit de Iraakse nationaliteit en heeft het Nederlanderschap nooit verkregen. Op 19 oktober 2018 is ten behoeve van [minderjarige] een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort. Deze aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen (lees: afgewezen) omdat [minderjarige] niet staande een rechtsgeldig huwelijk van zijn vader is geboren en daarom niet het Nederlanderschap aan hem kan ontlenen. Uit de gegevens van de BRP blijkt volgens verweerder dat eiser op 10 februari 1998 in [geboorteplaats] , Irak, is gehuwd met [A] (hierna: [A] ). Op 1 januari 2000 is eiser in Irak volgens islamitisch recht gehuwd met de moeder van [minderjarige] . Het huwelijk tussen eiser en [A] is op 29 april 2019 door echtscheiding ontbonden.

Verweerder heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.

2. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de Paspoortwet is bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten, in het buitenland: Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover het personen betreft die zich buiten het Koninkrijk bevinden.

Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Paspoortwet verschaft de in artikel 26 bedoelde autoriteit zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.


Op grond van artikel 4, tweede lid, van de RWN wordt door erkenning ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de echtscheiding tussen hem en [A] weliswaar pas op 29 april 2019 officieel is ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP), maar dat het verzoek tot echtscheiding al op 11 juni 2018 is ingediend. Er was geen sprake meer van een daadwerkelijk huwelijk, aangezien partijen overeenstemming hadden om het huwelijk te laten eindigen. Hierdoor was ten tijde van de erkenning van [minderjarige] door eiser op 26 september 2018 geen sprake meer van een bigaam huwelijk en is dus niet gehandeld in strijd met de openbare orde.

4. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:942, zie rechtsoverweging 3.6.4 tot en met 3.6.6) volgt dat een in het buitenland gesloten huwelijk en de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekkingen niet worden erkend in Nederland, als deze erkenning in strijd is met de openbare orde. Dit is het geval als een van de echtgenoten ten tijde van het sluiten van het huwelijk al gehuwd was. In rechtsoverweging 3.9.1 van de uitspraak is overwogen dat met ingang van het tijdstip waarop aan zodanig huwelijk het polygame karakter ontvalt, bijvoorbeeld door ontbinding of nietigverklaring van het andere huwelijk, het huwelijk en de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekkingen voor erkenning in aanmerking komt.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser de bigame situatie pas is opgeheven bij de inschrijving van de scheiding van mevrouw [A] op 29 april 2019. Dat het verzoek tot echtscheiding eerder was ingediend is niet relevant. Pas als de scheiding is ingeschreven kunnen daar rechtsgevolgen aan worden verbonden. Verweerder stelt terecht dat uit de uitspraak van de Hoge Raad niet kan worden opgemaakt dat het bigame karakter aan het huwelijk ontvalt door het enkele voornemen of verzoek tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk. De erkenning van [minderjarige] door eiser heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden tijdens het bestaan van het bigame huwelijk.

5. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2020 (ECLI:NL:RBZWB:2020:471). Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat tegen deze uitspraak hoger beroep zal worden ingesteld.

6. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank Zeeland-West Brabant in deze uitspraak heeft overwogen dat het feit dat een bigaam huwelijk in strijd is met de openbare orde niet automatisch betekent dat de erkenning van kinderen geboren binnen een dergelijk huwelijk in strijd moet worden geacht met de openbare orde. De erkenning staat los van een dergelijk huwelijk. Voorts heeft rechtbank Zeeland-West-Brabant overwogen dat de eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 betrekking heeft op de vraag of een kind ingevolge artikel 3, eerste lid, van de RWN de Nederlandse nationaliteit ten tijde van zijn geboorte krijgt, wanneer zijn vader of moeder Nederlander is en de ouders bigaam gehuwd zijn. Ook uit de door verweerder aangehaalde rechtsoverweging r.o 3.10.6 van deze uitspraak blijkt volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant niet ondubbelzinnig dat de erkenning van een kind door een bigaam gehuwde man in strijd zou zijn met de openbare orde.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het standpunt van rechtbank Zeeland-West-Brabant over te nemen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De Hoge Raad heeft in de eerdergenoemde uitspraak in rechtsoverwegingen 3.10.5 overwogen dat, indien een kind is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, het stelsel van de RWN eraan in de weg staat dat het kind ingevolge artikel 3, eerste lid, van de RWN uitsluitend op grond van zijn afstamming op enig tijdstip van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt.

In rechtsoverweging 3.10.6 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Opmerking verdient dat art. 4 leden 1, 2 en 4 RWN erin voorziet dat een kind dat niet is geboren uit het huwelijk van de vader met de moeder, van rechtswege het Nederlanderschap kan verkrijgen als gevolg van erkenning door een Nederlandse vader, dan wel als gevolg van gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van een Nederlandse vader.

De RWN voorziet niet in het zich in de onderhavige zaak voordoende geval dat aan het buiten Nederland gesloten huwelijk van de vader met de moeder het polygame karakter is ontvallen, en dat huwelijk alsmede de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind op de voet van art. 10:31 BW, respectievelijk art. 10:101 lid 1 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1 BW, hier te lande inmiddels worden erkend (zie hiervoor in 3.9.2).

Een zodanig geval kan voor de toepassing van de RWN in zoverre op een lijn worden gesteld met het in de eerste alinea bedoelde geval dat – vanaf het tijdstip waarop het polygame karakter aan het huwelijk van de vader met de moeder is ontvallen – met toepassing van het door art. 10:95 BW, respectievelijk art. 10:97 BW aangewezen recht kan worden overgegaan tot erkenning door de vader (vgl. art. 1:203 BW), dan wel tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vader (vgl. art. 1:207 BW), een en ander met het oog op de verkrijging van het Nederlanderschap door het kind op de voet van art. 4 leden 1, 2 en 4 RWN. […]”

De rechtbank leest hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.10.6 heeft overwogen zo dat pas na het beëindigen van de bigame situatie een erkenning van een kind dat is geboren uit het bigame huwelijk kan plaatsvinden op grond waarvan met toepassing van artikel 4 van de RWN het Nederlanderschap kan worden verkregen. Zou dit anders zijn dan valt niet in te zien wat is bedoeld met de hierboven geciteerde tussenzin (“vanaf […] ontvallen”) en is deze zelfs zinledig. Of bedoeld is dat een dergelijke erkenning op zichzelf in strijd met de openbare orde is, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven, nu het gaat om de vraag of ten tijde van de geboorte dan wel de erkenning sprake was van een huwelijk met de moeder van het kind dat strijdig moet worden geacht met de openbare orde. Als deze vraag bevestigend moet worden beantwoord – zoals in het onderhavige geval – dan kan de erkenning niet tot Nederlanderschap leiden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [minderjarige] als gevolg van de erkenning ten tijde van het bigame huwelijk van zijn ouders, niet het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van artikel 4, tweede lid, van de RWN.

7. Nu uit het arrest van de Hoge Raad volgt welk moment relevant is voor de erkenning van een kind, kan reeds hierom de stelling van eiser, dat van hem niet kon worden verwacht dat hij rekening zou houden met de door de IND aangescherpte beleidsregels over het tijdstip van de erkenning, niet slagen.

8. Voor zover eiser ter zitting heeft verwezen naar de het arrest van het Hof van Justitie in de zaak M.G. Tjebbes e.a. tegen de minister van Buitenlandse Zaken van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189 (hierna: Tjebbes-arrest) overweegt de rechtbank dat geen sprake is van vergelijkbare situaties. Het Tjebbes-arrest ziet immers op verlies van het Unieburgerschap, terwijl [minderjarige] volgens verweerder het Nederlanderschap nooit heeft verkregen.

9. De rechtbank wijst erop dat verweerder ter zitting heeft medegedeeld dat er voor [minderjarige] nog een mogelijkheid bestaat om het Nederlanderschap te verkrijgen. Omdat hij ouder is dan zeven jaar geldt dat de biologische band tussen zijn vader en hem moet worden aangetoond met een DNA-test.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De uitspraak is gedaan op 19 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare zitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.