Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
NL20.6896
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, rapport SFH/OSAR, corona tijdelijke belemmering voor overdracht, beroep ongegrond.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:4987)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.6896

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Nohar),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft partijen op 8 mei 2020 per brief geïnformeerd over haar voornemen om de zaak buiten zitting af te doen. Als één van de partijen wel een zitting wilde, moesten zij dit voor 15 mei 2020 om 17:00 uur aan de rechtbank kenbaar maken. Geen van de partijen heeft aangegeven dat zij een zitting noodzakelijk vinden.

Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft

Overwegingen

  1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992 en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft op 26 juli 2016 en 8 november 2016 in Italië asiel aangevraagd. Op 10 november 2019 heeft eiser zijn onderhavige asielaanvraag ingediend.

  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft

Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eiser voert in beroep aan dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op een stuk van Vluchtelingenwerk van 21 februari 2020. Daaruit blijkt dat volgens de SFH/OSAR sprake is van systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Lidstaten moeten daarom afzien van de overdracht van kwetsbare asielzoekers aan Italië. Verder heeft eiser bij terugkeer in Italië weinig kans op adequate huisvesting en worden zijn basisrechten niet gegarandeerd. Tot slot kan eiser niet worden overgedragen aan Italië vanwege de uitbraak van het coronavirus. Gelet op de gezondheidssituatie daar is de overdracht van eiser in strijd met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien is ook sprake van een feitelijke belemmering van de overdracht, omdat vanwege de uitbraak van het coronavirus geen overdrachten plaatsvinden van en naar Italië.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in Italië sprake is systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in zijn uitspraak van 19 december 20181 geoordeeld dat geen sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten na overdracht aan Italië een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. De ABRvS heeft dit oordeel daarna meerdere keren, onder andere in de uitspraken van 12 juni 20192, 28 augustus 20193 en 8 april 20204 herhaald. Verder heeft de ABRvS in de uitspraak van 8 april 20205 overwogen dat ook het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 geen wezenlijke wijzigingen laat zien ten opzichte van eerdere rapporten die door de ABRvS zijn beoordeeld. In het stuk van Vluchtelingenwerk van 21 februari 2020 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betreft namelijk een samenvatting van en een verwijzing naar het rapport van SFH/OSAR van januari 2020. Daarnaast is de enkele stelling dat Italië door de verspreiding van het coronavirus niet meer aan zijn internationale verplichtingen kan voldoen, onvoldoende voor het oordeel dat het Italiaanse asiel- en

1 ECLI:NL:RVS:2018:4131.

2 ECLI:NL:RVS:2019: 1861.

3 ECLI:NL:RVS:2019:2957.

4 ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987.

5 ECLI:NL:RVS:2020:986

opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiser bij overdracht een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM.

6. Het persoonlijk relaas van eiser biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Ten aanzien van het recht op herhuisvesting voor Dublinclaimanten, overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië geen recht meer heeft op opvang. Eiser heeft dit niet nader geconcretiseerd of toegespitst op zijn situatie. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is.

7. Voor zover de gronden gericht zijn op de positie van kwetsbaren in Italië overweegt de rechtbank dat ten aanzien van eiser gesteld noch gebleken is dat hij een kwetsbaar persoon is. Dat uit het van SFH/OSAR-rapport van januari 2020 zou blijken dat kwetsbare Dublinclaimanten het risico lopen dat hun rechten in Italië worden geschonden, maakt reeds daarom niet dat eiser niet zou kunnen worden overgedragen aan Italië.

8. Verder overweegt de rechtbank dat de door eiser genoemde omstandigheid dat de overdracht op dit moment, ten gevolge van (de maatregelen die zijn getroffen vanwege) het coronavirus, niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Het staat er niet aan in de weg dat, als het overdrachtsbeletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 8 april 20206.

9. Tot slot is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

6 ECLI:NL:RVS:2020:1032.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

03 juni 2020

Documentcode: DSR11759401

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.