Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:5008

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1824
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker werkte als controller. Naar voorlopig oordeel is het strafontslag evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij zijn afweging mogen betrekken dat door het plichtsverzuim van verzoeker fraude mogelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1824

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T.G.J. Horlings),

tegen

het bestuur van de Stichting voor [verweerder] [plaats], verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ouwens).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker met ingang van 31 december 2019 ontslagen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 24 april (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Sinds 6 oktober 2004 was verzoeker in dienst van de [stichting] [plaats] (de Stichting) en diens rechtsvoorgangers. Aanvankelijk was verzoeker hoofd administratie, later hoofd financiële administratie F&A/Controller en sinds 1 augustus 2010 controller.

In mei 2019 werd de heer [bestuurder a.i.] als bestuurder a.i. (de bestuurder a.i.) aangesteld ter vervanging van de heer [voormalige bestuurder] (de voormalige bestuurder), die wegens ziekte was uitgevallen.

Bij brief van 11 september 2019 heeft de bestuurder a.i. verzoeker laten weten dat was gebleken dat de voormalige bestuurder zich schuldig had gemaakt aan financiële malversaties. Over verschillende jaren heeft hij met enige regelmaat grote bedragen contant geld opgenomen van de schoolrekening en achteraf vervalste facturen ingediend. Vermeld is dat een extern onderzoek werd ingesteld om de precieze omvang van de malversaties vast te stellen. Verzoekers rol in het geheel zou ook extern en intern worden onderzocht.

Op 29 oktober 2019 heeft verzoeker een gesprek gevoerd met medewerkers van Hoffmann Bedrijfsrecherche. Op 8 november 2019 heeft verzoeker een gesprek gevoerd met de bestuurder a.i. en mevrouw [A] , senior medewerker P&O.

Het voornemen

2. Op 18 november 2019 heeft de bestuurder a.i. verzoeker een voornemen tot ontslag gestuurd. Hierin is vastgesteld:

  • -

    dat verzoeker is aangesteld in een schaal 12-functie, terwijl de functie van controller volgens het functieboek in schaal 9 is ingedeeld en dat verzoeker bovendien jarenlang voor 0,1 fte extra is uitbetaald;

  • -

    dat verzoeker wist van de herhaaldelijke pintransacties van de voormalige bestuurder, veelal tijdens de zomervakanties;

  • -

    dat verzoeker wist dat de voormalige bestuurder beweerde dat hij sommige facturen die in of vlak voor de zomervakantie binnen kwamen vanaf zijn privérekening betaalde en dat verzoeker akkoord ging met verrekening daarvan middels genoemde pintransacties en overboekingen van de schoolrekening naar zijn privérekening, zonder te controleren of hij de facturen daadwerkelijk vanaf zijn privérekening betaalde;

  • -

    dat verzoeker akkoord is gegaan met het ruim achteraf inboeken van een factuur van [B] voor de werving en selectie van een nieuwe rector terwijl hij wist of had kunnen weten dat er helemaal geen externe werving- en selectieprocedure geweest was;

  • -

    dat verzoeker facturen met zeer riante bedragen van scholing die de voormalige bestuurder in Engeland heeft gevolgd heeft ingeboekt in de administratie, terwijl verzoeker wist dat de bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd;

  • -

    dat al het bovenstaande voor verzoeker geen signaal was om vanuit zijn functie als controller deze werkwijze te melden bij de Raad van Toezicht of een vertrouwenspersoon, en voor verzoeker ook geen aanleiding was om de voormalige bestuurder wel beter te gaan controleren;

  • -

    dat verzoeker heeft meegewerkt aan de aanstelling en promotie van [C] buiten alle procedures om en heeft meegewerkt aan het opstellen van een valse functiebeschrijving, terwijl verzoeker als enige wist dat [C] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was;

  • -

    dat verzoeker op of rond 18 juli 2019 telefonisch contact heeft gehad met de voormalige bestuurder nadat de bestuurder a.i. hem dat verboden had en dat verzoeker hem tijdens dat telefonische contact heeft meegedeeld dat het gesprek met de Raad van Toezicht over declaraties ging, terwijl dat absoluut niet aan verzoeker was om te zeggen en waardoor de voormalige bestuurder voorbereid het gesprek met de Raad van Toezicht in ging;

  • -

    dat verzoeker erkent dat hij zijn werk als controller ten aanzien van de voormalige bestuurder niet goed heeft uitgevoerd, maar dat hij zich daarin als een slachtoffer opstelt: verzoeker is er ingeluisd.

Het primaire besluit

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder verzoeker primair disciplinair ontslagen.

Subsidiair heeft verweerder verzoeker ontslagen op grond van ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van controller aan een school voor voortgezet onderwijs binnen de Stichting. Meer subsidiair heeft verweerder verzoeker ontslagen op grond van redenen van gewichtige aard, namelijk een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.

Het bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire ontslaggrond gehandhaafd. Verweerder vindt dat verzoeker zich ernstig schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Wanneer verzoeker zijn taken op een professionele wijze had verricht en de nodige professionele afstand had bewaard, had hij de onregelmatigheden van de voormalige bestuurder in een zeer vroeg stadium kunnen en moeten ontdekken. Verzoeker had vooraf het financiële systeem op een dusdanige wijze moeten inrichten dat de fraude zoals die is gepleegd niet mogelijk was geweest of in ieder geval in een veel eerder stadium zou zijn ontdekt. De voormalige bestuurder paste geen alledaagse handelwijze toe door riante facturen zogenaamd zelf te betalen en dit te verrekenen met opnames van grote contante bedragen en grote overboekingen naar zichzelf. Deze handelswijze had er juist voor moeten zorgen dat verzoeker extra kritisch zou zijn. Verder kan het volgens verweerder, gelet op verzoekers positie in de organisatie, haast niet anders dan dat verzoeker geweten heeft dat er geen externe werving heeft plaatsgevonden voor een rector. Dat verzoeker - ondanks dat hij als enige wist dat [C] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was - heeft meegewerkt aan het buiten de procedures om aannemen van [C] en aan een onjuiste inschaling en promotie van [C] valt verzoeker bijzonder kwalijk te nemen. Verweerder neemt verzoeker voorts bijzonder kwalijk dat hij de voormalige bestuurder heeft teruggebeld nadat de bestuurder a.i. hem had aangeraden om geen contact met de voormalige bestuurder te hebben. Tevens neemt verweerder verzoeker bijzonder kwalijk dat hij de voormalige bestuurder heeft geïnformeerd over het feit dat de Raad van Toezicht de voormalige bestuurder wilde spreken over zijn declaraties.

Verder vindt verweerder dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt waarom verzoekers gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend.

Verweerder deelt voorts niet de conclusie van verzoeker dat het disciplinaire ontslag volstrekt onevenredig is aan het plichtsverzuim. Omdat verzoekers ernstige nalatigheid heeft kunnen leiden tot jarenlange grootscheepse fraude, kan geenszins worden gesteld dat het disciplinaire ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. In de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt, vormden verzoekers persoonlijke omstandigheden geen reden om af te zien van het disciplinair ontslag.

Verweerder vindt verder dat er wel plaats is voor ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie. Uit onder andere het verslag van Hoffmann Bedrijfsrecherche van het gesprek met verzoeker blijkt dat voldoende aannemelijk is dat verzoeker in de uitoefening van zijn functie van controller onvoldoende controlerend heeft opgetreden. Tevens heeft hij onvoldoende waarborgen ingesteld om fraude te kunnen voorkomen.

Tot slot kan volgens verweerder niet anders dan worden geconcludeerd dat zijn vertrouwen in verzoeker onherstelbaar verstoord is. Als een werknemer zijn kerntaak zo slecht heeft uitgevoerd, en bovendien zo weinig zelfreflectie toont door de schuld van het ontstaan van de situatie (jarenlange fraude door de voormalige bestuurder) volledig buiten zichzelf te zoeken, dan is het logisch dat een werkgever het vertrouwen in een succesvolle voortzetting van de samenwerking volledig kwijt is.

Het betoog van verzoeker

5. Verzoeker vindt dat hem geen verwijt van plichtsverzuim kan worden gemaakt. Dat verzoeker niet heeft ontdekt dat door de voormalige bestuurder valse facturen zijn vervaardigd en gebruikt om declaraties mee te verantwoorden, kan niet als plichtsverzuim worden aangemerkt. Het ging om facturen van vertrouwde leveranciers. Er bestond geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de bewuste diensten daadwerkelijk geleverd waren. Verzoeker is niet getraind als fraudeonderzoeker en heeft zelfs geen volledige opleiding tot controller genoten. De externe accountant heeft geen onregelmatigheden gezien of advies gegeven om verdergaand te controleren met betrekking tot de declaraties. Ook de Raad van Toezicht heeft geen aanleiding gezien om vragen te stellen of om een andere werkwijze voor te stellen.

Verder heeft verzoeker niet meegewerkt aan een valse functiebeschrijving voor [C] . Hij heeft niets anders gedaan dan bij wijze van concept taken en werkzaamheden van [C] op te schrijven omdat [C] onder hem zou werken. Binnen de organisatie was wel degelijk bekend dat [C] afkomstig was uit de nabije kring van de voormalige bestuurder. De voormalige bestuurder had verzoeker gevraagd niet te vertellen dat [C] zijn schoonzoon was om zo te vermijden dat [C] anders door collega’s zou worden bekeken en behandeld. Verzoeker vond dat geen onredelijk verzoek.

Ook was het verzoeker niet verboden om de voormalige bestuurder mee te delen dat het gesprek met de Raad van Toezicht om declaraties ging. Verzoeker hoefde niet te begrijpen dat hij dit niet mocht vertellen. Bovendien was verzoeker op dat moment volledig verrast en overrompeld omdat hij enkele minuten daarvoor had gehoord dat de voormalige bestuurder fraude zou hebben gepleegd.

Verder vindt verzoeker dat de gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend. Verzoeker is altijd goed beoordeeld en op de wijze waarop hij zijn functie uitoefende is nooit wezenlijke kritiek geweest. Verweerder is verantwoordelijk voor de beoordelingen en verzoeker mag uitgaan van de legitimiteit van de beoordelingen. De gang van zaken rond voorschieten en naderhand declareren is niet vreemd. Als verzoeker onvoldoende heeft opgelet, geldt dat ook voor de Raad van Toezicht, de externe accountant en voor wat betreft de aanstelling van [C] voor P&O. Verder geldt dat het vanuit psychologisch perspectief zeer moeilijk is om in de positie van verzoeker onregelmatigheden te zien omdat hij een goede relatie had met de voormalige bestuurder. Verweerder heeft nagelaten waarborgen in de structuur van de organisatie in te bouwen. De voormalige bestuurder is als zelfstandig bestuurder zelfstandig bevoegd gemaakt en de Raad van Toezicht oefende zijn toezichthoudende taak van grote afstand uit.

Volgens verzoeker is disciplinair ontslag volstrekt onevenredig aan het plichtsverzuim. Er was geen sprake van doelbewust handelen of nalaten van verzoeker. Hij geniet bovendien geen enkel voordeel van de fraude. Verzoeker heeft geen enkele waarschuwing of geen enkel signaal gehad dat hij zijn werk niet goed deed. Verweerder heeft ten onrechte de gevolgen van zijn gedragingen meegewogen. Deze benadering is in strijd met het verbod op willekeur. Verder heeft verweerder geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Verzoeker is ouder van een dochter van 19 jaar en van een tweeling van 16 jaar, die gehandicapt is. Alle kinderen hebben ADHD en de tweeling heeft ook autisme. Verzoeker en zijn echtgenote hebben de zorg en verantwoordelijkheid voor de tweeling. Als verzoekers inkomen wegvalt, moet het huis worden verkocht. De leeftijd van verzoeker brengt mee dat het zeer onzeker is dat hij een andere baan kan vinden.

Ten aanzien van de subsidiaire ontslaggrond heeft verzoeker aangevoerd dat hij niet op zijn tekortkomingen is gewezen en onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich te verbeteren. Dat hij heeft gewezen op relevante feiten en omstandigheden wil niet zeggen dat hij niet reflecterend is of deze feiten bagatelliseert. Verzoeker heeft op de context gewezen omdat die relevant is.

Ten aanzien van de meer subsidiaire ontslaggrond heeft verzoeker aangevoerd dat geen sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. De arbeidsrelatie kan verbeteren en zonder poging tot herstel kan niet worden volgehouden dat de relatie onherstelbaar is verstoord.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 10.a.8., tweede lid, van de cao VO wordt onder plichtsverzuim verstaan: het overtreden van de voor de werknemer geldende voorschriften, het niet nakomen van hem opgelegde verplichtingen, alsmede het doen of nalaten van datgene dat de werknemer bij een goede uitoefening van zijn functie behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 10.b.3., elfde lid, van de cao VO kan de werknemer ontslag worden verleend:

(…)

7. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit anderen hoofde;

(…)

11. als disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim;

12. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

Op grond van artikel 10.b.7., derde lid, aanhef en onder c, van de cao VO kan de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feitenvaststelling

8. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder met de gespreksverslagen van verzoekers gesprek met Hoffmann Bedrijfsrecherche op 29 oktober 2019 en verzoekers gesprek met de bestuurder a.i. en mevrouw [A] , senior medewerker P&O, van 8 november 2019 in ieder geval aannemelijk gemaakt:

1. dat verzoeker wist van de herhaaldelijke pintransacties van de voormalige bestuurder, veelal tijdens de zomervakanties;

2. dat verzoeker wist dat de voormalige bestuurder beweerde dat hij sommige facturen die in of vlak voor de zomervakantie binnen kwamen vanaf zijn privérekening betaalde en dat verzoeker akkoord ging met verrekening daarvan middels genoemde pintransacties en overboekingen van de schoolrekening naar zijn privérekening, zonder te controleren of hij de facturen daadwerkelijk vanaf zijn privérekening betaalde;

3. dat verzoeker akkoord is gegaan met het ruim achteraf inboeken van een factuur van [B] voor de werving en selectie van een nieuwe rector terwijl hij wist of had kunnen weten dat er helemaal geen externe werving- en selectieprocedure geweest was;

4. dat verzoeker facturen met zeer riante bedragen van scholing die de voormalige bestuurder in Engeland heeft gevolgd heeft ingeboekt in de administratie, terwijl verzoeker wist dat de bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd;

5. dat al het bovenstaande voor verzoeker geen signaal was om vanuit zijn functie als controller deze werkwijze te melden bij de Raad van Toezicht of een vertrouwenspersoon, en voor verzoeker ook geen aanleiding was om de voormalige bestuurder wel beter te gaan controleren;

6. dat verzoeker heeft meegewerkt aan de aanstelling en promotie van [C] buiten alle procedures om en heeft meegewerkt aan het opstellen van een valse functiebeschrijving, terwijl verzoeker als enige wist dat [C] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was;

7. dat verzoeker de voormalige bestuurder tijdens telefonisch contact met de voormalig bestuurder op of rond 18 juli 2019 heeft meegedeeld dat het gesprek met de Raad van Toezicht over declaraties ging.

Verzoeker heeft ten aanzien van punt 3 aangevoerd dat hij niet wist of behoorde te weten dat er geen werving en selectie was toegepast rond de aanstelling van een nieuwe rector. Maar het gaat erom dat er geen externe werving en selectie was toegepast.

Verzoeker heeft ten aanzien van punt 4 aangevoerd dat de voormalige bestuurder de mogelijkheid had om af te wijken van de procedure, maar hij heeft niet betwist dat de voormalige bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd.

Verzoeker heeft ten aanzien van punt 6 aangevoerd dat anderen bekend was dat [C] uit de nabije kring van de voormalige bestuurder afkomstig was. Maar verzoeker heeft niet bestreden dat zij niet wisten dat [C] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was. Verder heeft hij aangevoerd dat hij niet de functiebeschrijving heeft gemaakt, maar slechts een conceptbeschrijving. Dit strookt echter niet met wat verzoeker tijdens het gesprek met Hoffmann Bedrijfsrecherche op 29 oktober 2019 heeft gezegd. Hoe dan ook, de verweten gedraging betreft het meewerken aan het opstellen van een valse functiebeschrijving en deze gedraging staat in ieder geval voor de voorzieningenrechter vast.

Voor het overige heeft verzoeker bovenstaande feiten niet bestreden. In het kader van deze procedure gaat de voorzieningenrechter uit van bovenstaande feiten.

Kwalificatie als plichtsverzuim

9. Naar voorlopig oordeel kwalificeren de verweten gedragingen als ernstig plichtsverzuim.

Ten aanzien van punten 1 tot en met 5:

Bij een goede uitoefening van zijn functie behoorde verzoeker te (laten) controleren of de voormalige bestuurder de facturen daadwerkelijk vanaf zijn privérekening betaalde dan wel melding te maken bij de Raad van Toezicht of een vertrouwenspersoon van de werkwijze van de voormalige bestuurder. Daartoe bestond aanleiding nu deze betalingen herhaaldelijk in of vlak voor een vakantieperiode plaatsvonden en het indienen van daarbij behorende facturen zeer lang op zich liet wachten.

Dat het wel vaker gebeurde dat medewerkers bedragen voorschoten die vervolgens werden gedeclareerd, neemt niet weg dat er aanleiding was om alert te zijn waar het de voormalige bestuurder betrof. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 23 maart 2020 aangegeven dat het bij andere medewerkers ging om bijvoorbeeld het voorschieten van kosten tijdens een werkreis. Volgens het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche van 27 november 2019 heeft de voormalige bestuurder in de periode van 6 november 2011 tot en met maart 2019 in totaal een bedrag van € 82.800,- contant bij pinapparaten opgenomen van een rekening van de Stichting en in de periode van 11 december 2011 tot en met 19 juli 2019 in totaal een bedrag van € 73.502,79 van een rekening van de Stichting naar een privérekening overgemaakt. Daarnaast heeft de voormalige bestuurder voor een bedrag van € 1.903,94 een privédocument op kosten van de Stichting laten vertalen én heeft hij in 2018 een bedrag van € 444,90 ten onrechte als ‘onkosten bestuur' gedeclareerd. Het ging dus om behoorlijk hoge bedragen.

Behalve dat het ging om behoorlijk hoge bedragen hadden ook het pinnen van contante bedragen en de fouten op de facturen aanleiding moeten zijn om alert te zijn, bijvoorbeeld bij een factuurdatum die voor de offertedatum lag. Dat verzoeker niet is getraind als fraudeonderzoeker en zelfs geen volledige opleiding tot controller heeft genoten, doet hier niet aan af. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de bestuurder a.i. binnen een dag nadat hij toegang had tot de bankrekeningen had ontdekt dat de voormalige bestuurder (in de zomer) contante geldopnames deed en geld van de school naar zijn privérekening overboekte. Weliswaar stond de bestuurder a.i. in een andere verhouding tot de voormalige bestuurder, maar de bestuurder a.i. heeft geen financiële achtergrond. Daarbij kan dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het verschil verklaren tussen binnen een dag iets ontdekken en jarenlang niets doorhebben.

Ook het feit dat de voormalige bestuurder niet de juiste procedure ten aanzien van het volgen van scholing had gevolgd had een aanwijzing kunnen zijn dat er iets niet pluis was.

Bovendien lijkt verzoeker ook door in ieder geval een medewerker geattendeerd te zijn op de bijzonderheid van de situatie. [e] heeft op 10 maart 2020 verklaard dat zij verzoeker wel eens vroeg waarom zij niet rechtstreeks facturen van bedrijven kregen maar die via de voormalige bestuurder ontvingen. Ook heeft zij blijkens haar verklaring met verzoeker besproken dat de voormalige bestuurder bedragen naar zijn privérekening overmaakte.

Ten aanzien van punt 6:

Ook het meewerken aan de aanstelling en promotie van [C] buiten alle procedures om en aan het opstellen van een valse functiebeschrijving, terwijl verzoeker als enige wist dat [C] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was, had verzoeker bij een goede uitoefening van zijn functie behoren na te laten. In de verklaring van [D] van 14 februari 2020 staat dat hij verzoeker heeft gevraagd of [C] de schoonzoon van de voormalige bestuurder was en dat verzoeker dat ontkende. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit dat verzoeker bewust handelde.

Ten aanzien van punt 7:

Het meedelen aan de voormalige bestuurder op of rond 18 juli 2019 dat het gesprek met de Raad van Toezicht op 19 juli 2019 over declaraties ging, is ook iets wat verzoeker bij een goede uitoefening van zijn functie had behoren na te laten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet aan verzoeker was om te zeggen en dat dit ertoe heeft geleid dat de voormalige bestuurder voorbereid het gesprek met de Raad van Toezicht in ging. De voorzieningenrechter neemt in aanmerking dat de bestuurder a.i. verzoeker toen al had afgeraden contact te hebben met de voormalige bestuurder.

Ten aanzien van alle punten:

Voor zover fouten zijn gemaakt door de externe accountant, de Raad van Toezicht en P&O, betekent dat niet dat verzoekers gedragingen niet als plichtsverzuim kunnen worden gekwalificeerd.

Toerekenbaarheid

10. Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de CRvB van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Zie de uitspraak van 6 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:262.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien of niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Verzoeker heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit dat zou blijken. Het argument van verzoeker dat hij goede beoordelingen heeft gehad mist betekenis. Zijn leidinggevende ( [voormalige bestuurder] ) had er immers geen baat bij indien verzoeker de door hem ingediende facturen zou beoordelen zoals het een goed controller betaamt. Ook de omstandigheid dat hij een positieve mening had over de voormalige bestuurder betekent niet dat zijn handelen niet meer toerekenbaar was.

Voor zover de Raad van Toezicht en de externe accountant onvoldoende hebben opgelet of door verweerder te weinig waarborgen in de organisatie waren ingebouwd, wat daarvan zij, betekent dit niet dat verzoekers gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend.

Evenredigheid

11. Naar voorlopig oordeel is het strafontslag evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De voorzieningenrechter neemt daarbij de aard en de ernst van het plichtsverzuim in aanmerking. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij zijn afweging mogen betrekken dat door het plichtsverzuim van verzoeker fraude mogelijk was. De stelling dat verzoeker geen voordeel heeft genoten acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd, gezien in het licht van de werktijduitbreiding die verzoeker heeft genoten. Verweerder heeft toegelicht dat een werktijduitbreiding wegens overuren, zoals door verzoeker gesteld, niet conform de geldende regels was. Verweerder heeft tot slot naar voorlopig oordeel geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, hoe belastend deze ook zijn.

12. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan wat verzoeker heeft aangevoerd over de subsidiaire en meer subsidiaire ontslaggrond.

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 mei 2020 door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.